Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1854 - 1860)

Algemeen

In Goes bestaan deze jaren vijf kerkelijke gemeenten, te weten de hervormde gemeente, de rooms katholieke gemeente, de christelijke afgescheiden gemeente, de doopsgezinde gemeente en de Israëlitische gemeente. De doopsgezinde gemeente bestaat door vertrek en overlijden van haar leden slechts nog in naam.
De dienst bij de hervormden wordt waargenomen door drie predikanten; bij de rooms katholieken door een pastoor en bij de christelijke afgescheidenen door een predikant.
De doopsgezinden en de Israëlieten hebben geen eigen voorgangers.

Hervormde gemeente

Predikanten
De Hervormde gemeente wordt deze jaren gediend door de predikanten W.F. van Oosterzee, R.A.S. Piccardt en E. Moll.

In april 1854 bericht ds. Moll de kerkenraad dat hij ontvangen heeft van de firma Kleeuwens 80 exemplaren van de leerredenen, die door de predikanten Van Haaften, Swalue, Moll en Van Oosterzee indertijd zijn uitgegeven. De kerkenraad besluit vijftig stuks af te nemen en deze te deponeren bij de president diaken. In de Goessche Courant wordt bekend gemaakt dat deze exemplaren tegen betaling van vijftig cent voor de armen verkrijgbaar zijn. De overige exemplaren zullen in de consistoriekamer worden bewaard om door de predikanten zoveel mogelijk in het belang van de armen te worden verkocht.

De kerkenraad condoleert in 1855 de oud-predikant ds. L. van Haaften wegens het overlijden van zijn echtgenote, evenals in 1858 ds. Van Oosterzee vanwege het overlijden van zijn dochter.

De kerkenraad ontvangt een kennisgeving van ds. Van Oosterzee dat zijn eerwaarde op 30 september 1855 gedachtenis denkt te vieren van zijn vijftigjarige evangeliebediening. De vergadering besluit eenparig ‘dat de predikanten de jubilerende leraar, namens de vergadering, zullen geluk wensen met dit zijn heugelijke feest’.

Op 30 januari 1860 overlijdt de oudste predikant van de Hervormde gemeente, dr. W.L. van Oosterzee. In oktober 1860 wordt een poging gedaan de vacature van derde predikant vervuld te krijgen. De kerkenraad stelt een groslijst op. Iedere ouderling mag hiervoor circa zes namen noemen. Op de groslijst staan onder meer de volgende predikanten: J.G. Verhoef te Zevenbergen, Gildemeester te Scheveningen, Schijvliet te Loosduinen, G.L. Tjalma te Scherpenzeel, W.J. Jorissen te Hattem, Fijn van Draat te Zwartsluis, W. Gezelschap te IJsselmuiden, J.C. de Vijver te Veenendaal, W. Zegers te Oosterbeek, J.H. Gunning te Hilversum, Verhoef te Oud Beijerland, Osti te Delfshaven, Gobius du Sart te St Jansga, W. Kleuver te Wolphaartsdijk en Felix te Oud Beijerland.
Hieruit wordt het volgende twaalftal gevormd: J.H. Gunning te Hilversum 13 stemmen; E.F.H. Wolf te Beekbergen 13 stemmen; F.A. van Loenen te Vianen 12 stemmen; W. Snellen te Odijk 12 stemmen; J.A. Timmerman te Oss 12 stemmen; H.G. Janssen te Sint Anna ter Muiden 12 stemmen; M.J. Bouman te Hoevelaken 12 stemmen; N. Osti te Delfshaven 1 stem; H.W.A. Verhoeff te Oud Beijerland 9 stemmen; W. Kleuver te Wolphaartsdijk 9 stemmen; J.P. Nonhebel te Vaassen 8 stemmen.
Op zestal komen te staan: Gunning 14 stemmen; Osti 11 stemmen; Kleuver 9 stemmen;
Drost 8 stemmen; Verhoeff 8 stemmen; Bouman 7 stemmen.
In een volgende kerkenraadvergadering wordt hier weer een drietal uit geformeerd, te weten Osti 13 stemmen; Drost 9 stemmen en Verhoeff 7 stemmen. Dr. Gunning had ook 7 stemmen, maar na herstemming kreeg ds. Verhoeff de meerderheid.
Uiteindelijk beroept de kerkenraad op 8 december 1860 tot herder en leraar ds. J. Drost te Rhenen. Eind van het jaar deelt ds. Moll mee dat de beroepen predikant hem officieus heeft medegedeeld het beroep aan te nemen.

