Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs en cultuur (1854 - 1860)

Onderwijs algemeen

In 1854 zijn er in de gemeente de volgende scholen:

  1. een Nederduitse school voor kinderen van niet behoeftige ouders (gemiddeld 180 leerlingen; hoofd Wessel Swart);
  2. een Nederduitse school voor kinderen van behoeftige ouders (gemiddeld 225 leerlingen; hoofd Pieter van Hiele);
  3. een Franse dag- en kostschool voor knapen (circa 25 leerlingen; hoofd J.H. van den Bree);
  4. een Franse school voor meisjes (circa 30 leerlingen; hoofd Hendrika Dunnes);
  5. een bewaarschool voor kinderen van minvermogende ouders (gemiddeld 150 leerlingen; hoofd Carolina Söhr);
  6. een burgerbewaarschool (gemiddeld 30 leerlingen; hoofd Carolina Söhr);
  7. een gymnastiekschool (circa 70 leerlingen; hoofd J.C.A. Cromjongh);
  8. een bijzondere school voor wezen en armenkinderen ten koste van de godshuizen (gemiddeld 180 leerlingen; hoofd J.C.A. Cromjongh);
  9. een bijzondere zondagschool voor behoeftigen en dienstbaren boven de 16 jaar, uitgaande van het Bijbelgenootschap (60 leerlingen);
  10. een bijzondere christelijke school (gemiddeld 125 leerlingen; hoofd G.H. van Lingen).

Daarnaast zijn er zes zogenaamde matresseschooltjes (van de kinderschoolhouderessen Jacomina Jacoba Thomson, Maria Barbara Verheule, Pieternella Dekker, Lena van der Swan, Johanna Snoep en Phaebe Sara Du Moulin) en vier huisonderwijzers (J.H. van den Bree, B.J. Elsman, P.J. Thompson en A.P. Snoep). Verder bestaan er tot 1857 twee scholen voor het leren van vrouwelijke handwerken, waarvan er slechts een is overgebleven, met 36 leerlingen. Ook is er een naai- en breischool voor kinderen van minvermogende ouders met 30 leerlingen.
In totaal volgen 598 jongens en 497 meisjes onderwijs in de gemeente.

Namens alle onderwijzers van Goese scholen stuurt schoolmeester J.H. van den Bree in september 1856 het gemeentebestuur een prospectus en een proeve van bewerking van afbeeldingen van A. Koot retour. Deze platen zouden in een lang gevoelde behoefte bij het natuurkundig onderwijs voorzien. Om deze reden nemen de onderwijzers de vrijheid het gemeentebestuur te verzoeken elk van de gemeentescholen te voorzien van een stel van deze platen. Bij het archiefstuk zit een fraaie afbeelding van deze platen voor de scholen.

De gemeenteraad besluit in oktober 1856 dat er met ingang van 1 januari 1857 zal worden geheven een schoolgeld van kinderen die van de openbare gemeenteschool gebruik maken: voor elk kind, voor iedere schooltijd, dertig cent, te weten: voor de voormiddag dagschool 30 cent, voor de namiddagdagschool 30 cent en voor de avondschool 30 cent per maand, onverschillig of meer dan één kind tot hetzelfde huisgezin behoort.

In februari 1857 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de plaatselijke schoolcommissie dat op de christelijke lagere school ongevaccineerde kinderen worden toegelaten. Ze verzoekt daartegen ernstige maatregelen te nemen.
Het gemeentebestuur overweegt dat dergelijke klachten vroeger eveneens zijn voorgekomen en het schoolbestuur daarover is aangeschreven. Bij brief van 29 januari 1855 gaf het schoolbestuur te kennen dat de hoofdonderwijzer zich verbonden heeft daarvoor in het vervolg te waken.
Besloten wordt thans een zeer ernstige aanschrijving hierover aan het schoolbestuur te richten met de bedreiging dat de school gesloten zal worden wanneer nog eenmaal klachten van deze aard mochten voorkomen.
Het schoolbestuur deelt daarop mee welke maatregelen ze genomen heeft om te voorkomen dat ongevaccineerde kinderen op de school worden toegelaten.
Op 4 april 1857 komt een brief van het schoolbestuur in de gemeenteraad aan de orde, waarbij het te kennen geeft dat het bij een opzettelijk ingesteld onderzoek gebleken is dat enige leerlingen zijn toegelaten die niet gevaccineerd zijn en die de kinderziekte nog niet hebben gehad. De ouders van deze leerlingen hebben zich verbonden hen bij de eerst mogelijke gelegenheid te laten vaccineren. Het zal het schoolbestuur bijzonder aangenaam zijn dat die kinderen voorlopig de school mogen blijven bezoeken.
De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.

In maart 1857 houdt de gemeenteraad een gecombineerde vergadering met burgemeester en wethouders over de belangen van het onderwijs binnen de gemeente.
Gedeputeerde Staten geven in september 1857 kennis dat bij besluit van Zijne Majesteit de Koning de heer J. ab Utrecht Dresselhuis op zijn verzoek eervol ontslag is verleend als schoolopziener. De tijdelijke waarneming is opgedragen aan de heer dr. P.J. Andrée, schoolopziener in het 2e district. Tot provinciaal inspecteur van het lager onderwijs wordt met ingang van 1858 benoemd de heer C.M. van Visvliet te Middelburg.

De hoofdonderwijzer van de Franse school, J.H. van den Bree, krijgt in september 1858 toestemming voor zijn nevenbetrekking van beëdigd vertaler. De hoofdonderwijzers W. Swart van de Nederduitse school en J.K.A. Cromjongh van de wezen- en armenschool krijgen toestemming voor hun nevenfuncties van voorzanger bij de Hervormde gemeente. Geen toestemming krijgt Cromjongh om de functie van landmeter uit te oefenen.
Tegelijk met deze mededelingen wordt aan Gedeputeerde Staten kennis gegeven dat de bijzondere school van de eerste klasse thans als openbare school kan worden aangemerkt. Dit omdat de vroegere bijdrage van het algemeen armbestuur rechtstreeks door de gemeente gedragen wordt en het weeshuis tot een gemeentelijke instelling is verklaard.

Plaatselijke schoolcommissie

Tot 1858 fungeert in de gemeente nog steeds een Plaatselijke commissie voor de scholen als adviesorgaan voor het gemeentebestuur. In mei 1854 neemt het lid mr. J.L.H. Liebert ontslag uit deze commissie. In zijn plaats wordt benoemd de heer Johannes Adolphus Abraham Fransen van de Putte. In 1855 volgt de heer A.P.A. Saaymans Vader het overleden lid Vervenne op als lid van de commissie.

Per 1 januari 1858 treedt de nieuwe Wet op het lager onderwijs in werking. De regeling van het onderwijs in de gemeente Goes valt geheel in de termen van deze wet. Alleen kunnen wat betreft de armen- en wezenschool, de Franse school van de heer Van den Bree en de jonge juffrouwenschool van mejuffrouw Demas wellicht enige veranderingen worden aangebracht. Met het oog hierop stelt de gemeenteraad in januari 1858 een Verordening vast.
In verband met het bepaalde in artikel 73 van de nieuwe wet dienen de plaatselijke schoolcommissies te worden ontbonden. De gemeenteraad besluit hiertoe met ingang van 1 januari 1858 en betuigt zijn dank voor de vele diensten die de commissie gedurende vele jaren heeft bewezen.
Daarna komt in behandeling een nieuwe verordening voor de Plaatselijke schoolcommissie. Deze wordt met enige wijzigingen vastgesteld. Er worden vijf leden benoemd. Op de aanbevelingslijst staan tien namen, te weten de heren N.J.F. Verschoor, mr. P.J. van Voorst Vader, mr. C. de Witt Hamer, J.A.A. Fransen van de Putte, mr. J.H. de Laat de Kanter, mr. J.J. van Deinse, mr. J.L. Liebert, J.F.W. Conrad, K. Broes van Dort en mr. P.J.A. van Dam.
Gekozen worden de heren N.J.F. Verschoor, mr. C. de Witt Hamer, J.A.A. Fransen van de Putte, M.J.H. de Laat de Kanter en J.F.W. Conrad. De heer De Laat de Kanter deelt nadien mee zijn benoeming niet te aanvaarden. Op tweetal worden nu gezet de heren P.A. Hochart junior en H.C. van Deinse. Hochart krijgt de meeste stemmen.
De nieuwe Plaatselijke schoolcommissie benoemt in april 1858 tot voorzitter de heer N.J.F. Verschoor en tot secretaris de heer J.A.A. Fransen van de Putte. Tevens stelt de commissie een huishoudelijk reglement vast.

In januari 1859 dienen de leden mr. De Witt Hamer en dokter Verschoor hun ontslag in als leden van de schoolcommissie. In de vacatures worden gekozen de heren dokter R.B. van den Bosch en dokter L.C. de Peval. Ook de heer ir. J.F.W. Conrad vraagt vanwege zijn verhuizing naar Alkmaar ontslag. In zijn plaats wordt benoemd de heer H.K. Dominicus van den Bussche.
Tevens wordt de heer J. Kooman Azn benoemd.
De Peval bedankt al in februari 1860 als lid van de schoolcommissie. De reden is dat hij slechts met een geringe meerderheid van stemmen is herkozen. In zijn plaats wordt de heer M.M.J. van den Bergh benoemd. Deze deelt mee vereerd te zijn door de benoeming, maar nochtans redenen te hebben om die functie niet aan te nemen. In zijn plaats wordt benoemd de heer mr. J. Cohen.

