Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1854 - 1860)

Openbare orde en rust

Volksvermaken
In november 1858 overweegt het gemeentebestuur dat Sint Nicolaasavond dit jaar op zondag valt. Besloten wordt te bepalen dat deze dag zal gevierd worden op zaterdag de 4e december en daarvan openbare bekendmaking te doen. Bij die gelegenheid zal tevens worden herinnerd aan het bestaande verbod om in deze gemeente Sint Nicolaasgebak met verguldsel te verkopen. Ook in volgende jaren worden de ingezetenen bij openbare bekendmaking herinnerd aan het verbod voor de verkoop van verguld Sint Nicolaasgebak.
In december 1859 deelt de burgemeester de gemeenteraad mee dat het geven van dansles in de herberg van Jan Koens in Slot Oostende op zondagavond door hem zal worden belet.

Verlotingen
De gezusters Kievits van het schooltje voor dameshandwerken zijn in januari 1855 voornemens om op een zaterdag een verloting te houden van vrouwelijke handwerken, bestaande o.a. in een canapékussen, een kore lampekleedje, een gehaakte kinderdeken en een tafelkleedje. De gezamenlijke waarde van de loten is 28 gulden en 80 cent. De verloting zal plaatsvinden in het schoollokaal van de gezusters.

IJken van maten en gewichten
In april 1858 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de arrondissementijker met een opgave van de tijd van de zittingen in de onderscheidene gemeenten voor de herijk van de maten en gewichten.

Dobbelen
De agent van politie Kaspar Schuerveld leidt in februari 1856 voor de commissaris van politie de jongens Machiel van den Busse, Cornelis Rijn en Jan Steutel. Hij verklaart dat hij hen op gisteren omstreeks drie uur in de namiddag op heterdaad heeft betrapt, terwijl ze bezig waren op de stadswal bij de Ganzepoort met het spelen met dobbelstenen om centen. Hij overlegt de dobbelstenen tot bewijs. De jongens erkennen volmondig zich daaraan schuldig te hebben gemaakt.
In april 1858 stuurt de commissaris van politie afschriften van drie processen verbaal naar de burgemeester. Deze zijn opgemaakt tegen Jacob de Nooijer wegens verwonding van de politieagent J.W. van de Weert en tegen twee voor het spelen met kaarten en centen op de openbare weg door enige jongens.

Loslopen vee
De pachter van de ‘grasetting’ (de weiden voor het vee) van de waterpoorten tot aan het oude hoofd, Hendrik van den Berge, vraagt toestemming om het grasveld, gelegen tussen de twee poorten, te laten afgrazen door zijn koeien. Hij krijgt hiervoor vergunning op voorwaarde dat zijn koeien behoorlijk worden bewaakt en het afgrazen geschiedt ’s morgens uiterlijk tot tien uur.
De gemeenteraad stelt in augustus 1856 een verordening vast op het loslopen en schutten van vee.

Binnentreden van woningen
Gedeputeerde Staten delen in februari 1854 mee dat de minister van binnenlandse zaken bedenkingen heeft tegen de door de gemeenteraad op 27 oktober 1853 vastgestelde verordening op het binnentreden van woningen. Dit leidt er toe dat de gemeenteraad zich hier tegen uitspreekt. Een in die geest gewijzigde verordening wordt vastgesteld.

Landverhuizers
In deze jaren vertrekken verscheidene inwoners naar Noord Amerika met het oogmerk hun bestaan te verbeteren.
Zo vertrekken in 1854 Pieter Braam, schilder, 40 jaar, hervormd; A.J. Fris, timmermansknecht, 24 jaar, hervormd; Karel Mulder, zonder beroep, 14 jaar, hervormd.
In januari 1856 vertrekken Jacobus van Calmthout, bakkersknecht, 26 jaar, rooms-katholiek, wegens verbetering van bestaan; Johannes Willem de Jonge, boekhandelaar, 34 jaar, christelijk afgescheiden, idem; Adriana Braamse, dienstmeid, 56 jaar, hervormd, idem; Heertje de Graaf, smid, 47 jaar, hervormd, om de schuldeisers te ontgaan; Johanna Vertregt, zonder beroep, 38 jaar, wegens verbetering van het bestaan; Gijsbregt Steijn, timmerman, 30 jaar, idem; Marinus Jacobus Geluk, bakkersknecht, 25 jaar, hervormd, idem; Willem Geluk, kleermaker, 23 jaar, hervormd, idem; Jacobus Kooman, boerenknecht, 25 jaar, hervormd, idem; Adriaan Harinck, houtzaagmolenaar, 40 jaar, hervormd, wegens verbetering van zijn bestaan.
In 1858 vertrekken naar Noord Amerika: Johanna de Smit weduwe Reijnders, winkelierster en baker, christelijk afgescheiden, wegens verbetering van haar bestaan; Pieter Reijnders, schilder, 30 jaar, hervormd, idem; Cornelia Vette weduwe Puto, kuiper, 60 jaar, rooms-katholiek; Johannes Warrens, metselaarsknecht, 20 jaar, rooms-katholiek, wegens onwil om zijn militaire dienstplicht te vervullen; Johannes Mulder, arbeider, 48 jaar, hervormd, wegens familierelatie en verbetering van het bestaan; Willem de Nooijer, machinist, 30 jaar, hervormd, idem.

Reinheid en hygiëne in de gemeente
In juni 1855 worden de vuilnis- en asbakken openbaar verpacht. Pachter voor een nieuw tijdvak van zes jaar wordt Jan Koens.
De gemeenteraad stelt in augustus 1855 een verordening vast betreffende de straten, stegen, gangen, markten, pleinen, wallen, wegen en waterleidingen in de gemeente.
De burgemeester legt in november 1855 een proces verbaal over van de agent van politie J.W. van de Weert tegen Pieter Tolhoek voor het rijden met zijn paard en wagen over de wal en door de beplanting.