Kerkenraad
De kerkenraad van de Hervormde gemeente bestaat deze jaren uit zes ouderlingen en acht diakenen.

Elk jaar wordt in november de kerkenraad ‘vermaakt’. Dan treedt de helft van de ouderlingen en diakenen af. Om een indruk te geven van de samenstelling van de kerkenraad volgt hierna een overzicht van de elk jaar nieuw verkoren drie ouderlingen en vier diakenen. Hierbij moeten enkele bijzonderheden worden aangetekend.
Allereerst blijkt deze jaren steeds weer hoeveel moeite het kost de vacante plaatsen te vervullen, ‘meestal na herhaalde en dringende aandrang’. Verder is het opmerkelijk dat vrijwel alle ambtsdragers, met name de ouderlingen, behoren tot de notabelen van de stad. In onderstaand overzicht is, waar mogelijk, bij de nieuw gekozen ambtsdragers hun beroep aangegeven.

Ouderlingen: Diakenen:

1854:
C.P. Soutendam, koopman
C.C. van den Bosch, arts
D. van der Hoek

 

1854:
mr. K. Broes van Dordt, notaris
Th. van Uije Pieterse
mr. P. Lenshoek van Kerkwijk, jurist
mr. J.P. van der Bilt, jurist

1855:
mr. De Knokke van der Meulen, rechter
G. van de Velde, goudsmid
P. van Dalen

 

1855:
M.A. Ramondt, gareelmaker
M.J. de Jongh, wijnhandelaar
S. Mulock Houwer, wijnhandelaar
P. van Wasbeek

1856:
W. de Fouw
D. van der Hoek
mr. P.J. van Dam

1856:
L. de Fouw
J.C. Dominicus v.d. Bussche, hoofd politie
P. Alvarez Janssen
Jac. Scheele, bakker

1857:
mr. Knokke van der Meulen, rechter
G. van de Velde, goudsmid
P. van Dalen

 

1857:
S.J. Paardekoper
D. Hildernisse
J.B. Arentz, gareelmaker
C. Hofman, schoolmeester

1858:
mr. P.J.A. van Dam
D. van der Hoek
W. de Fouw

1858:
P. Alvarez Janssen
J.C. Dominicus van den Bussche, politiehoofd
J. Meijler, wagenmaker
L. de Fouw Lzn
1859:
P. van Dalen
dr. N.J.F. Verschoor, arts
mr. Knokke van der Meulen, rechter
1859:
J.B. Arentz
D. Hildernisse
J. Olivierse

1860:
A. Nortier, fabrikant
G. van de Velde, goudsmid
P. Johannissen, apotheker

1860:
J. Meijler
H.C.J. Pilaar
J.C. Dominicus van den Bussche
P. Alvarez Janssen

1861:
P. van Dalen
T. Pieterse, heelmeester
P. van Hiele, schoolmeester

1861:
J. Olivierse
J. Wabeke
J.B. Arentz, gareelmaker
D. Hildernisse

In december 1858 verzoekt ouderling G. van de Velde uitdrukkelijk om niet weer in aanmerking te worden genomen bij de benoeming tot ouderlingen. De eveneens in 1858 tot ouderling benoemde arts dr. N.J.F. Verschoor wijst op het bezwaar dat het bijwonen van de morgengodsdienstoefening vanwege zijn beroep voor hem slechts uitzondering kan zijn. Hij is evenwel bereid zijn benoeming te aanvaarden. De kerkenraad verklaart dat ze het geopperde bezwaar niet deelt en de aanneming van de benoeming van Verschoor verwacht.
Ook N. Vervenne en J. Olivierse bedanken in 1858 voor hun benoeming als diaken. De kerkenraad bericht hen ‘dat de kerkenraad niet in zoodanig bedanken voor een kerkelijke betrekking kan berusten met herinnering aan de tuchtmiddelen die de kerkenraad kan aanwenden tegenover verkeerdheden bij de lidmaten der gemeente’. Maar Vervenne persisteert bij zijn bedanken, terwijl Olivierse zijn benoeming alsnog aanneemt.
In december 1858 deelt de preses mee dat de heer Schetsberg voor zijn benoeming tot diaken heeft bedankt. Hij stelt de kerkenraad voor daarin niet aanstonds te berusten, maar evenals bij vorige gelegenheden hem te machtigen om met de benoemde te gaan spreken. De vergadering besluit echter bij meerderheid dat dat in dit geval niet zal gebeuren. Er worden vervolgens drie zinnen in het notulenboek onleesbaar doorgehaald. De volgende zin luidt: ‘Verklarende intussen ds. Van Oosterzee dat zijn eerwaarde, teneinde niet geprejudieerd te zijn, in geene handeling omtrent (doorgehaald: volgens mij stond er Schetsberg) eenig aandeel neemt’.