De schoolcommissie geeft over 1856 een allergunstigst rapport. Ze geeft haar tevredenheid te kennen over de ijver waarmee de onderwijzers op de openbare school, op de school voor minvermogenden en op de wezen- en armenschool hun taak volbrengen en hun bekwaamheden ten nutte van de leerlingen aanwenden. Ze wijst er op dat deze taak echter zwaar was voor de onderwijzers van de kinderen uit minvermogende niet bedeelde huisgezinnen. Het aantal leerlingen in die school is zo groot dat dubbele ijver gevorderd wordt om in allen dele aan hun verplichtingen te voldoen. Het rapport vermeldt o.a.:
'Ook de taak van de onderwijzer op de wezen- en armenschool is, na de oprichting van de school voor minvermogende niet bedeelden, niet veraangenaamd. Want is het aantal leerlingen van deze school beduidend verminderd, het gehalte van de leerlingen, als alleen uit diep armoedige en bedeelde huisgezinnen voortkomende, is van dien aard dat een ongelooflijk geduld gevorderd wordt om enige vrucht van hun moeite te zien, naardien bij die kinderen, ook wanneer zij tot enige leeftijd gekomen zijn, een onbegrijpelijke domheid en onvatbaarheid wordt waargenomen, die geheel aan hun verwaarloosde opvoeding moet worden toegeschreven. De hoop alleen, dat de bewaarschool in de toekomst daaraan zal tegemoet komen, zoals reeds blijkbaar is bij de aankomst van haar eerste leerlingen, houdt de onderwijzers' moed staande om hun zorgen onvermoeid aan die zo zeer verwaarloosde jeugd te besteden'.
Bij voortduring wordt op de Franse school voor jongens de gunstige invloed opgemerkt die de toevoeging van de zo bekwame hulponderwijzer heeft te weeg gebracht en waaraan die school haar tegenwoordige bloei te danken heeft.

Over 1857 rapporteert de schoolcommissie: 'dat hetzelve, op al de scholen zonder onderscheid, hare voortdurende tevredenheid heeft weggedragen; dat alle onderwijzenden hun plicht ijverig hebben betragt; dat het personeel op de school voor minvermogenden niet evenredig mag genoemd worden aan het getal leerlingen; dat op de wezen- en armenschool de weldadige invloed der bewaarschool werd ondervonden, welke laatste mitsdien als een aanwinst voor de gemeente te beschouwen is'.

Over 1858 blijkt uit het verslag van de schoolcommissie dat de schoolgebouwen dit jaar onveranderd zijn gebleven. Er is weer een kleine kinder- of maîtresseschool geopend, zodat er thans drie bestaan. Deze hebben samen gemiddeld 60 kinderen. Er bestaan bij voortduur een school voor vrouwelijke handwerken met 40 leerlingen en een naai- en breischool voor minvermogenden met 25 leerlingen.

Reorganisatie van het onderwijs

In 1854 wordt er een grote verbetering aangebracht in het onderwijs, vooral in het belang van de minvermogenden.

Ten laste van de gemeente zijn tot stand gebracht:

  1. een openbare school voor kinderen van minvermogende niet bedeelde ouders, waaraan is verbonden een avondklasse tot het bekomen van onderwijs in cijferen en meetkunst;
  2. een bewaarschool voor kinderen van behoeftigen;
  3. ten laste van particulieren een bijzondere school van de eerste klasse. Daarentegen is één van beide openbare Nederduitse scholen opgeheven.

In april 1854 stelt de gemeenteraad een verordening vast op grond waarvan aan schoolgeld voor kinderen uit minvermogende niet bedeelde gezinnen wordt geheven voor één kind dertig cent; voor twee kinderen uit hetzelfde gezin vijftig cent en voor elk kind extra tien cent. Er wordt een openbare afkondiging gedaan van het raadsbesluit over de heffing van schoolgeld voor kinderen uit minvermogende niet bedeelde huisgezinnen.

Vooral in de jaren 1854 en 1855 worden aan de schoolgebouwen veel verbeteringen aangebracht, o.a. aan de Franse dag- en kostschool, de jonge juffrouwenschool en de bewaarschool.

In mei 1859 besluit de gemeenteraad tot een reorganisatie van het onderwijs. In de gemeente zullen voortaan vijf openbare scholen zijn, namelijk:

  1. een Nederduitse school voor wezen en armenkinderen van bedeelde ouders;
  2. een openbare Nederduitse school voor kinderen van minvermogende ouders (een van beide bestaande Nederduitse scholen komt hierdoor te vervallen);
  3. een openbare Nederduitse school voor kinderen van niet behoeftige ouders;
  4. een Franse dag- en kostschool voor jongens en
  5. een Franse dag- en kostschool voor meisjes.

Op 10 oktober 1859 besluit de gemeenteraad dat in de gemeente voortaan zullen bestaan vijf openbare scholen, drie voor gewoon lager onderwijs en twee voor het meer uitgebreid lager onderwijs, te weten:

  1. een voor behoeftige wezen en kinderen van bedeelde ouders;
  2. een openbare school der eerste klasse;
  3. een openbare school der tweede klasse;
  4. een Franse school voor jongens;
  5. een Franse school voor meisjes.

Nederduitse scholen

Vanaf 1859 zijn er dus in de gemeente twee zogenaamde Nederduitse scholen, een voor kinderen van niet behoeftige ouders en een voor kinderen van behoeftige ouders.
De school voor kinderen van niet behoeftigen wordt bezocht door 170 (1855), 140 (1856), 130 (1857), 120 (1858), 130 (1859) en 107 (1860) leerlingen en gediend door de hoofdonderwijzer Wessel Swart.
De school voor kinderen van behoeftige ouders wordt bezocht door 220 (1855), 220 (1856), 210 (1857), 170 (1858), 184 (1859) en 170 (1860) leerlingen en gediend door de hoofdonderwijzer Pieter van Hiele.

In 1854 wordt voor de Nederduitse school voor minvermogenden een geheel nieuwe lokaliteit ingeruimd, namelijk de ruimte waarin vroeger onderwijs in tekenkunde werd gegeven. Deze nieuwe ruimte wordt voor de nieuwe bestemming doelmatig ingericht. Het schoolgebouw dat gediend heeft als tweede Nederduitse school wordt doelmatig ingericht voor de functie van bewaarschool.
 
Burgemeester en wethouders delen de gemeenteraad in maart 1859 mee dat het hen wenselijk en doelmatig is voorgekomen om aan de ruimte aan de achterzijde van het gebouw van de openbare gemeenteschool, die mede gebruikt wordt voor het onderwijs aan de laagste klasse, een afzonderlijke uitgang in het straatje naast het schoolgebouw te maken. De hoofdonderwijzer heeft zich bereid getoond deze uitgang over zijn erf te laten aanbrengen. De raad besluit aan het verlangen van de schoolcommissie te voldoen en het college te machtigen tot het aanbrengen van deze uitgang.

De hoofdonderwijzer Wessel Swart van de Nederduitse openbare school dient in januari 1856 een verzoek in om een billijke tegemoetkoming in het verlies van leerlingen op zijn school, buiten zijn toedoen. Het gemeentebestuur overweegt dat het wenselijk is de school van de heer Swart in dezelfde categorie te brengen als die van de heer Van Hiele. Het gemeentebestuur stelt een onderzoek in in hoever het raadzaam is de openbare Nederduitse school van de heer Swart voor rekening van de gemeente te nemen, evenals die voor kinderen van minvermogende niet bedeelde ouders. Volgens het uitgebrachte rapport zou de overgang van deze school tot gemeenteschool de gemeentekas jaarlijks een opoffering kosten van ƒ 500. Het college stelt de gemeenteraad voor zich daardoor niet te laten afschrikken en de overgang te bepalen op 1 januari 1857. Dan kunnen nog de nodige verordeningen worden vastgesteld.
De gemeenteraad neemt in april 1856 het collegevoorstel met grote meerderheid over. Dat betekent dat de school van de hoofdonderwijzer W. Swart met ingang van 1 januari 1857 omgevormd wordt tot een openbare gemeenteschool. Ten behoeve van de gemeente zal voor schoolgeld van kinderen die van de openbare gemeenteschool gebruik maken worden geheven: voor elk kind voor iedere schooltijd dertig cent, te weten voor de voormiddagschooltijd dertig cent, voor de namiddagschooltijd dertig cent en voor de avondschool dertig cent per maand. Hiervoor wordt een verordening vastgesteld.

Huisonderwijs

Adriaan Pieter Snoep, voorheen huisonderwijzer te Zierikzee en thans zonder beroep, verzoekt in mei 1854 om zich als huisonderwijzer in de gemeente te mogen vestigen. Gelet op het positieve advies van de schoolcommissie en de vele gunstige getuigschriften besluit de gemeenteraad hem toe te laten als huisonderwijzer binnen de gemeente.
Aan het einde van deze jaren zijn er daardoor vier huisonderwijzers in de gemeente werkzaam, te weten de heren J.H. van den Bree, B.J. Elsman, P.J. Thompson en A.P. Snoep.

