Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1854 - 1860)

Openbare werken

In de jaren 1854 tot en met 1860 worden de hierna volgende openbare werken gerealiseerd.

1855
Het verbeteren van het gebouw van de Franse dag- en kostschool voor knapen is aanbesteed voor ƒ 1.048 en het inrichten van de armen bewaarschool voor de medehuisvesting van de burgerbewaarschool, voor ƒ 76.
Met toestemming van de kerkvoogdij is in het koor van de Grote kerk een bergplaats gemaakt voor de brandspuiten van de gemeente voor ƒ 125.
De inrichting van het voormalige ijkkantoor tot gemeentelijke of armenapotheek is publiek besteed voor ƒ 195. Het ijkkantoor gaat over naar een appartement in het gebouw dat thans als school voor minvermogenden bestemd is. De inrichting van het kantoor voor de stedelijke belastingen aan de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière en een daarbij geplaatst brandspuithuisje tot telegraafkantoor is voor rekening van de gemeente aanbesteed voor ƒ 520. Op de Kleine Kade, in de nabijheid van de ophaalbrug, is een huis aangekocht voor bewoning van de brugophaalder voor ƒ 600.
Aan de Staat der Nederlanden zijn afgestaan voor het realiseren van een nieuw huis van arrest het zogenaamde stort buiten de Oostpoort, het oude retranchement en de Oostpoort, het algemeen secreet, het brandspuithuisje en het brugophaaldershuisje.
De buiten- en binnenhavenpoorten en de Koepoort zijn voor afbraak verkocht en weggeruimd.

1856
Er is gewoon onderhoud verricht aan de openbare gebouwen, haven, kanaal, bruggen, riolen, wegen, wandelplaatsen en begraafplaats voor in totaal ƒ 5.767. De straten zijn vernieuwd voor ƒ 936, voor de aanpassing van de wallen is ƒ 500 en voor de aankoop van een huis voor de brugophaalder ƒ 641 uitgetrokken.
De Oostpoort, het daaraan gebouwde retranchement en de verdere gebouwen, afgestaan aan de Staat der Nederlanden voor het stichten van een nieuw Huis van Arrest, zijn op 10 december 1856 in het openbaar voor afbraak verkocht om op 1 april geheel weggeruimd te zijn.

1857
Er vindt gewoon onderhoud plaats aan de openbare gebouwen, havens, kanaal, bruggen, riolen, wegen en wandel- en begraafplaats voor ƒ 4.732. Voor vernieuwing van de straten is ƒ 600, voor nieuwe sasdeuren ƒ 1.178, voor herstel van de havenboorden ƒ 700, voor een gebouwtje om olie te koken ƒ 150, voor vernieuwing van de sasmeesterswoning met magazijn ƒ 452 en voor onderhoud aan de voormalige trekkerswoning ƒ 70 besteed.
Door de afbraak van het poortgebouw van de Oostpoort is ook vervallen de bestaande gelegenheid tot het koken van schildersolie tegen de muur van het retranchement. Daarom is op 24 januari publiek aanbesteed het stichten van een afzonderlijk gebouwtje buiten de bebouwde kom van de gemeente bestemd voor het koken van olie voor ƒ 2.150, hetzelfde bedrag als bedongen is voor de afstand van een buiten gebruik geraakt brandspuithuisje in de Voorstad. Het afbreken van de Oostpoort en annexe gebouwen heeft ook tot gevolg de noodzakelijke afbraak van de Bleekveldse barrière (op de plaats van de voormalige Bleekveldse poort).

1858
Bij openbare besteding zijn de volgende werken uitgevoerd: herstel van de muur aan de afgebroken havenpoort voor ƒ 160; idem van de schoolgebouwen voor ƒ 165; idem van het verhuurde gebouw aan de havendijk, genaamd de trekkerswoning, ƒ 110; idem aan onderscheidene gemeentegebouwen voor timmer- en smeedwerk ƒ 450 en voor metselwerk ƒ 112 en het maken van een nieuwe beerput ƒ 955.