Verdeling van de gemeente in wijken
De gemeenteraad stelt in augustus 1855 een verordening vast voor de verdeling van de gemeente in wijken en over het bijhouden van de bevolkingsregisters. Hierdoor vervalt de door de raad op 30 september 1852 vastgestelde verordening.

Bedelarij
In 1854 zijn er 19 bedelaars in de gemeente geregistreerd met bijvoeging van de kosten die daaraan worden besteed.

Het gemeenteverslag over 1856 merkt over de bedelarij het volgende op:
‘De bedelarij wordt zoveel doenlijk tegengegaan. Deze geheel te weren is evenwel niet mogelijk omdat de bedelingen, waartoe de armbesturen in staat worden gesteld, onvoldoende zijn om in alle behoeften te voorzien. Vandaar dat bij gebrek aan werk, ziekte of ander tegenheden de noodlijdenden hun toevlucht nemen tot de meer gegoeden om hun bijstand, al is het dan maar gedurende enige tijd, in te roepen. Dit kan zonder onmenselijk te handelen niet worden tegengegaan. Het bedelen echter van huis tot huis zoals dat in vroeger jaren, door een gehele schare van in lompen gehulde personen, op gezette tijden plaats had, is in het jaar 1856 niet waargenomen.
Op de laatste nieuwjaarsdag is het rondlopen om aalmoezen in te zamelen weer voorkomen door een ruime uitdeling van brood, spek en turf, waartoe bij een door de gemeenteraad geopende inschrijving en gedane inzameling is opgebracht ƒ 483,41’.

Prostitutie
De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht bericht het gemeentebestuur in februari 1856 dat zij de stelligste bewijzen in handen heeft dat in twee huizen binnen de stad prostitutie wordt uitgeoefend. Het ene huis wordt bewoond door de vrouw van Robbert Bogaard in het Papegaaystraatje, het andere door Behage op de hoek van de Lange
Vorststraat tegenover de weverij. Ze verzoekt maatregelen te nemen om syfilitische infectie te voorkomen. Dit is al in een van beide huizen teweeg gebracht. Ook in maart 1856
komt de commissie met een nader verzoek om zoveel mogelijk maatregelen van politie uit te vaardigen om prostitutie en voor de gezondheid nadelige geheime ontucht tegen te gaan. Besloten wordt deze zaak in overweging te houden. In april 1856 deelt de burgemeester de gemeenteraad mee vernomen te hebben dat in de gemeente Zierikzee een verordening zou bestaan over het tegengaan van geheime ontucht. Hij heeft zijn collega gevraagd een afschrift daarvan toe te zenden. Het blijkt echter dat in die gemeente geen zodanige verordening bestaat. De plaatselijke commissie wordt uitgenodigd een ontwerp voor een dergelijke verordening op te stellen.

Reclameborden
In augustus 1857 is er voor het eerste sprake van het aanbrengen van uithangborden.
C. Groenhof krijgt vergunning om een plat hangend bord te hangen tegen de voorgevel van zijn woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 125. Ook J.M. van der Made mag tegen de gevel van zijn huis tussen de twee voormalige poorten in wijk B nummer 154 een plat uithangbord hangen van ‘zijn timmermanswerk’.

Certificaten van oorsprong
In 1858 komen we bij de ingekomen stukken zogenaamde certificaten van oorsprong voor goederen, te verzenden naar Nederlands Indië, tegen. Het betreft de volgende certificaten:

  • goederen te verzenden naar Landangen bij Panaroeka op de oostkust in Java met het Nederlandsch schip ‘de Commissaris des Konings Van der Heim’, gezagvoerder A. Hoogstrate;
  • van Marinus Johannes de Jongh, wijnhandelaar, 13 kisten gemerkt VDP # 31 à 43, inhoudende 475 Nederlandsche Kannen Roode wijn in 650 flesschen;
  • van Maria Wijnanda Nortier weduwe van Abraham Steendijk, wijnhandelaarster, 13 kisten gemerkt VDP # 44 à 56, inhoudende 475 Nederlandsche Kannen Roode wijn in 650 flesschen;
  • van Marinus Adrianus Ramondt, gareelmaker, een kist gemerkt VDP # 57, inhoudende 18 stalhalsters met touwen;
  • van Dingenis Dekker, koperslager, twee kisten gemerkt VDP # 58 à 59, inhoudende 12 blikken tuingieters, 12 koperen suikerschuimers, 8 koperen suikerscheppers en 10 Nederlandsche Ponden soldeer in 30 staven;
  • van Nicolaas de Lange, touwslager, 1 mand gemerkt VDP # 60, inhoudende 60 Nederlandsche Ponden wit Schiemans garen;
  • van de weduwe van Jacobus Bal, wagenmaakster, 7 kruiwagens gemerkt VDP # 1 à 7.

Dijkdoorbraak
Het gemeentebestuur van Kattendijke betuigt burgemeester en wethouders van Goes in maart 1856 dank voor de krachtige en spoedige hulp, verleend tijdens het dreigende gevaar bij de doorbraak van de zeedijk van de Wilhelminapolder in de nacht van 9 op 10 februari 1856.