Kinderschooltjes

Deze jaren ontvangt het gemeentebestuur enkele verzoeken om naai- en breischool of kinderschool te mogen houden.
Zo wordt Dina Arnois echtgenote van Jozias Fikken in april 1854 toegelaten om een naai- en breischool in de stad te houden.
In juni 1854 krijgt Anna Jacoba van den Thoorn toestemming voor het houden van een kinderschool met het doel om onderwijs te geven in naaien en breien in een daarvoor door de plaatselijke schoolcommissie goedgekeurd lokaal, op voorwaarde dat ze tot haar school geen ongevaccineerde kinderen mag toelaten.
De gezusters Kievits geven in mei 1856 te kennen dat hun school voor het onderwijs van dameshandwerken veel verlies heeft geleden door de oprichting van een burger bewaarschool. Het wordt hen daardoor bezwaarlijk in hun onderhoud, woning en schoollokaal te voorzien. Ze verzoeken om een jaarlijkse toelage uit de gemeentekas.
Overwogen wordt dat de school van de gezusters een bijzondere en geen gemeentelijke school is. Het gemeentebestuur besluit dan ook dat er geen termen zijn om het verzoek in gunstige overweging te nemen.
Ook Susanna Everdina Hofmeester mag in september 1858 een kinderbreischooltje oprichten. In november 1858 krijgt Susanna Everdina Hofmeester uit 's-Heer Hendrikskinderen toestemming om aldaar een kinderbreischool op te richten. Dit op voorwaarde dat er niet meer dan zes kinderen tegelijk mogen schoolgaan en dat alle kinderen gevaccineerd moeten zijn.
In 1860 zijn er zes zogenaamde matressenscholen voor kleine kinderen.

Franse dag- en kostschool voor knapen

Er zijn deze jaren twee zogenaamde Franse scholen in de gemeente, een Franse dag- en kostschool voor jongens en een Franse dag- en kostschool voor meisjes. Die voor jongens wordt bezocht door 20 (1854), 26 (1855), 23 (1856), 25 (1857), 21 (1858), 20 (1859) en 17 (1860) leerlingen en gediend door de schoolmeester Jacobus Hermanus van den Bree.
Aan deze school moet in augustus 1854 een benoeming gedaan worden voor een hulponderwijzer. Benoemd wordt de heer C. Hofman uit Haarlem. Hij was vijf jaar secondant aan het Instituut van de heer I.G. Scholten te Haarlem en heeft thans geen betrekking.

In november 1854 dienen beide schoolhoofden J.H. van den Bree en mejuffrouw H. Dunnes een verzoek in tot herziening en wijziging van de schoolorde en tarieven van de Franse dag- en kostscholen voor knapen en meisjes. De plaatselijke schoolcommissie adviseert echter om dit verzoek niet in gunstige overweging te nemen. Daarop verzoeken Van den Bree en Dunnes om aan hun verzoek geen verder gevolg te geven. Het gemeentebestuur besluit het verzoek als niet gedaan te beschouwen.

De leden van de gemeenteraad Van den Bosch, Vervenne, De Knokke van der Meulen en Hochart doen in februari 1855 voorstellen voor het herstel en de verbetering van de jonge juffrouwenschool en de Franse kostschool. Het college is weliswaar overtuigd en versterkt in haar mening dat deze schoolgebouwen volstrekt verbetering en herstel behoeven. Het is dan ook niet tegen de uitvoering van de voorgestelde voorzieningen, maar meent dat meer doelmatige verbeteringen aan te brengen zijn dan zoals door de heren voorgesteld. De gemeenteraad besluit het college op te dragen met de vier raadsleden nadere voorstellen te bespreken, maar ondertussen de nodig geoordeelde bedragen in de te wijzigen begroting voor 1855 op te nemen.

In juli 1855 gaat de gemeenteraad akkoord met het collegevoorstel om de renovatie van de Franse school voor knapen nog gedurende dit jaar geheel te realiseren en die aan de jonge juffrouwenschool tot volgend jaar uit te stellen. De Franse school blijkt namelijk zeer dringend aan herstel toe te zijn.

In augustus 1956 komen de herstelwerkzaamheden aan de Franse school voor meisjes aan de Beestenmarkt aan de orde. Architect De Lannee de Betrancourt maakt een bestek en voorwaarden voor de aanbesteding van het wegbreken van het oude washuis en koolkot met een gedeelte van de keuken en de gehele daarop staande kap en het bouwen van een nieuw schoollokaal. Tevens neemt hij daarbij verbeteringen en herstellingen aan de andere gedeelten en lokalen van het gebouw mee. Deze bestaan uit metsel-, timmer-, smids-, lootgieters-, glazenmakers-, behangers- en schilderswerk.

In 1858 vertrekken twee leerkrachten van de Franse scholen. In september vertrekt de hulponderwijzer van de Franse dag- en kostschool C. Hofman. De gemeenteraad vraagt zich af of de vervulling van de vacature wel nodig is. De schoolopziener adviseert desgevraagd positief. Hij betoogt de noodzaak van een hulponderwijzer. Maar op de oproepen in de couranten voor deze functie solliciteert niemand. De voorzitter van de gemeenteraad wijt dit aan het feit dat de vereiste bekwaamheden niet in verhouding staan met de beloning die geboden wordt. De raad besluit daarop de gestelde eisen lager te stellen.
In juni 1860 vertrekt ook de hulponderwijzer C. Douw Snijder. Burgemeester en wethouders zien geen noodzaak om deze vacature te vervullen. Volgens het besluit van de gemeenteraad van 8 augustus 1853 waren de vereisten voor de huponderwijzer: seconderen in de Nederduitse, Franse en Hoogduitse talen en onderwijs geven in de Engelse taal, hogere wiskunde en beginselen van de natuurkunde. Ingevolge het raadsbesluit van 16 december 1858 zijn de eisen verminderd en bepaald op: akte van bekwaamheid als hulponderwijzer en in de beginselen van de Franse, Engelse en Hoogduitse talen en in die van de wiskunde en natuurkunde. Aangezien hoofdonderwijzer Van den Bree is toegelaten voor de Nederduitse, Franse en Hoogduitse talen is de taak van de hulponderwijzer meer bepaald tot het onderwijs in de Engelse taal en de beginselen van de natuurkunde.
Ook wordt overwogen dat de school thans slechts wordt bezocht door 17 leerlingen. Van deze 17 zullen zeer weinigen gebruik maken van het onderwijs in de Engelse taal, zodat het onverantwoordelijk is hiervoor een bedrag van ƒ 500 uit de gemeentekas per jaar af te zonderen. Het aantal leerlingen is veel te gering om daar een behoefte aan een hulponderwijzer uit af te leiden. Hierover wordt advies gevraagd van de plaatselijke schoolcommissie en de districtschoolopziener. Deze zijn stellig van oordeel dat een hulponderwijzer voor de school behouden moet blijven. De gemeenteraad vreest ook dat door het afvoeren van de functie van hulponderwijzer de school al verder en verder zal achteruit gaan. De gemeenteraad besluit dan ook met algemene stemmen in de vacature te voorzien. Uiteindelijk wordt de enige sollicitant, de heer Cornelis Hofman, benoemd.

Franse school voor meisjes of jonge jufferschool

De Franse school voor meisjes, ook genoemd de jonge jufferschool, gevestigd aan de Beestenmarkt, wordt bezocht door 25 (1854), 30 (1855), 33 (1856), 30 (1857), 28 (1858), 28 (1859) en 26 (1860) meisjesleerlingen.

Mevrouw J.C. De Kanter-Groeneijk verzoekt per 1 september 1854 ontslag als kostschoolhouderes met name vanwege haar zwakke gezondheid. Ze zegt de huur van haar woonhuis per die datum op. Zij wordt eervol ontslagen als onderwijzeres. De gemeenteraad besluit haar per brief de welverdiende dank van de vergadering over te brengen voor wat zij in die betrekking gedurende een 20-jarig verblijf heeft verricht. De raad doet dit met 'de beste wenschen voor haar bestendig welzijn en het genot ener ongestoorde en bevredigende rust'.
De gemeenteraad machtigt het college tot het oproepen van sollicitanten naar de vacante betrekking op een jaarwedde van ƒ 200 en vrije woning in het huis op de Beestenmarkt dat thans voor deze school in gebruik is. Sommige raadsleden vinden de bezoldiging te laag. Anderzijds wordt berekend dat het schoolgeld ƒ 800 bedraagt, zodat een inkomen van ƒ 1000 wordt verkregen.

Er wordt daarop een vergelijkend examen gehouden voor de drie sollicitanten naar deze betrekking. Op verzoek van de districtschoolopziener vindt dit plaats onder leiding van de Franse kostschoolhouder, de heer J.H. van den Bree. Het college, dat de examens bijwoont, is onder de indruk van de wijze waarop Van den Bree zich kwijt van het examineren. Het notulenboek van de gemeenteraad vermeldt: 'Een en ander kenschetste den bekwamen en humanen mensch'. De gemeenteraad kiest met meerderheid van stemmen uit de, alle drie, uitstekende sollicitanten mejuffrouw Hendrika Dunnes te Assen, thans gouvernante in die stad. De indruk bestaat dat de gemeente hiermee een uitstekende schoolleidster krijgt. Per 16 oktober 1854 treedt zij in functie.