1859
In 1859 is aanbesteed het leggen van een steenglooiing aan de buitenhavendammen voor ƒ 1.770; idem aan de binnenhavenboorden voor ƒ 980; het leveren van een paar nieuwe greinenhouten ebdeuren aan de havensluis voor ƒ 970; herstellingen aan de schoolgebouwen voor ƒ 480; idem aan het verhuurde gebouw aan de havendijk, genaamd de trekkerswoning, voor ƒ 160; idem aan onderscheidene gemeentelijke eigendommen aan timmer- en metselwerk voor ƒ 730 en aan schilder- en glazenmakerwerk voor ƒ 1.540, in totaal ƒ 5.230.

Beerputten en secreten

In juni 1856 komt bij de gemeenteraad in behandeling de 'Verordening op de mestvaalten, het houden van varkens en het ledigen van de secreten'. De raad stelt de verordening vast.
Enkele raadsleden pleiten daarbij om de tegenwoordig in gebruik zijnde karren voor het vervoer van de beer af te schaffen en te vervangen door de eertijds gebruikte sleden met beertonnen. Of de karren zouden zodanig moeten worden samengesteld dat het ratelen en dreunen, dat zeer hinderlijk is voor de ingezetenen langs wier huizen de karren passeren, ophoudt of vermindert. Het college zegt toe hierin zoveel mogelijk te zullen voorzien.
In oktober publiceert het gemeentebestuur een Bekendmaking aan de ingezetenen dat met ingang van maandag 6 oktober de ruiming van de secreten wekelijks zal plaats hebben: in wijk A op maandag; in wijk B op woensdag; in wijk C op donderdag en in de wijken D en E op vrijdag. De ruiming begint 's avonds om half elf uur.

De heren Saaymans Vader verzoeken in december 1856 op erfpacht 230 ellen gemeentegrond voor het maken van een mestput volgens een overgelegde plantekening op een perceel buiten de voormalige Bleekveldse poort in een gedeelte van wijk D nummer 1159. Het gemeentebestuur heeft hier tegen geen bezwaren.
 
In maart 1857 komt er een verzoek bij het gemeentebestuur binnen van J. van Hoeve voor het verkrijgen van vergunning om in zijn tuin achter het woonhuis in de zogenaamde Brouwersgang aan de Beestenmarkt in wijk A nummer 211 een magazijn of verzamelplaats van mest aan te leggen. Het gemeentebestuur overweegt dat zo'n verzamelplaats daar ter plaatse vanwege de nabijheid van de openbare wandelweg aan de ene en de schoollokalen en speelplaatsen van de jonge juffrouwenschool en de bewaarschool aan de andere zijde hinderlijk en voor de gezondheid nadelig zou zijn. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

In het gemeentearchief bevindt zich van september 1857 een Nota van de opmeting van het verrichte metselwerk met oude steen aan de gemeenteriolen volgens het door gemeenteopzichter A. van Leent opgestelde bestek met de schetstekening van de riolen. W. de Jong neemt het werk in 1857 aan. het bestaat uit: de monding aan het riool aan de vestzijde bij de zogenaamde Hoge Bomen; het riool op het Plein in de Hoge Bomen en het riool achter het Gasthuis.

Het gemeentebestuur besluit op 1 november 1858 de nieuwe beerput van de stad te plaatsen achter de alcoholfabriek van de heren Saaymans Vader en compagnon. Maar bij nader inzien vindt het college dat dit op te grote bezwaren stuit, vooral van financiële aard.
Het stelt voor de beerput te verplaatsen naar de westzijde van de haven, ten noorden van het kanaal naar de zaagmolen, zoals uit een overgelegde plantekening blijkt. Deze nieuwe locatie zal ƒ 500 minder kosten. Besloten wordt het vroeger plan te laten varen en met de nieuwe locatie akkoord te gaan. In verband met de werkzaamheden aan de nieuwe beerput wordt in december het water enige dagen uit de haven gelaten.