Handelingen van de kerkenraad
In 1854 beraadt de kerkenraad zich over de aanschrijving van de synodale commissie over de viering van de Goede Vrijdag. Bij de ouderlingen ‘bestaat geen argwaan om dienovereenkomstig de viering van die dag door meerdere godsdienstoefeningen en de viering van het Heilig Avondmaal te houden, maar wordt de beslissing overgelaten aan de predikanten’. De predikanten hebben voor de viering van de Goede Vrijdag een ander alternatief, namelijk ‘ofwel de zaak te laten in status quo of tweemaal godsdienstoefening te houden’. Maar de notulen vermelden: ‘Vermits dit laatste geen onverdeelde bijval gevonden had bij broeders ouderlingen, is de zaak ditmaal gebleven zoals in vorige jaren’.
Bij meerderheid van stemmen bepaalt de kerkenraad nadien ‘dat op de Goede Vrijdag maar één godsdienstoefening en wel des avonds om zes uur zal worden gehouden. Deze godsdienstoefening zal tot plechtige viering van het Heilig Avondmaal worden bestemd, zullende alsdan het tweede Avondmaal op de morgen van de eerste Paasdag worden gehouden’.
Er wordt daarop nogmaals op teruggekomen. Ds. Piccardt doet het voorstel gedaan om, terugkomend op het besluit omtrent de Goede Vrijdag (zie de acta van 3 maart), alsnog te bepalen dat ook op de morgen van die dag een godsdienstoefening zal worden gehouden. Wegens het vergevorderde uur wordt besloten dit voorstel aan te houden en daaromtrent te beslissen in een vergadering op vrijdag 30 maart.
In april 1855 besluit de kerkenraad op voorstel van de preses om op de aanstaande Goede Vrijdag, evenals vorig jaar, ’s avonds het Heilig Avondmaal te houden, maar ditmaal ook ’s morgens godsdienstoefening te houden op die dag en wel ter voorbereiding voor het Heilig Avondmaal en tot bevestiging van de nieuwe leden.

In 1854 doen de predikanten ‘opgave van de catechisanten ten getale van 52, waartegen bij niemand enig bezwaar bestaat, zodat zij tot het doen van belijdenis worden toegelaten’.
Overigens blijkt het totale aantal catechisanten 388 te zijn. Het aantal huwelijksinzegeningen is 19.

Ook komt er in 1854 een aanwijzing van de algemene synode tot aanprijzing van het gebruik van de toga voor de predikanten. Dit wordt voorlopig aangenomen voor notificatie, ‘terwijl het aan de predikanten blijft overgelaten in deze te handelen met gemeen overleg en in elk geval met volstrekte eenparigheid’. De predikanten delen gezamenlijk mee dat door hen besloten is om met het aanstaande voorjaar de toga aan te nemen. ‘De broeders ouderlingen geven hun genoegen over dit besluit te kennen’.
Het voorstel van de scriba, ds. Piccardt, om bij kerkenraadsbesluit te bepalen dat de toga voortaan door de predikanten van Goes zal worden gebruikt, wordt echter door de meerderheid van de kerkenraad aangehouden.

In 1854 vermeldt het notulenboek zonder een bepaald onderwerp te noemen: ’Burgemeester en wethouders treden de consistorie binnen en worden door de preses aangesproken en van het doel van deze samenkomst verwittigd. De wederzijdse mededelingen worden beschouwd als een vriendschappelijke samenspraak, hebbende geen officieel karakter. En wordt daarvan te dezer plaatse slechts pro memorie melding gemaakt’.