Nachtwacht

In maart 1853 name de gemeenteraad het historische besluit om de eeuwenlang bestaande nachtwacht af te schaffen in verband met het nieuwe belastingstelsel en de uitbreiding van het politiekorps. De acht nachtwakers, ook wel genoemd de klapperlieden, verzoeken hen per 1 april 1854, bij hun aftreden, met een pensioen of wachtgeld van gemeentewege te begunstigen. De ondertekenaars zijn Cornelis de Munck, Jacobus Proos, Lieven van Loo, Willem van Hoorn, Bastiaan de Schutter, Matthijs Blondeel, Pieter Wisse en Dirk Nonnekes. De burgemeester adviseert dit verzoek niet in te willigen. De betrekking toch van nachtwaker, zo betoogt hij, is geen eigenlijk middel van bestaan, maar een bijzaak die alleen dient tot verbetering van hun inkomen of verdiensten. Sommige raadsleden echter achten het toekennen van een wachtgeld billijk, ‘daar de meesten hunner in behoeftige omstandigheden verkeren en het verlies van het inkomen aan die betrekking verbonden diep zullen gevoelen’. Een ander raadslid merkt op dat het afdanken van hun functie is geschied buiten hun schuld in het belang van de gemeente en daarover mag geen onbillijkheid plaats hebben. De meerderheid van de gemeenteraad volgt niettemin het college van burgemeester en wethouders en besluit de nachtwakers een gratificatie toe te kennen van ieder ƒ 50 (ƒ 25 voor 1853 en ƒ 25 voor 1854).

Politie

De burgemeester geeft in februari 1854 te kennen dat hij de wens heeft om het politiewezen in de gemeente te reorganiseren. Hij geeft de gemeenteraad in overweging om het korps politiedienaars, zoals dit op 24 maart 1853 voorlopig is bepaald, uit te breiden met twee gewone en twee buitengewone agenten en zodoende hun getal in het geheel te brengen op zeven, te weten drie van de eerste en vier van de tweede klasse.

In februari 1854 wordt tot agent van politie aangesteld W. Wolfers, in maart 1854 tot agent van de eerste klasse Casper Schuerveld, thans gevangenbewaarder in het Huis van Arrest te Goes en in april 1854 tot agenten van politie van de tweede klasse Hendrik Frenks, Jacobus Maartense, Dirk Dronkers en Pieter van Liere.
Hierdoor zijn in april 1854 de volgende politieagenten in dienst: de 71-jarige commissaris van politie Frans Bakker, de agenten van de 1e klasse Jan Willem van de Weert (1792), Wouter Wolfers (1820) en Casper Schuerveld (1814, voorheen marinier) en de agenten van de 2e klasse Hendrik Frenks (1816), Jacobus Maartense (1815, voorheen grenadier), Dirk Dronkers (1811, voorheen grenadier) en Pieter van Liere (1825). De agenten van de 1e klasse hebben een jaarwedde van ƒ 350 en die van de 2e klasse van ƒ 150.
In 1857 worden Dirk Dronkers en Jacob Maartense bevorderd tot agenten van de 1e klasse. Hun plaatsen in de 2e klasse worden ingenomen door Lieven Maartense en Hubrecht Duivewaardt.
 
De gemeenteraad stelt op 16 maart 1854 een verordening op het politiewezen in de gemeente vast. Raadslid Saaymans Vader doet bij de bespreking van artikel 1 het voorstel om de klapperlieden zoals vanouds te belasten met de nachtsurveillance binnen de stad. Twee van hen kunnen onder het genot van een toelage van ƒ 50 in de functie van stedelijk commies geplaatst worden aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort en de Ganzepoort. Dit met de bedoeling om daar gedurende de nacht als portiers tevens dienst te doen voor het sluiten en ontsluiten van de poorten die evenals de overige poorten ‘s nachts gesloten zullen blijven. De voorzitter merkt echter op dat dit voorstel geheel in strijd is met de bedoeling van het te behandelen voorstel. Het oogmerk van de gemeenteraad is toch het afschaffen van de klapperlieden? De meerderheid van de gemeenteraad voelt ook niets voor het openstellen ’s nachts van twee stadspoorten. Niemand steunt het amendement van raadslid Saaymans Vader. De verordening wordt vastgesteld en heeft globaal de volgende inhoud:

Artikel 1
Het personeel van de politie bestaat, behalve de commissaris, uit zeven agenten, te weten drie agenten van de eerste en vier agenten van de tweede klasse.

Artikel 2
De vereisten zijn a. de leeftijd van 23 jaar; b. een gezond en sterk lichaamsgestel; c. een erkend goed en zedelijk gedrag; d. behoorlijke kennis van het lezen en schrijven.

Artikel 3
De agenten van de eerste klasse mogen geen ander beroep of nering uitoefenen. De agenten van de tweede klasse mogen niet uitoefenen het beroep van molenaar, bakker, brood- of meelverkoper, vleesverkoper, logement- of slaapstedehouder, herbergier, tapper of slijter in sterke dranken. De agenten mogen niet wonen in huizen waarin de voornoemde beroepen worden uitgeoefend.

Artikel 4
De agenten van de eerste klasse genieten een bezoldiging van ƒ 350, die van de tweede klasse van ƒ 150.

Artikel 5
De kleding en wapening worden van gemeentewege verstrekt.

Artikel 6
Een geschikt lokaal zal vanwege de gemeente worden aangewezen en ingericht tot wachtkamer van de politie, die zowel overdag als ‘s nachts geopend en toegankelijk zal zijn.

Met genoegen deelt de burgemeester in april 1854 mee dat de regeling van het politiewezen algemeen voldoet. Hij meent dat het personeel voor de politiedienst thans voldoende is.