Begraafplaatsen

In 1854 wordt de huurkoetsier Jan Koens benoemd tot koetsier van de lijkkoets. Nadat hij zijn koetsiersaffaire van de hand heeft gedaan wordt Laurens Willeboer de nieuwe koetsier.

De kerkmeesters van de Israëlitische bijkerk verzoeken het gemeentebestuur in december 1859 een strook grond, liggende tussen hun begraafplaats en de in aanbouw zijnde gasfabriek, toe te voegen aan hun begraafplaats en de daar aanwezige sloot te dempen en te vervangen door een haag of heining. De brief van de kerkmeesters om afstand van grond tussen hun begraafplaats en de in aanbouw zijnde gasfabriek, met het daarbij gevoegde kaartje, wordt toegestuurd aan de heren Verloop, de aannemers van de gasverlichting met de vraag of en zo ja, welke bezwaren daartegen bij hen mochten bestaan.
Begin januari 1860 deelt de directeur van de gasfabriek mee geen bezwaar te hebben tegen het afstaan van de voor de aanleg van de Israëlitische begraafplaats gevraagde grond. Bij de kennisgeving is een fraaie situatietekening gevoegd waarop zijn aangegeven de ligging van de algemene begraafplaats, de Israëlitische begraafplaats, de gasfabriek en het perceel van J.M. van der Made.

In juni 1860 verzoeken de kerkmeesters van de Israëlitische bijkerk om, tot vergroting van hun begraafplaats, nog een strook grond, liggende tussen hun begraafplaats en de grond die in erfpacht is gevraagd door de heer J.J. van den Broeke, ter grootte van 165 vierkante ellen, aan hun begraafplaats te mogen trekken. De gemeenteraad besluit de kerkmeesters deze grond, gelegen achter de gasfabriek tussen hun begraafplaats en de in erfpacht gevraagde grond door Van den Broeke, deel uitmakende van de Stoofweide, af te staan.
Ook verzoeken de kerkmeesters in november 1860 vergunning om de grond die hen is afgestaan voor het vergroten van hun begraafplaats, van naburige percelen te mogen afscheiden door een doornheg. Wethouder Kakebeeke rapporteert dat hem na onderzoek gebleken is dat, naar aanleiding van de overeenkomst tussen de directie van de gasfabriek en de kerkmeesters van de Israëlitische bijkerk, een rasterwerk in gereedheid is gebracht tot afsluiting van de Israëlitische begraafplaats. Op hun verzoek voor een doornheg wordt dan ook niet gunstig beschikt.

Bruggen

Het gemeentebestuur bespreekt in juni 1855 de wenselijkheid van vernieuwing van de ophaalbrug voor de stadshaven. Van het gemeentebestuur van Bergen op Zoom wordt informatie verkregen over een daar aangebrachte basculebrug. In de brief wordt kennis gegeven dat de aanneemsom van de basculebrug daar ƒ 4.420 heeft bedragen. Besloten wordt ook om toezending van technische gegevens te verzoeken. Deze komen in juli van de heer F. Helmich, architect te Bergen op Zoom, ontwerper van de basculebrug die aldaar geplaatst is. Hij biedt zijn diensten aan voor een soortgelijke brug in Goes te realiseren. Hij meent dat de toezending van een tekening van het plan en een afschrift van het bestek, zoals door het Goese gemeentebestuur is gevraagd, niet voldoende zal zijn voor het oogmerk dat men daarmee heeft.