Opnieuw komt in 1854 een schrijven binnen van de synodale commissie met een dringende aanbeveling om het kerkelijk weekblad voor de kerkenraad aan te schaffen en voor de betaling van de kosten daarvan zich tot het college van kerkvoogden te wenden.
De kerkenraad besluit ‘bij de kerkvoogden aanvraag te doen om de kosten voor dit weekblad te dragen teneinde de kerkenraad in staat te stellen aan de uitnodiging en aanbeveling der synodale commissie te voldoen’. De kerkvoogdij gaat ermee akkoord.

Ds. Moll wenst in 1855 voortaan ontslagen te zijn van de verplichting tot het houden van godsdienstoefeningen door de week. De meerderheid van de kerkenraad steunt hem hierin, behalve ds. Piccardt en ouderling Van Dalen.
Ds. Piccardt doet het voorstel om dit jaar de weekgodsdienstoefeningen in de Kleine of Gasthuiskerk, die in gebruik is bij de doopsgezinden, te houden. Ds. Moll verklaart zijn bedoeling, namelijk om alleen de godsdienstoefening in de Grote Kerk op woensdagen voor dit jaar niet te houden. De preses brengt daarop het alternatief in omvraag, namelijk ofwel de godsdienstoefening deze winter in de Kleine Kerk te houden. Dit zal worden beschouwd louter als een overbrenging van de woensdagavondbeurt ofwel als een oefening door de jongste predikanten met opheffing van de weekbeurten voor dit jaar. De kerkenraad besluit de godsdienstoefening in de Kleine Kerk louter als een overbrenging van de lokaliteit te beschouwen. In januari 1856 komt een schrijven binnen van de eigenaren van de doopsgezinde kerk waarbij het gebruik van hun kerkgebouw voor de woensdagavond godsdienstoefening wordt toegestaan.

In oktober 1855 besluit de kerkenraad het gemeentebestuur te berichten gezind te zijn deel te nemen aan de armenapotheek.

Op voorstel van ds. Moll geeft de kerkenraad in 1857 de diakenen in overweging in hoever het wenselijk is dat er voor de kerkelijke huwelijksinzegening een vast uur, en voor hen die op een ander uur deze plechtigheid mochten verlangen, een bepaald bedrag voor de diaconie wordt vastgesteld. De diakenen beraden zich hierover en delen de kerkenraad mee dat zij daarin voor de armen geen voordeel menen te zien.

In mei 1859 ontvangt de kerkenraad een brief van het classicaal bestuur met het verzoek om inlichtingen over de ingevulde Tabel van de kerkvisitatie. Besloten wordt de classis het volgende te antwoorden:
‘De kerkenraad van Goes heeft de eer in antwoord op uw missive te berichten dat hij op de Tabel de aanmerkingen heeft ingevuld (...) en dat hij het niet nodig acht en niet verlangt deswegens in verder onderzoek te treden, vertrouwende hiermede in antwoord te kunnen volstaan’. De predikanten Van Oosterzee en Moll verklaren, na lezing van de brief, ‘al dadelijk zich in hun betrekking buiten elke beslissing in deze zaak te zullen houden, alzo zij tot dien einde buiten stemming te deze zijn gebleven’.
Er komt een antwoord van het classicaal bestuur naar aanleiding van het toegezonden bericht. ‘Wederom bleven ds. Van Oosterzee en ds. Moll te dezer zake buiten de debatten en buiten stemming’. De kerkenraad besluit op die missive geen antwoord te laten volgen.

In mei 1860 ‘deelt ds. Moll zijn bezwaren mee tegen de waarneming van de preekbeurten in de vacature, die niet aan de ring kunnen worden opgelegd en waartoe ook bij de predikanten van deze gemeente geen verplichting bestaat vermits de toelage tot het traktement uit de gemeente bij vacature niet aan de dienstdoende predikanten wordt uitgekeerd, gelijk dit met het landstraktement door de overleden leraars genoten, geschiedt’. De kerkenraad meent geen bepaald besluit in deze te moeten nemen. Ds. Moll verlangt dat deze zaak ook bij de kerkvoogden zal worden ter sprake gebracht.
 