Op 1 april 1854 maken burgemeester en wethouders, tot voldoening aan het besluit van de gemeenteraad van 16 maart 1854, bekend dat als wachtruimte voor de politie een daartoe ingericht lokaal van de voormalige koopmansbeurs is aangewezen. Deze ruimte heeft gediend voor de hoofdwacht en staat op de Grote Markt op de hoek van de Korte Kerkstraat. In de Bekendmaking staat vermeld dat ‘die wachtkamer bij dag en nacht zal geopend en toegankelijk zijn en daar steeds een of meer der agenten zal gevonden worden tot het verlenen van hulp en bescherming wanneer die mocht benodigd zijn; tot het aftekenen der biljetten van uitvoer van voorwerpen onderworpen aan de plaatselijke belastingen, waartoe die beambten, evenals de commiezen der rijksbelastingen, gekwalificeerd zijn en tot het presteren van zodanige diensten als waartoe zij uit de aard van hun betrekking verplicht zijn’.
In mei 1854 stelt de burgemeester ook een Instructie voor de agenten van politie vast.

In december 1854 is het helaas nodig dat strafmaatregelen tegen enkele politieagenten worden toegepast. De agenten van politie van de eerste klasse J. van de Weert, W. Wolfers en C. Schuerveld worden in hun functie geschorst voor de tijd van veertien dagen met verlies van hun bezoldiging gedurende die tijd. Ze hebben zich, In strijd met het bepaalde in de Instructie voor de agenten van politie, de laatste dagen onledig gehouden met het rondbrengen van almanakken aan de huizen van de inwoners. Dit rondbrengen en het ontvangen van fooien is nadrukkelijk verboden.
De agenten van politie van de tweede klasse, H. Frenks, J. Maartense, D. Dronkers en P. van Liere, worden gedurende de tijd van schorsing van de drie agenten van de eerste klasse tevens belast met de waarneming van de dienst van de agenten van de eerste klasse.

Boven het zevental agenten van politie fungeert als commissaris van politie de thans 71-jarige commissaris Frans Bakker. In oktober 1855 schrijft commissaris Bakker het gemeentebestuur dat hij door Zijne Majesteit de Koning bij besluit van 28 juni 1834 tot commissaris van politie is benoemd en bij brief van 10 november 1838 de waarneming van het openbare ministerie bij het kantongerecht te Goes is opgedragen. Deze betrekkingen heeft hij ‘onafgebroken met lust en trouw en naar zijn vermogen waargenomen en het is voorzeker niet aan gemis van goede wil toe te schrijven wanneer hij bij de vervulling van zijn dienst in het een of ander mocht zijn te kort geschoten. Echter een 72-jarige leeftijd en plaatselijk lichamelijk gebrek en vooral de vele, hem grotendeels vreemde werkzaamheden die thans rusten op het openbaar ministerie bij de kantongerechten, ten gevolge van de uitbreiding van hun rechtsmacht, maken het hem onmogelijk die betrekkingen langer naar behoren waar te nemen. Hij heeft zich mitsdien verplicht gevonden zijn ontslag re vragen’.
Op 13 oktober 1855 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissaris van de Koning waarbij deze toezendt een uittreksel uit het besluit van Zijne Majesteit van 29 september 1855, houdende eervol ontslag van F. Bakker als commissaris van politie. Wat betreft zijn aanvraag om pensioen verwijst de Commissaris naar de gemeenteraad.
Burgemeester en wethouders besluiten daarop wat betreft het verzoek om pensioen, hoe zeer niet gestemd voor het verlenen van pensioen, evenwel termen aanwezig te achten om de gemeenteraad voor te stellen aan het verzoek te voldoen en het pensioen te bepalen op ƒ 200. Met algemene stemmen gaat de gemeenteraad hiermee akkoord.
 
Op 15 december 1855 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissaris van de Koning met een afschrift van het Koninklijk Besluit tot benoeming van de heer Jan Cornelis Dominicus van den Bussche tot commissaris van politie, dit ter vervanging van de heer Frans Bakker. Hij wordt beëdigd en in functie gesteld.

De nieuwe commissaris van politie dient in augustus 1856 een voorstel in om het aantal politiedienaars met één agent van de 1e klasse te vermeerderen voor een betere bewaring van de rust en orde in de gemeente. Tot dekking van de kosten hiervan wordt voorgesteld de surveillance op de plaatselijke belastingen door de rijkscommiezen af te schaffen. Deze kunnen thans, na het afschaffen van zovele accijnzen, worden gemist. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord bij de behandeling van de begroting voor 1857.

Bij Koninklijk Besluit wordt in oktober 1856 voorgeschreven dat de commissarissen van politie, die in de hoofdplaatsen van het arrondissement in functie zijn, zullen moeten dragen een oranje lint met zilver opgelegd en waaraan zich zal moeten bevinden een zilveren penning. De commissaris van politie verzoekt het bij Koninklijk Besluit voorgeschreven onderscheidingsteken voor zijn functie aan te schaffen. De gemeenteraat stemt daarmee in en trekt hiervoor ƒ 25 uit.

In februari 1858 overlijdt de agent van politie van de eerste klasse J.W. van de Weert. Uit de door de commissaris van politie voorgedragen personen benoemt de burgemeester tot politiedienaar van de 1e klasse Jacobus Maartense, thans agent van de tweede klasse, en in diens plaats tot agent van de 2e klasse Sebastiaan Anemaat.
Maar in september 1860 moet de burgemeester meedelen dat hij zich in de onaangename noodzakelijkheid heeft bevonden om de agent van de tweede klasse Anemaet vanwege herhaalde dronkenschap uit zijn betrekking te ontslaan. In zijn plaats wordt benoemd Hubrecht Duivewaardt.