In september 1855 overlegt de ingenieur van de waterstaat, de heer J.F.W. Conrad, processen-verbaal van de finale opneming van de werken aan het Goese Sas, te weten het plaatsen van een paar buiten vloeddeuren en het leggen van een steenglooiing. Hij biedt tevens een onlangs vervaardigde en ter inzage gezonden tekening van een enkele draaibrug en een dubbele basculebrug en een met zorg bewerkte berekening van kosten voor het realiseren van een van die bruggen tot vervanging van de ophaalbrug over de stadshaven. Besloten wordt opdracht tot betaling voor de verrichte diensten van de ingenieur te geven en de dank van het gemeentebestuur te betuigen voor de aangeboden belangrijke stukken betreffende de brug over de stadshaven.

Het bestek en de voorwaarden voor de aanbesteding van herstelwerkzaamheden aan de brug over de haven, de brug buiten de Ganzepoort en de brug buiten de Koepoort en het sluisje naar de zaagmolen wordt in september 1860 vastgesteld. Timmermansbaas Benjamin den Boer krijgt na aanbesteding het werk voor ƒ 420.

Gasverlichting

De straatverlichting vindt aan het begin van deze periode plaats gedurende acht wintermaanden, van september tot en met april, van 's avonds dat de donker invalt tot middernacht. Dit gebeurt nog met olie. Als gevolg van een daartoe genomen besluit van de gemeenteraad worden er pogingen aangewend de straatverlichting tegen de volgende winter met steenkolengas aan te besteden. Lange tijd gelukt dit niet bij gebrek aan gegadigden om dat werk aan te nemen.

In augustus 1856 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heren L.J. Enthoven en compagnon uit 's-Gravenhage met het verzoek te mogen worden belast met de stichting van een gasfabriek in de gemeente Goes. Deze firma heeft ook in de gemeente Tiel een gasfabriek opgericht, terwijl ze nu bezig zijn met de oprichting daarvan te Zierikzee.
Het gemeentebestuur besluit om, alvorens hierover een besluit te nemen, de overeenkomsten tussen de firma en de gemeentebesturen van Tiel en Zierikzee op te vragen.
De heren Enthoven en compagnon schrijven in maart 1857 bereid te zijn om de voorwaarden op te geven waarvoor zij de gasverlichting in Goes willen aannemen. Om dit te kunnen doen verzoeken ze om een plattegrond van de stad en het aantal te verlichten lantaarns. Het college laat een schetstekening van de plattegrond maken en stuurt deze met een opgave van het aantal brandende lantaarns aan de heren Enthoven toe.
In april rapporteert de burgemeester over de van zijn ambtgenoot te Bolsward ontvangen inlichtingen over de straatverlichting met gas in die gemeente.

Korte tijd hierna, begin mei 1857, ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer P.R. van der Made met het verzoek hem te willen toesturen de voorwaarden volgens welke men de gasverlichting in Goes wenst aan te besteden. Het gemeentebestuur besluit deze brief voorlopig aan te houden. Want enkele weken later ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heren L.J. Enthoven en compagnon te 's-Gravenhage waarin deze aanbieden om voor rekening van de gemeente een gasfabriek op te richten. Deze brief wordt voorgelegd aan de gemeenteraad.
De gemeenteraad bespreekt eind november 1857 in een besloten zitting de voorwaarden voor de aanbesteding van de verlichting met steenkolengas in de gemeente. Gegadigden voor de aanneming van de gasverlichting binnen de gemeente zullen bij openbare bekendmaking in de Goessche, Middelburgse en Nieuwe Rotterdamsche couranten en het Handelsblad worden uitgenodigd hun inschrijvingsbiljetten in te zenden vóór de 1e februari 1858.
Er blijkt slechts één inschrijving voor de aanneming van de straatverlichting met steenkolengas te zijn ingekomen. Dit komt het gemeentebestuur niet aannemelijk voor. Slechts één inschrijving levert geen voldoende concurrentie op. Besloten wordt een openbare aanbesteding te beproeven op de 17e februari 1858. Maar de aanbesteding blijkt vruchteloos te zijn. Niemand is aanwezig om in te schrijven. De gemeenteraad besluit nu tot een onderhandse aanbesteding.
In juni 1858 deelt het college de gemeenteraad mee dat er nog steeds geen aanbesteding van de gasverlichting tot stand is gekomen. Op voorstel van het college besluit de raad de straatverlichting nog één jaar op de bestaande voet met olie voort te zetten. Maar de tegenwoordige aannemer van de straatverlichting verklaart zich niet bereid daarmee door te gaan. De gemeenteraad besluit nu, in afwachting van de uitslag van de nog te doene pogingen om een gasverlichting te verkrijgen, de straatverlichting gedurende de volgende winter voor rekening van de gemeente uit te voeren.