In oktober 1860 besluit de kerkenraad de voorbereiding voor het Heilig Avondmaal ditmaal te houden in het kerkgebouw van de doopsgezinden, in de zogenaamde Kleine kerk aan de Gasthuisstraat. Verder wordt voorlopig bepaald ‘dat ook op 14 oktober, inplaats van de godsdienstoefening des avonds in de Grote kerk, des voormiddags zal worden gepredikt in het kerkgebouw van de doopsgezinden, doch dat op 21 oktober de avondgodsdienstoefeningen een aanvang zullen nemen’.

Afscheidingen van de Hervormde gemeente
Ook deze jaren zijn er herhaaldelijk leden die zich wensen af te scheiden van de Hervormde gemeente om over te gaan naar de Christelijke Afgescheiden gemeente. Hiervan kan het navolgende overzicht worden gegeven.
Het notulenboek vermeldt onder 1854 dat de kerkenraad bepaalt ‘dat de broederlijke samenkomst met de afgescheiden leden van dit college zal gehouden worden dinsdag 3 januari, terwijl bij meerderheid van stemmen besloten is ditmaal niet in de consistorie kamer maar elders deze bijeenkomst te houden’.
De volgende verzoeken om afscheiding worden deze jaren ontvangen:

  • in 1854 van J. Reijnhout, waarbij hij kennis geeft dat hij zich uit de kerk verwijdert. Hij wenst zich van het kerkgenootschap af te scheiden;
  • in 1855 van Jan Hendrik Harthoorn en zijn vrouw Francina den Hamel en kinderen;
  • in 1856 van J.P. Daane, M.B. Verheul, J. Vleugel, A. van der Mark en H. Boer, evenals van O. Verhagen, ‘verklarende afstand te doen van zijn rechten als lidmaat van het hervormde kerkgenootschap’;
  • in 1857 van Pieternella Johanna Massee;
  • in 1858 van Wilhelmina de Smit, H.J.J. Doornik weduwe Valckenaar, B. van Asperen Vervenne, de weduwe J. Dekker, J. Engelblik, Martina Nobel, M. van Zweeden, Cornelia van der Schraaf en Cornelis Jacobus Clement;
  • in 1859 van Arij van de Visse Azn en Janus Ossewaarde;
  • in 1860 van J.P. Vroegop en A. van de Volkere.

In mei 1856 wordt een bewijs van lidmaatschap bij de Herstelde Evangelische Lutherse gemeente ingebracht door Godlof Frederik Steijn uit Amsterdam. De kerkenraad besluit, na onderzoek door ds. Piccardt, vernemende dat bij de Herstelde Evangelische Lutherse gemeente nimmer kerkelijke attestaties maar alleen bewijzen van lidmaatschap worden afgegeven, geen zwarigheid te maken om dit bewijs af te geven.

Diaconie Hervormde gemeente
De gemeenteraad legt in april 1854 de kerkenraad de vraag voor of deze zich kan verenigen met het plan om de armenadministraties in de gemeente te centraliseren. Een meerderheid van de kerkenraad voelt hier niet voor. De leden ds. Van Oosterzee, Van den Bree, Vervenne, Fransen van de Putte, De Jongh en Ramondt wensen aantekening dat zij in tegenovergestelde zin gestemd hebben. Wel vindt de meerderheid van de kerkenraad dat centralisatie van de armenadministraties onder zekere bepalingen kan plaats vinden. De scriba wordt opgedragen de gemeenteraad overeenkomstig de gevoelens van de kerkenraad te berichten.

De kerkenraad beraadslaagt in september 1854 uitvoerig over de gevolgen van de nieuwe Armenwet voor de diaconie. Met algemene wordt besloten nog een proeve tot schikking te doen en mitsdien:

  1. aan burgemeester en wethouders te schrijven dat de kerkenraad, in antwoord op de missive van 16 september 1854, met bescheidenheid verzoekt een uitstel van de gestelde termijn tot 1 januari 1855. De reden is dat het het gemeentebestuur genoegzaam bekend is hoe de diaconie niet bij machte was alle lidmaten, die belijdenis afleggen, te bedelen, terwijl zij nog veel minder nog méér onderstand kan verstrekken;
  2. aan burgemeester en wethouders te verzoeken het voorstel voor een schikking, dat als gevolg van de discussies in de kerkenraad vastgesteld werd, aan de gemeenteraad voor te leggen;
  3. bij de gemeenteraad een voorstel in te dienen voor de regeling van het armwezen te Goes.