Brandweer

De brandweer telt vier brandspuiten, te weten de grote spuit, de keetspuit, de voorstadspuit en de nieuwe spuit. Alle spuiten verkeren in de beste toestand. Ze worden regelmatig geverfd en in behoorlijke staat onderhouden.
Het personeel van de brandweer bestaat uit een generale brandmeester (in 1854 is dit J.W. van Kerkwijk en vanaf 1860 de advocaat en procureur mr. J.L.H. Liebert), een tweede generale brandmeester, die tevens als secretaris van de directie van de brandweer fungeert (in 1860 is dit J. Soutendam), en vier brandmeesters (in 1860 zijn dit D. Hildernisse, J.C. Massee, C.F. van Ettinger en W.J. van de Weert). Deze vormen de directie van het brandwezen in de gemeente. Brandmeesters zijn de heren M.A. Ramondt, J.P. Muller, J.J. Sloover en H.S. Krol van der Hoek. Verder zijn er twee onderbrandmeesters, vier tellers, een bode en negentig manschappen.

De vier brandspuiten kunnen vanaf 1856 opgesteld worden in een daarvoor ingericht en afgesloten gedeelte van het koor van de Grote Kerk. In november 1855 wordt openbaar aanbesteed het maken van een bergplaats in het koor van de Grote Kerk voor de brandspuiten van de gemeente. De oorzaak is niet zo zeer de bouwvalligheid van de brandweerhuisjes, maar vooral de wens om de brandblusmiddelen te concentreren op één plaats in het koor van de Grote Kerk. Met het college van kerkvoogden wordt hiervoor een overeenkomst aangegaan. Er zal een behoorlijke afgesloten bergplaats voor het vervangen van de brandspuithuisjes die gedeeltelijk bouwvallig zijn worden gemaakt. De kosten bedragen ƒ 160. In december 1855 verkoopt het gemeentebestuur het brandspuithuisje in de Voorstad. Voorheen stond daar de zogenaamde Voorstadspuit. De eigenaar van de grond waarop het huisje is gesticht biedt hiervoor ƒ 150.

Er doen zich deze jaren enkele branden voor.
Op 17 februari 1854 ontstaat er brand in de meekrapfabriek ‘Zuid-Beveland’. Nog dezelfde dag wordt hierover rapport gedaan aan de Commissaris van de Koning.
De burgemeester rapporteert dat heden ochtend tussen vier en vijf uur brand is ontstaan in een van de droogtorens van de fabriek, staande aan de oostzijde van de haven. De brand heeft zich uitgebreid tot de tweede toren en beide droogtorens zijn uitgebrand en een van de verwelven is ingestort. Het is door de ijverige bemoeiingen van de brandweer gelukt de brand te beperken tot het binnenste gedeelte van de droogtorens en te voorkomen dat deze naar buiten sloeg. Vanwege de vrij hevige wind zou daardoor het gehele gebouw waarschijnlijk in de as gelegd zijn. ’s Middags om een uur is de brand geheel geblust. Vier brandspuiten, te weten de grote spuit, de keetspuit, de nieuwe spuit en de oude spuit, zijn bij het bluswerk opgetreden.
De volgende dag ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Algemene Raad en het bestuur der Maatschappij van verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland met een dankbetuiging voor de betoonde hulp en de bescherming van de brandweer en de schutterij van de gemeente bij de brand die de vorige dag heeft plaats gehad in de meefabriek. Het college van burgemeester en wethouders stuurt deze dankbetuiging ook door naar de directeur van de Wilhelminapolder, de heer heer I.G.J. van den Bosch te Wilhelminadorp, ‘die met de brandspuit van de Wilhelminapolder mede te hulp was gesneld’.

In de nacht van 5 op 6 juni 1854 woedt er een brand te Kloetinge. Twee spuiten van de Goese brandweer rukken uit om hulp te bieden. Het gemeentebestuur van Kloetinge bedankt het gemeentebestuur van Goes voor de ‘even snel als doelmatig aangebrachte hulp’. Ook ontvangt het gemeentebestuur een brief van de generale brandmeesters van de 8e juni waarbij verslag wordt gedaan van deze brand en van de verleende hulp door de keetspuit en de voorstadspuit. Ze vermelden de bijzondere lof die de brandmeesters, onderbrandmeesters en aanwezige manschappen van de Voorstadspuit toekomt ‘als hebbende bij gemis van trekdieren door eigen krachten hun spuit naar de plaats des onheils vervoerd’. Besloten wordt de generale brandmeesters kennis te geven van de ontvangen dankbetuiging van de gemeente Kloetinge met het verzoek deze met de verzekering van de tevredenheid van het gemeentebestuur over de betoonde hulpvaardigheid over te brengen aan de leden van de brandweer die daaraan hebben deel genomen, vooral die van de Voorstadspuit.

Ook in 1854 zijn de brandspuiten met goed gevolg van dienst geweest bij de brand in de meefabriek van de Zeeuwsche Maatschappij en in de garancinefabriek ‘Stad Goes’.
Op dinsdagmiddag 29 oktober 1854 tussen twee uur en half drie breekt er brand uit in de garancinefabriek ‘Stad Goes’ van dr. C.A. van Renterghem. De generale brandmeesters brengen hierover verslag uit. Ze delen het gemeentebestuur mee dat er brand is ontstaan in de eest van de garancinefabriek. Na de snelle kennisgeving daarvan is het mogen gelukken de brand in zijn begin meester te worden. Er zijn slechts twee aanbrengers van de nieuwe en grote brandspuit werkzaam geweest. Ook de spuit van de garancinefabriek ‘Zuid-Beveland’ heeft daarbij nuttige diensten bewezen. Dr. Van Renterghem betuigt het gemeentebestuur en de brandweer dank voor het loffelijke en doelmatige bestuur van het hoofd en personeel van de brandweer ‘dat tot afwering van het gevaar zo krachtdadig werkzaam is geweest’, evenals voor de goede orde van de politie.