Begin juni 1859 vindt de aanbesteding plaats. De inschrijvingsbiljetten voor de straatverlichting worden geopend. De gegadigden zijn hierbij uitgenodigd. Hierop komt alleen een offerte van de heer D.P. Broekman te Goes binnen. Hij overlegt een inschrijving, getekend door de heren J. Soutendam en D.P. Broekman, met een aanbieding tot het doen van de straatverlichting overeenkomstig de gewijzigde voorwaarden door middel van lopend gas, bereid uit steenkolen, voor een jaarlijks bedrag van ƒ 2.449,00 en om de stadsgebouwen te verlichten voor 16¾ cent per kubieke el.
Verder ontvangt het gemeentebestuur een inschrijvingsbiljet van de heren C. Verloop en zoon te Utrecht. Dit met het aanbod om de straatverlichting te leveren volgens de hun bekende voorwaarden door middel van pijpgas voor een jaarlijks bedrag van ƒ 1.644,00. De heren Verloop wordt verzocht onverwijld op te geven voor welke prijs ze de verlichting van gemeentegebouwen en -instellingen willen aannemen.

Het gemeentebestuur ontvangt op 20 juni 1859, in een van de eerste gedrukte brieven die in het gemeentearchief voorkomt, van de architect-ingenieurs C. Verloop en Zoon te Utrecht een brief met de volgende inhoud:
'Goes, Junij 1859
Onder nadere goedkeuring der betrokken autoriteit, van het Bestuur dezer gemeente de Gasverlichting aangenomen hebbende, nemen wij de vrijheid deze onze onderneming aan uwe medewerking en ondersteuning aan te bevelen - en verzoeken U beleefdelijk, ons wel op nevengaand biljet opgave te willen doen, zoo van het getal lichten waartoe U zich dadelijk bereid verklaart om u te verbinden als van het getal dat vermoedelijk later door u zal genomen worden, in geval het licht in alles aan uwe verwachting mag voldoen.
Wij vragen dit en in ons eigen belang en in het belang van u zelven als verbruikers, want hoe zeer wij U hierbij nu reeds een prijs van 20 cent per kubieke el als maximum opgeven, met het oog op het vrij aanzienlijk getal lichten waartoe men zich vroeger reeds schijnt verbonden te hebben, zoo aarzelen wij niet U de verzekering te geven, dat naar mate de dadelijke deelneming ruimer mogt zijn, wij dien prijs evenredig minder zullen vaststellen.
Wij wenschen ons, vooral door deze opgave in staat te zien gesteld om de kanalisatie doelmatig te maken, terwijl zij die zich nu reeds mogten verbinden tot dadelijk verbruik van Gaz, hunne privé buizen en lustres tegen veel lagere prijs zullen bekomen als later het geval zal zijn, aangezien wij het voornemen hebben deze dadelijk in MASSA uit te besteden.
Onze belangen en die van U als verbruikers, gaan hierbij dus hand aan hand, en daarom vleien wij ons, dat wij U bereid zullen vinden aan ons beleefd verzoek te voldoen en zullen wij zoo vrij zijn, na verloop van twee of drie dagen, nevengaand inschrijvingsbiljet te laten afhalen.
De fabriek zal door ons worden ingericht voor Steenkolen-Gaz, waarnaar de bovengenoemde prijs is berekend - en zal alleen dan ander gaz door ons geleverd worden, wanneer later blijken mogt dat dit en in het belang der verbruikers en van ons als ondernemers mogt zijn.
Van onze zijde zullen wij niets onbeproefd laten om aan het in ons door Burgemeester en wethouders gestelde en van u verwachte vertrouwen, op solide wijze te beantwoorden.
Wij bevelen onze onderneming alzo nogmaals in uwe medewerking en ondersteuning aan en hebben de eer te zijn'.