Op de begroting voor 1856 is een bedrag van ƒ 3.000 opgenomen voor de verbouw van de jonge juffrouwenschool. De kosten zijn begroot op ƒ 2.991,96. De stadsarchitect De Lannee de Betrancourt wordt uitgenodigd een bestek te maken, waarop het werk kan worden aanbesteed en zich te belasten met het opzicht over de gehele uitvoering. In maart 1856 stuurt De Lannee de Betrancourt een gewijzigd ontwerp voor het herstel van het schoolgebouw, bestaande uit een schetstekening, een bestek en een berekening. Het bestek omvat het wegbreken van het oude washuis en koolkot met een gedeelte van de keuken en de gehele daarop staande kap, het bouwen van een nieuw schoollokaal en het aanbrengen van herstellingen aan de andere gedeelten en lokalen van het gebouw zoals metsel-, timmer-, smids-, loodgieters-, glazenmakers-, behangers- en schilderwerk.
Het plan tot herbouw van de school komt in april 1856 in de gemeenteraad. Het college krijgt machtiging om met architect De Lannee te overleggen om hem het doel van de verbouwing nader uiteen te zetten. In augustus besluit de gemeenteraad tot het vaststellen van het bestek en de voorwaarden voor de verbouw van de school. Het werk kan worden aanbesteed aan aannemer F.W. Goossen voor ƒ 2.980, dus binnen het daarvoor op de begroting uitgetrokken bedrag.
Bij het afbreken van een gedeelte van het schoolgebouw blijkt echter dat de muur tussen het gebouw en de woning van De Poorter ten enenmale onhoudbaar is en de fundamenten ingezakt zijn. De muren van de keuken die men meende te kunnen behouden zijn geheel gescheurd. Omdat het werk geen uitstel kan lijden geeft het gemeentebestuur opdracht deze muren weg te breken en geheel nieuw op te bouwen. De kosten komen daardoor ƒ 1.000 hoger te liggen. In 1856 zijn de nieuwe schoolvertrekken in de jonge juffrouwenschool gerealiseerd.

Al in 1858 komt er een verzoek van de onderwijzeres van de Franse school voor meisjes, mejuffrouw H. Dunnes, om tegen 1 november uit haar betrekking te worden ontslagen. De reden is dat ze niet tegen de Zeeuwse lucht kan en de koorts haar steeds achtervolgt. Verandering van lucht zal het beste geneesmiddel zijn. Aan mejuffrouw Dunnes wordt eervol ontslag verleend als hoofdonderwijzeres voor jonge juffrouwen in de gemeente per 1 november 1858. De tijdelijke waarneming van de vacature wordt opgedragen aan mevrouw D.M. Risseeuw-Van den Bree. Zij beschikt over alle vereisten voor de waarneming. Het gemeentebestuur besluit in juli 1859 de volgende invalkracht, mevrouw Van der Mandere-De Kanter, een dankbetuiging voor de belangeloze waarneming gedurende enige weken van de vacante jonge juffrouwenschool toe te zenden en haar een paar fraaie tafellampen als geschenk aan te bieden als blijvend aandenken 'van de gevoelens van erkentelijkheid van het gemeentebestuur voor haar edele handelwijze in deze'.

De gemeenteraad overweegt dat, als de Franse scholen niet gecategoriseerd worden en niet als openbare scholen worden erkend, de raad dan ook niet in de vacature hoeft te voorzien. Echter, als ze wel als openbare scholen worden aangemerkt, dan zal nog moeten worden bepaald of het scholen voor lager of voor middelbaar onderwijs zijn.

Voor de vervulling van de vacature van hoofdonderwijzeres aan de Franse meisjesschool worden drie sollicitanten gehoord. Er blijkt zo weinig verschil in de bekwaamheden van de drie sollicitanten te zijn dat de keus moeilijk is. De schoolcommissie heeft dan ook vooral gelet op de duidelijkheid van uitspraak, beschaafde vormen en dergelijke. Op die grond is de volgende voordracht opgesteld:

  1. Erkina van Braambeek;
  2. Hendrika Martina Corver;
  3. Johanna Cornelia de Jongh.

Met algemene stemmen wordt Erkina van Braambeek benoemd. Op 18 juli 1859 opent de nieuwe hoofdonderwijzeres haar Franse meisjesschool.

Volgens het gemeenteverslag over 1856 wordt in de jonge juffrouwenschool 'de vrucht van de onvermoeide zorgen der hoofdonderwijzeres waargenomen en het is te betreuren dat de ingewortelde mening dat de opvoeding van meisjes binnen de stad niet kan voltooid worden zonder een of meer jaren elders op een kostschool te hebben doorgebracht niet overwonnen kan worden. Deze omstandigheid is weinig bemoedigend voor de bekwame onderwijzeres maar had geen nadelige invloed op haar ijver'. Hiermee zal vooral ook gedoeld worden op het werk van de hoofdonderwijzeres mejuffrouw H. Dunnes.

Wezen- en armenschool

De Nederduitse school voor wezen- en armenkinderen wordt bezocht door 198 (1854), 182 (1855), 131 (1856), 132 (1857), 130 (1858), 130 (1859) en 117 (1860) kinderen. Hoofdonderwijzer is de heer J.C.A. Cromjongh.

In december 1854 staan de regenten van de godshuizen toe dat de weesjongens ingezet worden voor het rondbrengen van biljetten voor de nieuwjaarsbedeling en de leerlingen van de wezen- en armenschool voor het doen van de uitdeling.

De onderwijzer van de wezen- en armenschool, de heer Cromjongh, stuurt in april 1858 een brief aan de gemeenteraad met enige beschouwingen. Hij deelt daarin zijn bezwaren mee tegen de voorgestelde opheffing van de wezen- en armenschool. Hij schrijft o.a. het volgende:
'Toen, voor drie jaren, de wezen- en armenschool tot het doel harer oprichting werd terug gebracht en waarin voortaan alleen kinderen van bedeelde ouders en wezen zouden worden toegelaten (een schikking die grotelijks voortvloeide uit a. gebrek aan ruimte tot plaatsing van al de kinderen die aanvraag deden om geplaatst te worden en b. om tussen de bedeelden en onbedeelden meer en beter te kunnen nagaan en tot het schoolgaan te noodzaken) was het te voorzien dat daardoor het onderwijs vooral in de eerste jaren zeer bezwarend, onregelmatig en met weinig vrucht stond gegeven te worden.
Wat toch was en is er te wachten van een onderwijs aan grotelijks bedeelden en in de opvoeding doorgaans verwaarloosde kinderen die alle huiselijke aanmoediging en prikkel ten goede missen; van kinderen uit de armste en onnadenkendste stand, die zolang de bedeling duurt door deze nieuwe organisatie afgescheiden nog bovendien afgescheiden werden van de kleine burgers die doorgaans nogal prijs op het onderwijs stellen'.
En zo gaat de brief vier bladzijden door. Deze brief geeft het gemeentebestuur aanleiding deze voor advies voor te leggen aan het Burgerlijk Armbestuur met als onderwerp: 'opheffing wezen- en armenschool'.

Het Burgerlijk Armbestuur geeft daarop haar commentaar. Begin oktober 1858 schrijft deze in antwoord op het verzoek van het gemeentebestuur naar aanleiding van de brief van de heer Cromjongh:
'Met belangstelling hebben wij kennis genomen van uw missive van 31 juli en het hierbij teruggaande schrijven van de heer Cromjongh betrekkelijk de opheffing van de armenschool. Bij de beraadslagingen daarover zijn verschillende bezwaren tegen die opheffing in het midden gebracht. Is het toch niet te ontkennen dat de omgang der dadelijke armen met enigszins meer beschaafden van gunstigen invloed op de ontwikkeling der eerste zijn moet, evenmin valt het tegen te spreken dat het omgekeerde voor de minvermogenden te wachten is: dat de kiem van demoralisatie, dáár reeds aanwezig, te sneller opgroeien zal, wanneer men den enigen prikkel, zedelijke verheffing boven de dadelijk bedeelden en afscheiding van deze, wegneemt. De ondervinding betrekkelijk de burgerbewaarschool doet niet zonder grond vermoeden dat het publiek deze mening deelt.

In de tweede plaats zou voor de wezen vervallen de herhalingschool, waarvan nu vrij veel nut getrokken wordt, tenzij men dit op een andere wijze tracht te vergoeden. De schoolgaande wezen zouden zich bij iedere schooltijd buiten het gesticht moeten begeven, iets dat verre van wenselijk is, terwijl eindelijk aan de nu in gebruik zijnde armenschool, voor dit ogenblik althans, geen andere bestemming zou kunnen worden gegeven en dat lokaal dus doelloos zou zijn.
Op deze gronden is het Armbestuur van oordeel dat de denkbeelden van de heer Cromjongh zich niet zo geredelijk aanbevelen en het in deze ernstige overweging verdient of, hetgeen over jaren niet zonder moeite is tot stand gebracht, tot op het vroeger standpunt behoort teruggebracht te worden. Wij houden ons van het tegendeel, in het belang der mingegoeden en van het onderwijs zelf, ten volle overtuigd.

Het burgerlijk Armbestuur te Goes,
J.W. van Kerkwijk, voorzitter
J. Risseeuw, secretaris'.

Het gemeentebestuur stelt de brief van Cromjongh nogmaals in handen van de plaatselijke schoolcommissie met het verzoek de stukken in overleg met de schoolopziener nader in overweging te nemen en haar gevoelen aan het gemeentebestuur mee te delen.

Christelijke afgescheiden school

Na jarenlange vergeefse pogingen begint In 1854 in de gemeente de bijzondere school der eerste klasse, ook wel genoemd de christelijke afgescheiden school. Voor deze school wordt een geheel nieuw gebouw gesticht.
De plaatselijke schoolcommissie deelt de gemeenteraad in januari 1854 mee dat de verkiezing van de heer Gerardus Hubertus van Lingen tot onderwijzer aan deze school zonder voorkennis of medeweten van de schoolcommissie is gebeurd. Met medeweten van de schoolcommissie heeft geen vergelijkend examen plaats gehad. Hiervan wordt Gedeputeerde Staten kennis gegeven. Maar op 18 februari 1854 komt er bericht van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij het schoolbestuur gemachtigd wordt de heer Van Lingen als hoofdonderwijzer aan de school aan te stellen.