De houtzaagmolenaren, de gebroeders Harinck, delen het gemeentebestuur in oktober 1854 mee dat ze meermalen vernomen hebben dat het plan bestaat om de poort, staande bij de garancinefabriek van dr. C.A. van Renterghem, af te breken. Ze verzoeken dit in ernstige overweging te nemen. Het is immers een bekende zaak dat, als die poort zal zijn afgebroken, het voor de belendende gebouwen aan en bij de fabriek van Van Renterghem een gevaarlijke standplaats wordt. Uitvoerig betogen ze de gevaarlijke situatie die voor hun bedrijf zal ontstaan: ‘Het is nu opnieuw gebleken hoe gevaarlijk het is zulke fabrieken aan en bij gebouwen en eigendommen te stichten. Hoe voorzichtig er ook in zulke fabrieken gewerkt wordt, heeft de ondervinding nu toch in een korte tijd geleerd dat deze veel aan brand zijn bloot gesteld. Zou dit andermaal plaats hebben en de poort zou afgebroken zijn en de wind was dan noord of noord/oost en de brand zou dan in de nacht plaats hebben en hoe spoedig de blusmiddelen ook aangewend zouden worden, dan zou het niet anders kunnen of hun pakhuis ‘de Grote en Kleine Meebalen’ zou daardoor zeker een prooi van de vlammen worden en zich verder naar de belendende gebouwen kunnen uitbreiden. Nu kan dit nog veel belet worden omdat de poort een grote beschutting geeft. Ze vertrouwen er op en verzoeken dat het gemeentebestuur zal besluiten de poort niet af te breken en hen daardoor een beschutsel te laten dat voor hen van zeer veel belang is als grenzende het naast aan de fabriek’.

In oktober 1856 ontstaat er ook brand in de fabriek voor verbeterde meekrapbereiding ‘Zuid-Beveland’, staande aan de oostzijde van de haven. In de vroege morgen van 22 oktober 1856 tussen vier en vijf uur heeft een ontvonking plaats in de eest in een van de droogtorens van deze meekrapfabriek. De brand heeft zich uitgebreid tot de tweede toren en beide zijn uitgebrand en een van de gewelven is ingestort. De brand heeft in de loop van dinsdag en de daarop volgende nacht een vrij ernstig aanzien. Het gemeentebestuur laat de branddirectie bijeenroepen. Deze wordt in de nacht van 22 op 23 oktober voorgelicht door de directeur en er wordt ter plaatse een lokale opneming gedaan. Door de afsluiting van het eestlokaal is er geen dadelijk gevaar. Omdat de branddirectie de voorhanden zijnde blusmiddelen niet voldoende acht om in alle eventualiteiten te voorzien, biedt ze de directeur aan om een of twee brandspuiten in een van de bijgebouwen van de fabriek in gereedheid te plaatsen. De directie meent van dit aanbod geen gebruik te moeten maken. Sinds die tijd blijft het vuur in de eest smeulen. Op maandag 27 oktober neemt de directeur een proef om uit de eest de racin weg te ruimen. Dit slaagt slechts voor een gering gedeelte omdat men vanwege de felle gloed de eest weer heeft moeten sluiten. De generale brandmeesters keuren het zeer af dat de opening is beproefd zonder dat daarbij de hulp van de brandweer is ingeroepen, al was het slechts bij wijze van voorzorg. Een herhaling van de proef wordt gevaarlijk geacht, zowel voor de fabriek als voor de belendende gebouwen. De brandmeesters voelen zich op 31 oktober 1856 verplicht het gemeentebestuur te verzoeken de directeur van de meekrapfabriek aan te schrijven om de eest niet te openen dan in overleg met de brandmeesters. De burgemeester schrijft daarop de hoofddirecteur aan met de opdracht om de smeulende eest niet te openen dan alleen met zijn voorkennis en toestemming. Dit om zonodig maatregelen van voorzorg te kunnen nemen in overleg met de directie van de brandweer.

De burgemeester rapporteert ‘dat heden ochtend tussen vier en vijf uur brand is ontstaan in een van de droogtorens van de fabriek van verbeterde meekrapbereiding’ Zuid-Beveland’', staande aan de oostzijde van de haven; dat deze zich heeft medegedeeld aan de tweede toren en beide zijn uitgebrand en een der verwelven is ingestort’. Hij meldt verder ‘dat het aan de ijverige bemoeiingen van de brandweer gelukt is de brand te beperken tot het binnenste gedeelte van genoemde droogtorens en voorkomen is dat dezelve naar buiten sloeg, als wanneer bij de vrij hevige wind het gehele gebouw waarschijnlijk zou in de as gelegd geworden zijn. Op dit ogenblik des middags ten een uur is de brand geheel geblust. Opgetreden zijn de grote spuit, de keetspuit, de nieuwe spuit en de oude spuit’.
De voorzitter van de Kamer van Koophandel, de heer C. Pilaar, schrijft hierover in een briefje aan de burgemeester: ‘Er wordt naar het schijnt in de stad een vreselijke bombarie gemaakt over het bewuste op de fabriek, zelfs zegt men dat uw edelachtbare deswegen bijzondere maatregelen nemen zult. Het zou mij bijzonder aangenaam zijn ingeval u een inspectie in loco wilde nemen, niet twijfelende of u zult zich dan ook overtuigen van het belachelijke dat er enige vrees voor brand zou bestaan’.