De heren Verloop en compagnon verzoeken daarop begin juli 1859 vergunning om in de gemeente een gasfabriek te stichten. Het gemeentebestuur komt tot de conclusie dat er uit het oogpunt van een goede politie geen bedenkingen bestaan tegen het stichten van een gasfabriek op de aangegeven plaats. Er zijn hier tegen geen bezwaren ingebracht. De vergunning wordt dan ook verleend.

Op 13 juli 1859 neemt de gemeenteraad kennis van de volgende mededeling: 'De heren C. Verloop en zoon hebben vergunning van Zijne Majesteit de Koning ontvangen voor de stichting van een gasfabriek op een gedeelte van de weide gelegen aan de westzijde van de haven in sectie A nummers 287 en 276'. Opgeroepen worden de omwonenden, de eigenaars van de meestoof 'de Liefde' in sectie A nummer 288 en J. Buijs, bewoner van dezelve; H. van den Berge, bewoner van sectie A nummer 247; de heer C.A. van Renterghem, eigenaar en gebruiker van D nummer 992 en de heer M.J. Harinck, eigenaar en gebruiker van D nummer 989. Gedeputeerde Staten sturen in september het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1859 toe.

In de komende maanden komt de gasfabriek tot stand op de Stoofweide aan de westzijde van de haven. Voor de bouw worden tien olmenbomen op de Stoofweide en 56 olmenbomen op de dijk aan de oude haven voorbij het Roosjeshof aan de oostzijde van de haven openbaar verkocht.
Op verzoek van de heren Verloop verleent het gemeentebestuur, tot vermijding van nutteloze kosten, vergunning om de gasfabriek 25 à 30 ellen terug te zetten. Op deze wijze kan plaats gewonnen worden voor de bouw vóór de fabriek van een directeurswoning.

De heren Verloop verzoeken om wegens verhindering, vanwege oorzaken buiten hun schuld, om nog in de aanstaande winter gas te leveren met de oplevering van de fabriek te mogen wachten tot in de volgende zomer.
Het gemeentebestuur overweegt dat op de afgesproken stichting van de gasfabriek, bij de uitgifte van de grond daarvoor alsook voor het bouwen van arbeiderswoningen door J.M. van der Made, is gerekend en deze met de realisering daarvan al is begonnen. Overwogen wordt ook dat de gasverlichting, ook bij de spoedigste totstandkoming van de bouw van de fabriek, slechts een klein gedeelte van de winter zal kunnen plaats hebben.
De gemeenteraad besluit de heren Verloop te kennen te geven dat in een meer achterwaartse plaatsing van de gasfabriek niet kan worden bewilligd. De voorkeur wordt gegeven aan het bekomen van grond in de nabijheid van de fabriek voor het stichten van een directeurswoning. Op de tijd van oplevering van de fabriek zal minder worden gelet indien door omstandigheden buiten hun wil enige vertraging mocht optreden mits alles voor de verlichting maar gereed is op 1 juli 1860.

De heren Verloop geven in april 1860 kennis dat voor de exploitatie van de gasfabriek is opgericht een Naamloze Maatschappij onder de naam van 'Utrechtse Gas Onderneming'. De belangen van de aanneming van de straatverlichting te Goes worden overgedragen aan deze Maatschappij. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.

Het college legt in april 1860 de tekening van de kandelaberen, geschikt om te worden geplaatst op het midden van de Grote Markt, voor aan de gemeenteraad. De kosten bedragen ƒ 400 à ƒ 450. De raad besluit tot de aanschaf van deze kandelaberen alsook om een illuminatietoestel met gas voor het Stadhuis te plaatsen om bij voorkomende gelegenheden daarvan gebruik te maken.