Het schoolbestuur geeft het gemeentebestuur kennis van de opening van de school op 3 april 1854. De hoofdonderwijzer G.H. van Lingen wordt uitgenodigd in handen van de burgemeester de belofte af te leggen om geen kinderen op zijn school te nemen die de kinderziekte niet, uit de natuur of door inenting, gehad hebben.

Op 2 november 1854 schrijft het schoolbestuur in een brief, getekend door voorzitter Adriaan de Bruijne en secretaris C.C. van den Bosch, het haar plicht te achten kennis te geven dat het nieuwe gebouw van de bijzondere school op heden wordt betrokken, terwijl 'het ons aangenaam zal zijn wanneer uw edelachtbaren de school ter gelegen tijd mochten willen met een bezoek vereren'. Het college schrijft terug dit te willen doen op eerstkomende donderdag voormiddags omstreeks half tien.
De school wordt bezocht door 124 (1855), 121 (1856), 100 (1857), 105 (1858), 135 (1859) en 170 (1860) kinderen.

Het bestuur van de christelijke afgescheiden school der 1e klasse deelt in april 1858 per brief, ondertekend door Adriaan de Bruijne, voorzitter, en C.C. van den Bosch, secretaris, het gemeentebestuur mee dat de hoofdonderwijzer G.H. van Lingen een beroep naar Bedum heeft aangenomen en op het punt staat derwaarts te vertrekken. Tot zijn opvolger is benoemd de heer J. van Ralen, thans hoofdonderwijzer te Dordrecht. Deze zal waarschijnlijk al per 1 juni 1858 kunnen beginnen.

In 1860 wordt er nog een bijzondere school in de gemeente opgericht. Tot hoofdonderwijzer is aangesteld H. Bloemendal en tot hulponderwijzer A.J. Bloemendal.

Bewaarscholen

In 1853 werd een bewaarschool voor kinderen van minvermogende ingezetenen opgericht.
Met eenparigheid van stemmen benoemt de gemeenteraad per 1 april 1854 tot onderwijzeres aan deze school mevrouw Carolina Söhr. Zij is thans hulponderwijzeres in de bewaarschool te Middelburg. Mevrouw Söhr mag aannemen en opleiden tot hulponderwijzeressen Johanna Louisa Tisserand en Cornelia Dronkers.

De nieuwe onderwijzeres geeft het gemeentebestuur een opgave van een aantal noodzakelijke hulpmiddelen:

  • enige opgeplakte platen voor het aanschouwelijk onderwijs;
  • vormen en kleuren opgeplakt;
  • tekenvoorbeelden idem;
  • zes gelinieerde leitjes voor het tekenen en schrijven, als model;
  • acht boekjes met versjes;
  • een rekenraam;
  • vijftig blikken kokertjes voor griffels;
  • 200 stuks met letters getekende kubus;
  • oogmaten;
  • een voorlopige lijst voor de werkzaamheden op de school;
  • een stel plano tafels voor het leren van klanken, letters en slotklanken;
  • een lijst voor het aantekenen der dagelijkse objecten;
  • een dito ter aantekening van het getal presenten op elke schooltijd;
  • een exemplaar van de hier gebruikt wordende leerboekjes;
  • een blad van een stamboek of register voor de school, weke bladen alhier bij U.F. Anex, gouvernementsdrukker, verkrijgbaar zijn.

In april 1854 wordt de verbouw van het schoolgebouw voor de bewaarschool publiek aanbesteed aan aannemer Johannes Goossen voor ƒ 550. De commissie, benoemd voor het in werking brengen en toezicht houden over de school voor kinderen van niet bedeelde ouders, verklaart zich bereid om zich met het in werking brengen van en het houden van toezicht over de bewaarschool te belasten.

Op maandag 8 mei 1854 wordt de bewaarschool geopend met 23 kinderen. Eind juni telt de school al 60 kinderen. In 1855 is het aantal kinderen opgelopen tot 130 en in 1856 tot 165. Vanaf 1857 loopt het aantal leerlingen terug: in 1857 tot 139, in 1858 tot 113, in 1859 tot 100 en in 1860 tot 88.

De hoofdonderwijzeres, hulponderwijzeres en kwekeling geven alle reden tot tevredenheid. De orde en tucht onder de kinderen wordt goed bewaard. De inrichting is doelmatig met tafels, banken en andere schoolbehoeften. Een gedeelte van het schoollokaal is met een planken vloer belegd en er is een overdekte speelplaats. Deze zal nog met klinkers worden bestraat, terwijl de open speelplaats wordt gegrind.

Op 1 februari 1856 wordt aan de bewaarschool voor kinderen uit minvermogende en bedeelde huisgezinnen een zogenaamde burgerbewaarschool toegevoegd. Burgemeester en wethouders kwamen namelijk in december 1855 met het voorstel voor de oprichting van een burgerbewaarschool. Met een krappe meerderheid van 6 tegen 5 stemmen besluit de gemeenteraad hiertoe. De bezwaar makende raadsleden Soutendam, Van den Bosch, Van Voorst Vader, Smallegange en Saaymans Vader willen de burgerbewaarschool afzonderlijk ergens stichten.
De school wordt gevestigd in het nog ongebruikte gedeelte van de huidige bewaarschool. De leiding zal berusten bij mevrouw Carolina Söhr. De burger bewaarschool wordt, na daartoe te zijn ingericht, geopend op 1 februari 1856.
voor de burgerklasse.
Het gemeenteverslag over 1857 vermeldt: 'De bewaarschool neemt door de bijvoeging van kinderen tot de burgerklasse in bloei toe en de bekwaamheid van de onderwijzeres, zo in het vormen van geschikte helpsters als in het bewaren van orde en tevredenheid onder de kinderen laat niets te wensen overig'.
Wel wordt opgemerkt dat de bewaarscholen weer een van de bestaan hebbende kleine kinderscholen hebben doen te niet gaan, zodat er slechts twee matressenscholen zijn overgebleven, die samen een gemiddeld aantal kinderen hebben van 50.

In oktober 1858 gaat de gemeenteraad over tot de benoeming van een commissie van voorlichting en raad over de toelating en classificatie van kinderen op de school voor minvermogende niet bedeelde ouders op de bewaarschool. De raad benoemt uit dubbeltallen de volgende personen:

  • wethouder J.W. van Kerkwijk;
  • mr. P.M. Saaijmans Vader als lid van de gemeenteraad;
  • L.C. de Peval als lid van de commissie voor de economische spijsuitdeling;
  • T. Pieterse namens het burgerlijk armbestuur;
  • D. Hildernisse namens de diaconie van de Hervormde gemeente;
  • P.M. Timans namens het rooms-katholieke parochiaal armbestuur.

De gemeenteraad besluit tot heffing van schoolgelden voor de burgerbewaarschool. Voor elk kind moet vijftig cent per maand worden betaald.
De burgerbewaarschool wordt bezocht door 80 (1856), 27 (1857), 20 (1858), 16 (1859) en 6 (1860) kinderen.

Industrieschool

De Plaatselijke schoolcommissie legt het gemeentebestuur in september 1856 een advies voor over de wenselijke oprichting van een zogenaamde Industrieschool binnen de gemeente. Het gemeentebestuur heeft hierover haar twijfels. Het wordt van belang geacht om hierover ook het gevoelen te vernemen van de nieuw ingestelde schoolcommissie.

Onderwijs in bouwkundig tekenen

In september 1859 ontvangt de gemeenteraad een brief van de heren J. Soutendam en J.M. van der Made. Bij hen is het denkbeeld gerezen om door het oprichten van een school voor bouwkundig onderwijs in een binnen de gemeente bestaande behoefte aan onderwijs in het bouwkundig tekenen te voorzien. Ze roepen de medewerking van het gemeentebestuur in om een geschikte lokaliteit beschikbaar te stellen. Dit dient voorzien te zijn van de nodige tekentafels, verlichting en verwarming. De school zal gedurende twee avonden per week, op dinsdag en vrijdag van 5 tot 8 uur en wel van half september tot half april, geopend zijn. Verder willen ze dat de minvermogenden gratis aan dit onderwijs kunnen deelnemen.
Het gemeentebestuur overweegt dat er in deze gemeente werkelijk geen gelegenheid bestaat voor het verkrijgen van onderwijs in het bouwkundig tekenen. Dit is nochtans van het hoogste belang voor de aanstaande ambachtslieden. Men is wel genegen de uitvoering van het denkbeeld van beide heren te bevorderen door het in gebruik geven van een gedeelte van het schoolgebouw voor minvermogenden. Dit zal zoveel nodig worden verlicht en verwarmd en voorzien worden van tekentafels. Eerst wil het college het oordeel van de plaatselijke schoolcommissie vernemen.

De plaatselijke schoolcommissie werpt enige bezwaren op tegen de verwezenlijking van het denkbeeld. Ze meent dat dit wellicht het vroeger opgevatte plan tot oprichting van een Industrieschool in de weg zal staan. Burgemeester en wethouders overwegen dat tegen de spoedige oprichting van een Industrieschool nogal bedenkingen bestaan en de uitvoering van het oogmerk van de heren Soutendam en Van der Made mogelijk zou kunnen strekken om daartoe geleidelijk te geraken. Besloten wordt de gemeenteraad voor te stellen het verzoek bij wijze van proef in te willigen en daarvoor in gebruik te geven een beschikbaar gedeelte van de schoollokalen in 'de hoge bomen' met de nog voorhanden tekentafels, terwijl de school 's avonds toch verlicht en verwarmd moet worden. Ze wil dit beschouwen als een bijzondere onderneming buiten verdere bemoeienis van de gemeente. De gemeenteraad neemt het voorstel bij acclamatie aan.