Er doet zich deze jaren nòg een brand voor in een fabriekspand.
De brandweerdirectie rapporteert in juli 1858 over de brand in het pand van de heer Saaymans Vader op 7 juli. Bij het eerste klokgelui zijn de spuiten naar de plaats van gevaar vervoerd. Onmiddellijk zijn in werking gebracht spuit nummer 1, terwijl de overige spuiten nummers 2, 3 en 4 buiten werking zijn gebleven. De aanwezige brandweerlieden zijn met ijver werkzaam geweest. Nadat de brand geheel was geblust hebben de generale brandmeesters en brandmeesters zich nogmaals begeven naar de plaats waar de brand zich heeft voorgedaan, daar het toen nauwkeuriger kon worden opgenomen. Geconcludeerd werd dat de brand op een bovenkamer aan de zuidzijde bij een bedstede is uitgebroken. Deze is gedeeltelijk verbrand evenals het bed met toebehoren alsook een stoel, waarop het bed schijnt gelegen te hebben.

In 16 maart 1855 treft de gemeenteraad een regeling met de gemeenteraden van ‘s-Gravenpolder, ‘s-Heer Abtskerke, ’s-Heer Arendskerke, ‘s-Heer Hendrikskinderen, Kattendijke, Kapelle, Yerseke, Wemeldinge en Kloetinge over het vaststellen van een verordening op het gemeenschappelijke en wederzijdse hulpbetoon bij brand. Ook de gemeenteraden van Kruiningen, Schore en Wolphaartsdijk verklaren nadien zich aan te willen sluiten bij deze regeling.

Ook wordt in juni 1855 een Reglement op het brandwezen in de gemeente Goes vastgesteld. Enkele bepalingen luiden als volgt:

Artikel 1
Geen vuur mag worden gestookt dan in daartoe bekwame stookplaatsen of schoorstenen.

Artikel 2
Geen ijzeren haarden of kachels mogen op houten vloeren worden gesteld, tenzij daaronder platen worden gelegd van lood, zink of ijzer, minstens een el in het vierkant groot of op gemetselde taarlingen van gelijke grootte.

Artikel 3
De ingezetenen zorgen voor het schoonhouden en doen vegen van de schoorstenen en stookplaatsen.

Artikel 4
Wanneer mocht blijken dat een schoorsteen of stookplaats gevaar voor brand doet vrezen, is de eigenaar verplicht binnen de door het gemeentebestuur te bepalen tijd, dat gevaarlijke te doen wegnemen en het gebrekkige te herstellen.

Artikel 5
Geen as mag bewaard worden anders dan in van steen gemetselde vergaarbakken, potten, teilen, blikken of ijzeren emmers en dergelijke van onbrandbare stof. Op de erven mogen geen asbakken worden aangelegd dan na bekomen verlof van het gemeentebestuur. De as mag niet op straten of wegen en geen stro, hooi of andere licht ontvlambare stoffen in de asbakken der gemeente geworpen worden.

Artikel 6
Het is verboden in ongedekte potten vuur langs de straten te dragen of over te brengen.

Artikel 7
Brandstof, zoals hout, turf, kolen en dergelijke mogen niet worden bewaard binnen een afstand van ovens, eesten, smidshaarden of andere vuurplaatsen noch binnen vijf palmen van de schoorsteenpijpen.

Artikel 8
Bij het lossen, laden of verwerken van licht ontvlambare stoffen in schuren, stallen of op hooizolders mag niet worden gerookt.

Artikel 9
Gedoofde turf en zogenaamde bakkerskolen, uitgebrande doppen en zaagsel mogen niet worden bewaard of gehouden in tonnen, manden of dergelijke, maar moet worden geborgen in koperen, ijzeren of stenen potten, met deksels van dezelfde stof voorzien.

Artikel 10
Het is verboden in de kom der gemeente hooibergen aan te leggen of klampen van stro, ongedorste granen, hout, mutsaars of andere brandstoffen te zetten zonder verlof van het gemeentebestuur.

Artikel 11
In magazijnen of bergplaatsen van heide, hooi, stro, hout, turf en dergelijke mag geen vuur gebezigd worden.
 
Artikel 12
Geen kuipersvaatwerk, duigen of klompen mogen in schoorstenen worden gedroogd.

Artikel 13
Geen vaatwerk mag op straten of wegen worden geheet voor zonsopgang of na zonsondergang, ook niet bij sterke wind en niet anders dan voor de woningen of werkplaatsen van brouwers of kuipers.

Artikel 14
Leidekkers en loodgieters zullen geen werkzaamheden in de open lucht, wanneer zij daarbij vuur bezigen, mogen verrichten bij stormachtig weer noch voor zonsopgang en zonsondergang.

Artikel 15
Kooplieden, winkeliers of anderen, die buskruid of schietkatoen verkopen, vuurwerkmakers en verkopers evenals particuliere personen mogen in hun winkels of benedenhuizen geen meerdere hoeveelheid voorhanden hebben dan twee Nederlandse ponden buskruid of vuurwerk en 1 Nederlandse pond schietkatoen. Die voorraad zal daar worden bewaard in welgesloten tonnen, kisten, trommels of flessen.

In maart 1856 is de organisatie van de brandweer gereorganiseerd volgens het door de gemeenteraad op 27 augustus 1855 vastgestelde ‘Reglement voor het brandwezen in de gemeente’.

De brandweerdirectie schrijft het gemeentebestuur in november 1860 een brandbrief. Ze sturen een proces-verbaal toe over de absentie onder de manschappen bij oefeningen. Een voorstel wordt gedaan tot ontslag van enige leden van de brandweer. Het gemeentebestuur besluit de voorstellen in overweging te houden en intussen het proces-verbaal aan de commissaris van politie toe te zenden met het verzoek om, alvorens tot vervolging over te gaan, onderzoek bij de beklaagden te doen naar de oorzaak van hun absentie en het college daarover te berichten. De commissaris van politie rapporteert dat hem gebleken is dat het geen zaken betreft die voor vervolging in aanmerking komen.