In mei 1860 verzoekt de directeur van de gasfabriek, de heer Jan Jacob van den Broecke, beschikbaarstelling van een gedeelte gemeentegrond op erfpacht in de Stoofweide naast de gasfabriek. Hij wil dat terrein gebruiken als steenplaats en wellicht later daarop een woning laten bouwen. Het verlangde terrein ligt zuidelijk van sectie A nummer 287 en heeft een grootte van 30 roeden en 35 ellen.
Ook verzoekt hij om een bijdrage van de gemeente van ƒ 131,50, zijnde de helft van de kosten van een pijpleiding voor schaalverlichting van de uiterste punten van de verlichting voor rekening van de gemeente en wel naar de hofstede 'Klein Frankrijk' en de alcoholfabriek 'Mercurius'. De gemeenteraad overweegt dat een dergelijke uitbreiding van de gasverlichting in het belang van de gasfabrikanten is en ook van de eigenaren van de genoemde panden. Deze voorziening is echter niet in het belang van de gemeente. Immers door het dragen van kosten voor particuliere belangen zou een gevaarlijk precedent worden geschapen. De raad wijst het verzoek daarom af.

De oplevering van de nieuwe gasfabriek verloopt moeizaam. De directeur bericht in juni 1860 dat door het afkeuren van een groot aantal buizen en door ongunstig weer en andere rampspoed er weinig vooruitzicht is dat de gasfabriek op 1 juli 1860 geheel is afgebouwd en in gebruik kan worden genomen. De gemeenteraad besluit uitstel te verlenen voor de oplevering van de fabriek en de straatverlichting met vier weken.

De commissarissen van de Maatschappij Utrechtse Gas-onderneming delen het gemeentebestuur begin augustus 1860 mee dat zij tot directeur van de Gasfabriek hebben benoemd de heer Jan Jacob van den Broecke. Ze verzoeken 'indien uw edelachtbaren inzake de levering van het gas voor uwe stad het een of ander mochten hebben, zich daartoe dan wel te willen vervoegen bij genoemde heer directeur als belast met de waarneming der belangen van onze maatschappij'.

De nieuwe directeur Van den Broecke schrijft het gemeentebestuur op 24 augustus 1860 een voor de stad bijzonder bericht met de volgende inhoud:
'Na enige tegenspoed heeft onze Maatschappij het genoegen u te berichten dat de gasfabriek thans zo goed als voltooid en in staat is licht te geven. Deze gebeurtenis is voor ons dubbel gewichtig, daar het de eerste door onze maatschappij gestichte fabriek betreft. Wij wensen deze enigszins feestelijk te vieren en hebben de eer u uit te nodigen bij de eerste ontsteking der straatverlichting op aanstaande maandagavond de 27e dezer ten 8 uur ons en onze geëmployeerden ten raadhuize te willen ontvangen, in de voornaamste straten met ons de verlichting in ogenschouw te nemen en deel te nemen aan een eenvoudig collation door ons aan u aangeboden.
Het zou tevens ons voornemen zijn aan het fatsoenlijk publiek dezer stad op dien avond in de sociëteit gelegenheid tot dansen te verschaffen, waarmede wij vertrouwen dat door u genoegen zal worden genomen'.

Bij de gasfabriek zijn de volgende personeelsleden in dienst genomen: K.M. Verloop, ingenieur te Utrecht; J.J. van den Broeke, directeur te Goes, B. Hendriks, gasfitter; D. Nonnekes, 1e medestander, en M. Fraanje, 2e medestander, (beide laatstgenoemden tevens belast met het opsteken van de lantaarns nummers 1 tot 34); J. de Jonge, 1e stoker; P. Tolhoek, 2e stoker; D. Nonnekes, lantaarnopsteker van de lantaarns nummers 35 tot en met 68 en P. Steutel, lantaarnopsteker van de lantaarns nummers 69 tot en met 102; C. den Boer, 3e medestander en belast met het opsteken en uitblussen van lantaarns; P. Mijnders, gasfitter.