Zondagschool

Deze jaren is er in de gemeente ook een zondagschool voor behoeftigen en dienstbaren boven de 16 jaar. Deze school wordt bezocht door 52 (1854), 92 (1855), 70 (1856), 70 (1857), 90 (1858), 72 (1859) en 47 (1860) leerlingen en gediend door de heer J.K.A. Cromjongh.

De directie van de afdeling Zuid- en Noord-Beveland van het Nederlands Bijbelgenootschap geeft het gemeentebestuur in oktober 1860 kennis van de heropening van de zondagschool. Deze is bestemd om personen boven de zestien jaar oud in het lezen van de Heilige Schriften te oefenen onder leiding van de onderwijzers Cromjong en Elsman. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Gymnastiekschool

Er is deze jaren ook een zogenaamde gymnastiekschool in de gemeente. Deze wordt bezocht door 80 (1854), 82 (1855), 62 (1856), 63 (1857), 50 (1858), 50 (1859) en 42 (1860) leerlingen en gediend door de heer J.K.A. Cromjongh.

Cultuur

Er bestaan deze jaren in de gemeente een Departement der Maatschappij tot Nut van 't algemeen, een afdeling van de Maatschappij van Toonkunst met daaraan verbonden een bloeiende zangvereniging en een zangschool met 50 à 60 leerlingen. Deze drie verenigingen tellen vele leden en verkeren in bloeiende staat.
De zangvereniging scheidt zich in de loop van 1856 af en is sindsdien zelfstandig werkzaam. Zij neemt zeer toe in bloei toegenomen en telt thans ruim 60 werkende leden en 40 honoraire leden.

Schouwburg en toneel

J. Duport, de directeur van de Salon des Variétés te Amsterdam, schrijft in augustus 1854 voornemens te zijn gedurende de Goessche kermis in de schouwburg toneelvoorstellingen te geven. Hij neemt de vrijheid de vereiste toestemming voor dat doel te vragen.

Ook de herbergier J.P.J. Dronkers verzoekt het gemeentebestuur hem goedgunstig verlof te verlenen om gedurende de kermisdagen in zijn herberg bal- en danspartijen te geven en muziek te maken. Hij krijgt hiervoor verlof op voorwaarde dat hij zich onderwerpt aan de door de burgemeester zonodig voor te schrijven politiebepalingen, 'zullende evenwel de zondagen daarvan uitgesloten zijn'.
Ook M.B. van den Boogerd dient een verzoek in om toestemming om gedurende de beide zondagen gedurende de Goessche kermis onder de kerktijd te mogen spelen. Hij krijgt vergunning voor de zondagnamiddagen en de avonden na kerktijd.

Schutterstukken

Gemeentearchivaris J. ab Utrecht Dresselhuis doet het gemeentebestuur in augustus 1854 enige belangrijke mededelingen en aanwijzingen over de schilderijen, afkomstig van de voormalige schutterijen, en hun plaatsing in het koor van de Grote kerk. Na onderzoek is hem gebleken dat er in het geheel nog over zijn zeventien schilderijen. Als oudste jaartal op de schuttersstukken heeft hij aangetroffen 1616 en als jongste 1684. Van de meeste is de herkomst duidelijk. Twee behoren onfeilbaar, twee andere in hoge mate van waarschijnlijkheid tot het Sint Joris of Voetbooggilde. Vier hebben blijkens wapen en zinnebeeld behoord aan het Sint Sebastiaan of Handbooggilde. Van nog één andere is dit waarschijnlijk. Zes zijn afkomstig van het Sint Adriaangilde of de Edele Busse. Van slechts twee is dit twijfelachtig.
Op een vijftal stukken hebben de schilders zich genoemd. Drie zijn er van de hand van C.W. Eversdijk, twee van die van P. Peuteman, beiden van oude Goese burgemeesterlijke families en nauw aan de schuttersgilden verbonden. Waarschijnlijk zijn er nog andere door hen vervaardigd, doch de merken daarvan zijn nog niet gevonden.
De meeste schilderijen zijn door het herhaald heen en weer sjouwen zwaar beschadigd en vereisen voorzichtige herstelling van het lijstwerk, opdat ze weer kunnen hangen.
Ook de orde waarin zij opgehangen dienen te worden kan tot weinig discussie leiden. Bij de aloude processies hadden de coluveniers als jongste gilde de voorrang. Zij behielden die later omdat zij de rijksten waren. De Handboog volgde en het Sint Jorisgilde sloot de rij.
De schuttershoven van de handboog en de voetboog lagen ten zuiden van de kerk. De coluveniers (kolveniers) bij de Koepoort. Bij optochten rukte men alzo de zuiderdeur van het kruispand van de kerk in en ten noorden weer op naar de Grote Markt. Dresselhuis maakt daarbij de opmerking: 'Laat men nu zulk een trein halt maken tussen de beide deuren'.

Archivaris Dresselhuis ontvouwt verder een plan om de schilderijen in de Grote Kerk op te hangen. Burgemeester en wethouders nemen op 12 augustus kennis van de brief van de archivaris en de daarin vermelde belangrijke mededelingen en aanwijzingen over de herkomst van de schilderijen van de voormalige schutterijen en de plaatsing daarvan in het koor van de Grote Kerk. Hiervan zal het nodige gebruik worden gemaakt. Namens de gemeenteraad bericht de burgemeester de heer Dresselhuis te Wolphaartsdijk het volgende: 'Wij bedanken uw zeer geleerde voor de moeite welke u zich wel heeft willen geven om datgene op te sporen wat leiden kon tot de mededelingen in uw brief vervat. Wij zullen alsnu de nodige maatregelen nemen om de bewuste schilderijen zoveel mogelijk te doen herstellen en ter plaatsing voor te bereiden. Zullende daarbij de aanwijzingen van uw eerwaarde worden op het oog gehouden en gevolgd. Het zou ons echter aangenaam zijn dat uw eerwaarde zich nog de moeite wilde getroosten ons bij die plaatsing te assisteren en wij zullen de vrijheid nemen uw eerwaarde nader op te geven wanneer wij daartoe denken over te gaan'.
Enige tijd later schrijft de burgemeester de heer Dresselhuis: 'Het zal ons recht aangenaam zijn uw wel eerwaarde zeer geleerde voorlichting te mogen erlangen bij de voorgenomen plaatsing van de aanwezige schilderijen van de voormalige schuttersgilden in deze stad in het koor van de Hervormde kerk alwaar dezelve thans bijeengebracht zijn. Wij maken dus gaarne gebruik van uw zeer geleerde beleefde aanbod aan ons om daarbij te adviseren en verzoeken u vriendelijk ons te willen informeren wanneer het u het beste zal conveniëren daartoe enige ogenblikken af te zonderen'.
Verder ontvouwt Dresselhuis een plan om de schilderijen op te hangen.

Naamsoorsprong Goes

In het provinciaal blad worden in april 1858 inlichtingen gevraagd over de naamsoorsprong van de steden en dorpen in Zeeland. Het gemeentebestuur legt deze vraag voor aan archivaris dr. R.A.S. Piccardt. Deze overlegt hierover een uitvoerig en zeer interessant rapport. We nemen de inhoud van zijn rapportage hierna volledig over:

'Hoe wordt de naam Goes geschreven in vroegere spellingen?
In officiële stukken wordt de stad eenvoudig Goes genoemd. Men kan daarom evenwel niet zeggen dat dit gebruik eenparig is, omdat nog altijd hier en daar van de 'Stad van ter Goes' of van 'Ter Goes' wordt gesproken.

Wat is in het archief bekend omtrent de oudste en oorspronkelijke vorm, waarin de naam in de geschiedenis voorkomt?
Reeds uit de oudste stukken, in het archief voorhanden, die echter niet hoger dan tot het midden der 15e eeuw opklimmen, blijkt dat er vroeger nooit volkomen eenparigheid is geweest in het schrijven van de naam der stad, slechts in de vorm is er enig afwisselend verschil geweest. Men schreef Goes, ter Goes en de Stad van der Goes. Volgens Van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek zou in de oudste keur van Yerseke van 1323 de naam Goijs voorkomen. De alleroudste vorm schijnt geweest te zijn 'Van der Goes' ofschoon in het oudste Register van voorboden, sententiën enz. reeds in 1469 'ter Goes' werd geschreven.

Wat is wellicht bekend omtrent de oorsprong of de betekenis van die naam?
Daarover zijn bij de geschiedschrijvers verschillende gevoelens.
Het eerste dat omtrent de oorsprong van de naam Goes in herinnering wordt gebracht is, dat die ontleend zou zijn aan het oud-Duitse Gusa, gans. Men heeft gezegd dat op de plaats waar Goes is gevestigd oudtijds een schor is geweest waar op zich altijd vele ganzen bevonden en dat daaruit de naam is afgeleid. Dit beweren heeft men verder zoeken te staven door te wijzen op het wapen waarin nog altijd een gans wordt gevonden.
Reeds Boxhorn heeft aangewezen, dat wel het wapen uit de naam de stad, maar niet de naam uit het wapen moet verklaard worden en het komt ook meest waarschijnlijk voor dat de gans in het wapen is gebracht omdat men in de naam enige overeenkomst vond met het woord van deze betekenis.
Dat dit gevoelen het minst aannemelijk is, blijkt niet zozeer uit de weinige bijval daaraan geschonken, maar vooral uit de hogere waarschijnlijkheid die aan een andere afleiding kan worden gegeven.