Tijdens de beraadslagingen in de kerkenraad over de maatregelen terzake van de diaconie administratie maken de diakenen in oktober 1854 opmerkzaam op een te voorzien tekort over dit jaar van ƒ 600, voortvloeiend uit het niet verlenen van de bijdrage van ƒ 600 uit de gemeentekas.
De kerkenraad delibereert in november 1854 zeer uitvoerig en in verdeeldheid over de vraag of de diaconie van de Hervormde gemeente met ingang van 1 januari 1855 werkzaam zal zijn als een kerkelijke instelling zoals omschreven in artikel 2 lid b van de nieuwe Armenwet dan wel als een instelling van gemengde aard zoals omschreven in artikel 2 lid d van deze wet.
Alvorens hierover te stemmen doet ds. Van Oosterzee het volgende voorstel:
‘Om de stedelijke raad aan te schrijven dat de kerkenraad het hiervoren staande alternatief moetende beslissen, zich daardoor in een grote moeilijkheid bevindt; weshalve de kerkenraad het college voorstelt om nog eenmaal een officieuze samenkomst met de kerkenraad te hebben. Daarbij kan het stedelijk bestuur zich overtuigen hoe de kerkenraad ook door de kerkelijke reglementen en besluiten zich terzake de diaconie ziet gebonden’.
Dit voorstel wordt met 7 tegen 5 stemmen verworpen. Ds. Van Oosterzee verzoekt daarop de vergadering te mogen verlaten. Hij acht zich bezwaard, na de verwerping van zijn onderscheidene voorstellen terstond een definitieve beslissing te nemen.
De preses stelt voor ‘om het gevoelen van de meerderheid omtrent het bewuste beginsel alsnu te horen, teneinde daarna de bijzonderheden der uitvoering te overwegen en desnoods op het genomen besluit terug te komen’. Nadat dit voorstel met 8 tegen 4 stemmen is verworpen verlaat ds. Van Oosterzee de vergadering. Het genoemde alternatief wordt in stemming gebracht met het gevolg dat het met 9 tegen 2 stemmen wordt aangenomen. De kerkenraad besluit ‘dat met 1 januari 1855 de diaconie zal werkzaam zijn als kerkelijke instelling omschreven in artikel 2, lid b, van de Armenwet’.

De diaconierekeningen sluiten deze jaren steeds met batige saldi, te weten over 1854
ƒ 117,39; over 1855 ƒ 376,97; over 1856 ƒ 773,83; over 1857 ƒ 840,56; over 1858 ƒ 781,12 en 1859 ƒ 605,62.

In september 1855 delen de diakenen de kerkenraad mee dat de inschrijving ten behoeve van de diaconie een bedrag heeft opgeleverd van ƒ 2.100. Het gemeentebestuur wordt daarop meegedeeld ‘dat de kerkenraad met genoegen bericht, dat een vernieuwde poging, aangewend tot opwekking van de liefdadigheid, met de gewenste uitslag aanvankelijk is bekroond, immers dat de inschrijving der lidmaten ten behoeve van de diaconie circa ƒ 2.100 bedraagt’.

De meerderheid van de kerkenraad besluit in december 1855, naar aanleiding van het verzoek van de diakenen, ‘dat er bij het gemeentebestuur een aanvraag zal geschieden om zich zonder tijdbepaling van de stedelijke geneesheer ten behoeve van de diaconie armen te kunnen bedienen als bate voor de diaconie administratie’.

De kerkenraad besluit in oktober 1856, naar aanleiding van een mededeling van de diakenen, ‘van den predikstoel af te kondigen: ‘BB diakenen hopen dat bij het naderen van de winter de inschrijving ten behoeve van de diaconiearmen ruimer zal worden, terwijl zij zich bereid verklaren van de diaconierekening over 1855 aan de leden der gemeente inzage te geven en daartoe zullen vaceren op zaterdag 18 oktober en zaterdag 25 oktober des middags van 1 tot 2 uur in de consistoriekamer, teneinde de leden der gemeente zich mogen overtuigen hoe de giften besteed zijn’.