Schutterij

De sterkte van de schutterij behoort deze jaren te zijn: in actieve dienst 100 (vanaf 1860 110) man en in reserve 98 (vanaf 1860 105) man, samen 198 (vanaf 1860 215) man. De sterkte is op 1 december 1854 in totaal 102 man, te weten officieren 1; onderofficieren 1; korporaals 3; schutters actief 64 en schutters reserve 33. In 1860 is de sterkte in totaal 146 man, te weten officieren 2; onderofficieren 3; korporaals 8; tamboers 5; schutters actief 69 en schutters reserve 69.
Commandant van de schutterij is de heer A.J. Soutendam. Tweede luitenant is de heer H.K. Dominicus van den Bussche.

In januari 1854 geeft Soutendam het gemeentebestuur desgevraagd te kennen dat er in het magazijn 19 schakots en 10 halsdassen, alles in bruikbare staat, voorhanden zijn.
De Commissaris van de Koning stuurt in juli 1854 het Koninklijk Besluit van 23 juni 1854 toe over de invoering van nieuwe schakots bij de schutterij.
45 leden van de dienstdoende schutterij, ‘als zodanig op heden ingelijfd’, nemen op 28 augustus 1854 de vrijheid om, daar zij onvermogend zijn om voor zichzelf de benodigde uniformen aan te schaffen, zich tot het gemeentebestuur te wenden met het beleefde verzoek hun deze van stadswege toe te staan.

In april 1855 maken burgemeester en wethouders, op verzoek van de commandant van de schutterij, bekend dat op zaterdag in deze en de volgende maand door de leden van de schutterij ‘naar de Schijf zal worden geschoten’.
Ook in juni 1858 stuurt de commandant van de dienstdoende schutterij een brief met kennisgeving dat in deze en de drie volgenden maanden door de leden van de schutterij naar de schijf zal worden geschoten. Om ongelukken te voorkomen besluit het gemeentebestuur daarvan een openbare bekendmaking te doen.

De kapitein commandant van de dienstdoende schutterij verzoekt in oktober 1857 om toezending van 115 patroonzakjes omdat de laatst ontvangen patronen het noodzakelijk maken de nieuwe wijze van laden bij de infanterie in gebruik in te voeren. De commandant merkt daarbij op dat, omdat er maar 110 slaggeweren bij de schutterij aanwezig zijn, er ook niet meer patroonzakjes nodig zijn.

In juni 1859 komt er een aanschrijving van de Commissaris van de Koning met de kennisgeving dat Zijne Majesteit de Koning heeft bepaald dat, evenals bij de korpsen van het leger, op de chakots bij de schutterijen, in grote tenue, zal worden gedragen een afhangende vlam van zwarte kleur, volgens het model dat bij het leger in gebruik is en wel van paardenhaar voor de officieren en de adjudant onderofficieren of de als zodanig rang hebbenden. Het insigne zal voor de overige onderofficieren en verdere manschappen van wollen, kemelsgaren of saaien draden zijn. Hiervan wordt mededeling gedaan aan de commandant van de dienstdoende schutterij in de gemeente.
Ook in april 1860 komt er een kennisgeving van de Commissaris van de Koning met het bericht dat door de onderofficieren en verdere leden van de schutterijen voortaan, inplaats van de rok, mede zal worden gedragen een korte jas. De invoering zal plaats hebben naarmate de voorraad rokken die bij de gemeente voorhanden is zal afnemen. Degenen die er thans van voorzien zijn krijgen de vrijheid deze af te dragen. Hierop zal worden gelet bij de kleding van de schuttersplichtingen.

De Commissaris van de Koning deelt op 28 december 1860 mee dat de heer M.J. Soutendam, kapitein commandant van de dienstdoende schutterij, door Zijne Majesteit de Koning bij besluit van 21 december is benoemd tot Ridder der Orde van de Eikenkroon.

In januari 1860 vertrekt de luitenant bij de schutterijcompagnie A.J.P. Saaymans Vader naar de gemeente Delft. In zijn plaats komt P.A. Hochart.

Rechtbank

De president van de arrondissementrechtbank, mr. F.N. van der Bilt, krijgt op zijn verzoek in september 1859 eervol ontslag. Overgelegd worden certificaten van inschrijving in het Burgerlijk Pensioenfonds tot een bedrag van ƒ 1.200 voor de ontvangst van zijn pensioen.
In zijn plaats wordt tot voorzitter van de arrondissementrechtbank benoemd de heer mr. J.J. van Deinse, tot nu toe lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal. Zijn zetel als kamerlid wordt ingenomen door de heer B.P.G. van Diggelen.

De gemeenteraad besluit in december 1860, op voorstel van de heer Fransen van de Putte, overwegende het grote belang dat er voor deze gemeente bestaat in het behouden van de rechtbank, met het oog op de aanhangige rechterlijke reorganisatie en de door de regering toegezegde Wet regelende het getal en de plaatsing van de arrondissementrechtbanken, burgemeester en wethouders op te dragen op het tijdstip dat het college daartoe raadzaam oordeelt een adres aan Zijne Majesteit de Koning te richten tot behoud van de rechtbank in Goes.

Notarissen

De Commissaris van de Koning deelt in november 1856 mee dat de binnen het arrondissement Goes gevestigde notaris mr. A. Kakebeeke bij Koninklijk Besluit van 24 oktober 1856 op zijn verzoek van zijn huidige standplaats Krabbendijke is overgeplaatst naar de gemeente Goes.
Ook in november 1859 komt er een mededeling van de Commissaris van de Koning dat de heer mr. Hendrik Karel Jan van den Bussche eervol is ontslagen als notaris te Goes. In zijn plaats is benoemd de heer mr. Hendrik Karel Dominicus van den Bussche.