Men heeft zich ook beroepen op de betekenis die het woord Goes (Gosum) in de oude Deensche en Nederduitsche talen heeft, namelijk 'van eene bijzondere welige en vruchtbare aarde'. Daar nu de landstreek, waarin Goes gelegen is, ten allen tijde door hare vruchtbaarheid zich onderscheidde, lag het denkbeeld voor de hand dat daarvan ook de naam was ontleend.
In later tijd is nog een derde gevoelen voorgedragen dat door sommige als het meest aan de waarheid grenzende erkend wordt. Het wijst heen naar het bestaan van de Villa Gosaha, reeds in den jare 776 aan de boorden van den Stroom van dien naam. De uitbreiding van deze villa gaf het aanwezen aan de Stad Goes en alzo was als van zelven de naam der stad aangewezen die 'ter Gosaha' of 'ter Goes' moet zijn.

Volgens sommigen zou de oude haven van Goes een overblijfsel van de Stroom Gosaha zijn geweest. Zeker is het dat er veel grond bestaat om de benaming van de stad naar het laatst voorgedragen gevoelen van de stichting aan de Gosaha af te leiden.
De benaming Gosaha voor eene stroom of rivier laat zich gemakkelijk verklaren. Het woord Gosse of Gos dat in de oude Glossaria voorkomt wordt afgeleid van het Griekse Xobis en werd gebruikt als benaming van een kanaal. Aan zodanig Gos of kanaal werd eerst de villa, later een sterkte (het Slot Oostende) en van lieverlede een stad gebouwd en het lag dus voor de hand om deze villa, later de stad, ter Gosaha, ter Gos, te noemen'.

Archivaris Piccardt wijst vervolgens op de stad Gouda aan de rivier de Gouwe, ter Gouwe, later Gouda. Ook de stad Veere, ook wel ter Veere genoemd, aan het zogenaamde Veergat of aan het veer op de voormalige stad Campen. Het dorp Nisse, Ter Nisse genoemd, is hetzelfde als schor en het dorp schijnt dus gebouwd te zijn op aangeslibde gronden.

Stadsbibliotheek

De in de gemeente aanwezige boeken en andere wetenschappelijke verzamelingen bestaan deze jaren in de bibliotheek en het archief van de stad, alsook de boekerij van het Departement van de Maatschappij tot Nut van 't algemeen.

Voor de stadsbibliotheek worden regelmatig schenkingen ontvangen.
Zo komt er in 1857 van de heer Swart een exemplaar van een door hem bewerkte Geschiedenis des Vaderlands. Het boekwerk wordt onder dankzegging in het archief gedeponeerd.
In oktober 1859 verschijnt er van dr. S. Piccardt een bij C.N. Schetsberg gedrukt boekwerk getiteld 'Uit het leven. Novellen van dr. S. Piccardt'. Ook verschijnt er een werkje getiteld: 'Korte schets der Heelkundige drainage' van A. Zandijk, heel- en verloskundige te Goes, uitgegeven bij de boekhandelaar C.H. Schetsberg te Goes.
In december 1859 schenkt de heer J. Soutendam voor het gemeentearchief een kaart van Zuid-Beveland en dito van de schorren van Hongersdijk, Goenje, den Onbekenden en de Mosselbank (de huidige Wilhelminapolder), 'waarvoor aan dien heer een brief van dankbetuiging gezonden is'.
In januari 1860 deelt drukkerij C.H. Schetsberg ter opzending aan het departement van Binnenlandse zaken drie exemplaren mee van 'De Arme Moeder, een bedelliedje in den winter van 1859', uitgegeven ten voordele van de armen door dr. S. Piccardt, gedrukt bij de boekhandelaar C.H. Schetsberg.
In december 1860 leest het gemeentebestuur in het provinciaal blad de circulaire van Gedeputeerde Staten met de aanbeveling van de Kaart van Zeeland, vervaardigd door de heren A. Magielse en J.J. Brandt. Besloten wordt deze kaart voor de gemeente aan te kopen.

In april 1859 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de gemeentearchivaris dr. R.A.S. Piccardt met de volgende belangwekkende inhoud: 'Bij dezen heb ik de eer ulieden te doen toekomen een exemplaar van de thans afgedrukte catalogus van de bibliotheek der gemeente Goes met kennisgeving dat alle de boeken dienovereenkomstig genummerd en zoveel mogelijk in volgorde gerangschikt zijn. Tevens zij het mij vergund bij deze gelegenheid u een overzicht te geven van het plan naar hetwelk de catalogus van het gehele archief wordt bewerkt en ten dele reeds voor de pers gereed gemaakt is. Onder de algemene titel 'Catalogus van het Archief der gemeente Goes' is alles opgenomen wat op verschillende plaatsen gevonden en sedert in onderscheiden lokalen behoorlijk geordend is.
De catalogus is gesplitst in drie hoofdafdelingen: 1. Catalogus van het archief. 2. Catalogus van de bibliotheek van de gemeente Goes. 3. Catalogus van de verzameling voorgeschiedenis en oudheidkunde behorende tot het archief der gemeente Goes'.

Stadsarchief

Het gemeenteverslag over 1854 rapporteert dat de gemeentearchieven in een goede staat worden gehouden. De omvang daarvan is oorzaak dat het archief op onderscheidene plaatsen geborgen is. Het gemeentebestuur 'is werkzaam om enige meest belangrijke te verzamelen op een daartoe aangewezen kamer op het Stadhuis'.
Over 1856 wordt gemeld dat het in orde verzamelen der gemeentearchieven weldra volbracht zal zijn. Er bestaat gegronde hoop dat in de loop van 1857 een beschrijving van de verzameling voor de druk in gereedheid zal zijn gebracht.
Het gemeenteverslag over 1857 meldt dat het archief geheel in orde is gebracht. De beschrijving daarvan is nog niet voltooid en derhalve nog niet in druk verschenen.
Maar over 1858 kan gemeld worden dat de beschrijving van het archief geheel volbracht is en een gedeelte van de catalogus, de boekerij betreffende, afgedrukt. Dat werk zal met ijver worden voortgezet, zodat er uitzicht bestaat daarmee in het lopende jaar geheel gereed te zullen komen.

Eind april 1858 ontvangt het gemeentebestuur een circulaire van de Commissaris van de Koning met het verzoek om inlichtingen over de spelling, de oorsprong en de betekenis van de namen van de gemeenten en daartoe behorende dorpen en gehuchten. Besloten wordt 'de weleerwaarde zeer geleerde heer dr. Piccardt, die zich onledig houdt met het ordentelijk verzamelen van het gemeentearchief, onder toezending van een exemplaar van dat blad, bij brief beleefd uit te nodigen tot beantwoording van dat verzoek te willen mededelen hetgeen hij ten aanzien van de gemeente in het archief mocht hebben aangetroffen'.

In april 1859 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de gemeentearchivaris dr. R.A.S. Piccardt met de mededeling dat hij zich op vrijwillige basis belast heeft met het ordenen van het archief en de bibliotheek van de gemeente Goes. Over het archief merkt hij op: 'Tevens zij het mij vergund bij deze gelegenheid u een overzicht te geven van het plan naar hetwelk de catalogus van het gehele archief wordt bewerkt en ten dele reeds voor de pers gereed gemaakt is. Onder de algemene titel 'Catalogus van het Archief der gemeente Goes' is alles opgenomen wat op verschillende plaatsen gevonden en sedert in onderscheiden lokalen behoorlijk geordend is.
De catalogus is gesplitst in drie hoofdafdelingen: 1. Catalogus van het archief. 2. Catalogus van de bibliotheek van de gemeente Goes. 3. Catalogus van de verzameling voorgeschiedenis en oudheidkunde behorende tot het archief der gemeente Goes'.
Hij legt daarbij over een gedrukt exemplaar van de catalogus van het eerste gedeelte van de stadsbibliotheek en enige mededelingen over het belangwekkende werk dat hij ter hand heeft genomen. De heer Piccardt 'wordt beleefdelijk bedankt voor de moeite die hij zich geeft om het archief en de bibliotheek van de gemeente te ordenen en deze zaak wordt verder aan zijn zorg en welwillendheid aanbevolen'.

Het gemeenteverslag over 1859 luidt: 'Het archief van de gemeente is geheel geordend en de beschrijving van het zelve afgelopen. Een tweede gedeelte van die beschrijving is dit jaar afgedrukt onder de titel van: 'Catalogus der verzameling van voorwerpen betrekkelijk geschiedenis en oudheidkunde, ten stadhuize van Goes'. Het laatste gedeelte zal eerlang mede het licht zien en daarmede dat belangrijk werk volbracht wezen'.
Over 1860 wordt gerapporteerd: 'Het drukken van de catalogus van het gemeentearchief is in het afgelopen jaar voortgezet, doch nog niet geheel volbracht. Er bestaat vooruitzicht dat dit werk in het lopende jaar zal gereed komen. Het bezwaar, dat daaraan op de drukkerij niet aanhoudend kan gewerkt worden, is oorzaak van die vertraging'.

De Commissaris van de Koning deelt in juni 1855 de ontvangst mee van de kist met archieven van de voormalige 'Sousprefecture in de Franschen tijd (1811-1813)'.