In 1859 beklaagt ds. Moll zich dat de diakenen ditmaal, ten opzichte van de bedeling van kleding uit de buitengewone collecte, niet communicatief met de kerkenraad gehandeld hebben. De vergadering vindt goed dat dit punt op de eerstvolgende vergadering van de algemene kerkenraad bij gelegenheid van de revisie van het huishoudelijk reglement in het oog zal worden gehouden.

Waalse gemeente

Voor de overgang van de Goese Waalse gemeente naar de Hervormde gemeente wordt in februari 1856 een ‘Inventaris behorende tot de overgave van de goederen, effecten en gelden van de voormalige Waalsche gemeente te Goes’ opgesteld.
De inventarisstaat vermeldt de volgende artikelen:

  • een koperen wapen of lessenaar voor den predikstoel, door de heer Isebree in 1669 aan de kerk geschonken met de bepaling dat bij mogelijke ontbinding der gemeente dit moet overgaan aan de kerk te Oud Vossemeer
  • twee zilveren nachtmaalbekers
  • een porseleinen schenkkan met zilveren deksel
  • twee tinnen schotels
  • een dito doopbekken met koperen beugel
  • een tafellaken en twee servetten
  • een mand en broodmes
  • een zilveren cachet
  • zes zitkussens (zeer defect)
  • een tinnen inktpot en twee dito kandelaars
  • een defecte zandloper met koperen arm
  • twee koperen armblakers
  • twee folie bijbels, dertien quarto idem, twee kleine dito
  • drie psalmboeken
  • zeventien livres
  • de cantiques in quarto en vijf dito in octavo
  • een acteboek van de nationale synode te Dordrecht van 1617/1619
  • een portefeuille met diverse ingekomen en uitgegane stukken
  • een lidmatenboek en een doopboek
  • een ontvangsten- en rekeningenboek.

Rooms-katholieke gemeente

Een opmerkelijk bericht over de doopregisters van de rooms-katholieke gemeenten op Zuid-Beveland dateert van april 1858.
Burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Heerenhoek delen het gemeentebestuur het volgende mee: ‘Ingevolge een missive van 21 dezer hebben wij de eer te berichten dat het daarbij bedoelde doopregister in deze gemeente aanwezig is. Dat volgens informatie van de weleerwaarde heer Deken en Pastoor alhier dat register in 1778 te Goes gehouden werd door een aldaar wonende Pastoor die de dienst voor het gehele eiland Zuid-Beveland (behalve voor de stad Goes) verrichtte, alwaar alle gedoopten van dat eiland welke tot de Roomsch Catholieke godsdienst behoorden werden ingeschreven. Dat gedachte register naar deze gemeente is overgebracht toen alhier de Roomsch Catholieke kerk is gesticht, dat zal zijn omtrent den jare 1796, welke de eerste landskerk was en diensvolgens die landpastoor te Goes niet meer behoefde te wonen’.

Deze jaren is pastoor Tielens in de rooms katholieke gemeente werkzaam.
In 1858 wordt de kapelaan Johannes Scheerman aan de pastoor toegevoegd. De nieuwe kapelaan vertrekt in 1860 weer metterwoon. In de loop van 1860 volgt de heer H.W.J. van Hertum hem op.

Christelijke Afgescheiden gemeente

De erven Sterk geven in februari 1859 het gemeentebestuur hun wens te kennen om op het terrein van het gesloopte schuurgebouw in wijk D nummer 202 te mogen bouwen in steen een vergroting van het kerkgebouw, staande in ‘de Zeven Koten’, zoals aangegeven op de overgelegde schetstekening. Er is een matte afdruk van de tekening bijgevoegd.

Israëlitische gemeente

In september 1857 krijgen op hun verzoek Jacob Blitz en Mozes Abraham Emanuel, beide van de Israëlitische godsdienst, toestemming om een bijeenkomst te houden gedurende het Nieuwejaar en het Grote Verzoendagfeest in het huis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 17, bewoond door David Lion, om hun godsdienst te kunnen uitoefenen.