Dr. Piccardt stuurt in december 1859 een exemplaar toe van het gedrukte 3e gedeelte van de catalogus van het gemeentearchief. Dit betreft de verzameling van voorwerpen betreffende de geschiedenis en oudheidkunde. Hij zegt toe later een uitvoerige geschiedenis van de gilden, die hier vroeger bestaan hebben, te geven. Tevens deelt hij mee dat het tweede gedeelte van de tweede afdeling van de Catalogus ter perse is en dat de gehele catalogus gereed is, maar van zo grote omvang dat er nog enige tijd zal moeten verlopen alvorens die zal zijn afgedrukt.
Het gemeentebestuur 'acht het nu de geschikte tijd om de heer Piccardt een gratificatie als blijk van erkentelijkheid aan te bieden voor de belangeloze opoffering van tijd en moeite die hij zich gedurende drie jaren heeft getroost om het verwarde archief der gemeente in orde te brengen en te catalogiseren'. De raad wordt voorgesteld om dr. Piccardt, uit erkentelijkheid voor zijn veelvuldige bemoeiingen tot het ordenen en verzamelen van het archief der gemeente, een gratificatie van f 300 aan te bieden. Gedeputeerde Staten berichten op 23 december 1859 de ontvangst van de exemplaren van de catalogus van de verzameling van voorwerpen met betrekking tot de geschiedenis van Goes en betuigen daarvoor dank.

De gemeenteraad besluit op 18 februari 1861 de weleerwaarde heer R.A. Soetbroot Piccardt te benoemen tot archivaris van de gemeente en daadoor het door zijn eerwaarde zo wel geordend archief onder zijn aanhoudend toezicht te stellen.

Fotografische afdruk illuminatie Stadhuis

Een historisch belangwekkende gebeurtenis is als er een van de eerste foto's in de stad wordt gemaakt, namelijk van het Stadhuis. Begin september 1860 schrijft een zekere Louis Kiek van Leijden het volgende aan de burgemeester:
'Edelachtbare heer!
Ik neem de vrijheid uw edelachtbaren hierbij aan te bieden een door mij vervaardigde photographisch afbeeldsel van het stadhuis alhier tijdens het in gereedheid brengen van het illuminatietoestel voor hetzelve op maandag den 24 augustus jl.
Hopende om in de archieven dezer stad te worden bewaard, heb ik de eer mij met de meeste achting en eerbied te ondertekenen. Uw edelachtbare dienaar, Louis Kiek van Leijde'.
Volgens mededeling van het gemeentearchief (Frank de Klerk) is deze foto niet in het archief bewaard gebleven.

Schutterij 'Jacoba van Beieren'

In april 1856 brengt de hoofdman van de handboogsociëteit 'Jacoba van Beieren', W.A. Anemaat, ter kennis van het gemeentebestuur 'dat de ontrolling van derzelver nieuw vervaardigde standaard op maandag de 14e dezer des avonds om acht uur in de gewone vergaderkamer dezer sociëteit in het koffyhuis 'Het Slot Oostende' zal plaats hebben. Overtuigd dat uw edelachtbaren aan alle onschuldige en weinig kostende uitspanning van derzelver ingezetenen steeds medewerken, zoude het deze sociëteit hoogst aangenaam zijn indien deze plechtigheid met derzelver tegenwoordigheid vereerd wierd, waartoe wij u eerbiedig de vrijheid nemen uw edelachtbaren bij deze uit te nodigen'.
Uiteraard wordt deze uitnodiging geaccepteerd.

De sociëteit 'Jacoba van Beieren' krijgt op haar verzoek in januari 1858 toestemming om gebruik te mogen maken van de Turksche trom, de roffeltrom, de bekkens en de triangel van de voormalige Landstorm.

In augustus 1858 stuurt de Commissaris van de Koning het gemeentebestuur een adres toe van de te Goes opgerichte handboogschutterij 'Willem Tell' om als zodanig te worden geplaatst op het tableau of de lijst van handboogschutterijen in het koninkrijk. De Commissaris verzoekt tegelijk om opgave van de samenstelling van de opgerichte handboogschutterij. De schutterij wenst plaatsing op de lijst om, in geval van een wedstrijd, alsdan daaraan te kunnen deelnemen. Het gemeentebestuur doet hem na onderzoek een opgave van de samenstelling van de nieuw opgerichte handboogschutterij toekomen.
Uit de lijst blijkt dat de schutterij 16 leden telt, namelijk:
Jacobus de Blok, smid
Frederik de Blok, smid
Johannes Franciscus Heirman, strohoedenmaker
Pieter Joannes Kolenbrander, tuinier
Joannes Kolenbrander, tuinier
Henricus van Hoef, slager
Cornelis Benedictus Simons, boekbinder
Joannes Petrus van der Does, schoenen- en laarzenmaker
Lourentius Luijk, strodekker
Joannes Jacobus Warrens, boerenknecht
Martinus Bruschetto, schildersknecht
Henricus van Gemert, logementbediende
Gilles Warrens, boerenknecht
Gilles Marinus Smolders, pakkendrager
Pieter Joannes Smolders, pakkendrager
Cornelis Rombouts, looiersknecht, wonend te Leur

De hoofdman van de handboogschutterij 'Jacoba van Beieren', W.A. Anemaat, verzoekt in september 1858 voor de sociëteit vergunning dat een daarmee te verenigen harmoniegezelschap haar lessen kan ontvangen, repetities kan houden en stukken kan uitvoeren in een van de vertrekken of op het plein van het koffiehuis 'Het Slot Oostende' van J.F. Koens. De verlangde vergunning wordt verleend, mits de lessen, repetities en uitvoeringen plaatsvinden zonder stoornis van de godsdienst en het onderwijs in de kerken en scholen die in de nabijheid van het koffiehuis staan.

In juni 1859 ontvangen de gemeenteraad en het college een uitnodiging van de directie van de handboogsociëteit 'Jacoba van Beieren' voor het bijwonen van het door de sociëteit te geven feest op 6 juli om dit met hun tegenwoordigheid te vereren.

De burgemeester ontvangt op 8 oktober 1859 een brief van de handboogsociëteit 'Jacoba van Beieren' met daarbij gevoegd een exemplaar van het Gedenkboek van het tienjarig bestaan van de vereniging en de gehouden feestviering bij die gelegenheid met het verzoek dit boek een plaats te gunnen in de boekerij. Daaraan zal worden voldaan met dankbetuiging aan de inzenders.
De brief van de schutterij luidt als volgt:
'De medewerking, welke de Handboog Sociëteit Jacoba van Beieren, bij het door hen ter gelegenheid van derzelver Tienjarig bestaan gehouden feest vanwege het Bestuur dezer Gemeente zo ruimschoots heeft mogen ondervinden en de algemene bijval, welke dit feest is te beurt gevallen, hebben aanleiding gegeven tot het vervaardigen van nevengaand Gedenkboek, welke wij de eer hebben uw edelachtbaren beleefdelijk aan te bieden met nederig verzoek om hetzelve tot een blijvend aandenken wel een plaatsje in de boekerij of het archief dezer gemeente te geven.
Namens de handboog, de hoofdman W.A. Anemaet en C. Zandijk, secetaris'.

In juli 1849 werd de handboogschutterij 'Altijd in roeren' vergunning verleend om op de zogenaamde Stoofweide een steng te plaatsen voor het vogelschieten. Aan de schutters werd verlof gegeven om daar van tijd tot tijd naar de vogel te schieten. Het innemen van een gedeelte van deze weide voor de bouw van de gasfabriek maakt de gekozen plaats voor deze vogelschieting ten enenmale ongeschikt. Om deze reden ziet het gemeentebestuur zich verplicht om de vergunning in te trekken. De schutterij krijgt een aanschrijving om er voor te zorgen dat de steng voor het schieten naar de vogel voor het einde van het jaar van de Stoofweide wordt weggenomen.

In verband met de bouw van de gasfabriek, waardoor het overige gedeelte van de Stoofweide niet meer voldoende zal zijn om daarop 'naar den vogel te schieten', besluit de gemeenteraad in november 1859 de vergunning in te trekken, de pachter H. van den Berge daarvan op de hoogte te stellen en hem aan te schrijven voor het einde van het jaar te zorgen dat de geplaatste steng wordt weggenomen. Immers in juli 1849 was de pachter van de Stoofweide vergunning verleend aldaar een steng voor dat doel te laten plaatsen.

Rederijkerskamer

In de gemeente bestaan in 1854 twee rederijkerskamers, genaamd 'Vondel' en 'Antonidus'. De laatste gaat in 1857 teniet. De rederijkerskamer 'Vondel' bestaat in 1857 uit 5 ereleden, 17 werkende leden, 16 rustende leden en 78 kunstlievende leden. Het gemeenteverslag over 1854 vermeldt dat deze vereniging in een bloeiende staat verkeert.

De Goese rederijkerskamer 'Vondel' deelt de burgemeester in februari 1857 de oprichting mee van een commissie tot inzameling van gelden voor een op te richten monument voor de volksdichter Tollens.
De burgemeester ontvangt tegelijkertijd een aanschrijving van de Commissaris van de Koning met betrekking tot de oprichting van een nationaal gedenkteken ter ere van de volksdichter Tollens. In overleg met het college van burgemeester en wethouders heeft hij besloten de taak tot het bevorderen van de inschrijving voor het beoogde doel en de overmaking van de daarvoor ingezamelde gelden op te dragen aan de rederijkerskamer 'Vondel' te Goes, 'aan welke zodanige bemoeiing eigenaardig toekomt'.

Carillon

Het gemeentearchief bevat, gedateerd 2 november 1854, een interessante staat van het onderhoud aan het carillon van de Grote Kerk gedurende de jaren 1841 tot en met 1851. Hieruit blijken de volgende uitgaven: voor het versteken ƒ 260; voor het opwinden ƒ 2.750; voor het onderhoud door Smolders ƒ 526,82; voor het onderhoud door anderen ƒ 700,80, waaronder in 1849 een uitgaaf aan Petit & Fritsen van ƒ 350.