In augustus 1860 verzoekt de directeur van de gasfabriek vergunning om een onderaardse waterleidingbuis te leggen uit de haven naar een te maken put op het terrein van de gasfabriek. De vergunning wordt verleend. Er bevindt zich een fraaie tekening van deze buis en het profiel tussen het kanaal en de gasfabriek in het gemeentearchief.

En dan eindelijk op de 24e augustus 1860 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de commissarissen van de Utrechtse Gas Onderneming. Deze bevat het bericht dat het voornemen bestaat om hedenavond de gemeente voor het eerst met gas te verlichten. De gemeenteraad wordt uitgenodigd daarbij tegenwoordig te zijn door het doen van een tournee met commissarissen en hun geëmployeerden door de voornaamste straten van de stad. Daarna zullen de leden van de raad een collation op de gasfabriek en een danspartij in de sociëteit 'Van Ongenuchten Vrij' met hun tegenwoordigheid vereren. Alle leden van de raad verklaren zich bereid aan die uitnodiging te voldoen.
Op 27 augustus 1860 is voor het eerst het gaslicht ontstoken. Verder heeft de verlichting met gas gedurende het overige gedeelte van het jaar plaats, maar het blijkt dat deze verre van volmaakt in orde is.

De burgemeester ontvangt begin september met een briefje van de Photografist Louis Kiek van Leijden 'een fotografisch afbeeldsel van het Stadhuis tijdens het in gereedheid brengen van het illuminatietoestel op de Markt op maandag 27 augustus 1860 ter gelegenheid van de eerste gasontsteking in de gemeente'. Het afbeeldsel wordt in het gemeentearchief geplaatst.

Er komt bij het gemeentebestuur ook op 27 oktober 1860 een brief binnen van de directeur van de Gasfabriek, Van den Broecke, met de volgende inhoud:
'Voornemens zijnde een paar arbeiderswoningen te doen daarstellen op het terrein nevens de Gaz-Fabriek, aan de zijde van de meestoof, niet meerder van staat als die van Brouwer, evenwel met dit onderscheid dat zij niet worden gesteld in gelijke lijn gemeten uit de as van de Grindweg als de Gaz-Fabriek, maar als die der meestoof, teneinde het Gezicht van de Gaz-Fabriek niet te belemmeren op de Grindweg, een en ander evenwel met bevoegdheid van de bevoegde autoriteit'. Bij de brief is een tekening gevoegd van de arbeiderswoningen. Het briefhoofd van deze brief vermeldt:

Gaz-Fabriek
GOES
Directeur
VAN DEN BROEKE

In oktober 1860 gaat de gemeenteraad akkoord met dit verzoek en geeft vergunning om op het hem afgestaan terrein naast de gasfabriek een paar arbeiderswoningen te laten bouwen.

Er zijn in december 1860 klachten over het functioneren van de gasfabriek. De burgemeester doet de gemeenteraad mededeling van zijn schrijven aan de directeur van de gasfabriek over het onvoldoende functioneren van de straatverlichting en het onverlicht laten van opgebroken en niet afgeschutte straten.
De gemeenteraad overweegt naar aanleiding daarvan dat de grindweg bij de gasfabriek zodanig modderig is dat deze niet zonder moeite en gevaar kan worden gepasseerd. Besloten wordt deze voor rekening van de gemeente ten spoedigste te laten opzuiveren en herstellen. Voortaan zal geen verlof voor het opgraven van die weg meer worden gegeven dan alleen tegen het deponeren van een waarborgsom die voldoende wordt geacht voor het bestrijden van de herstellingskosten wanneer daarin door de gemeente moet worden voorzien.
Half december kan wethouder Kakebeeke meedelen dat de grindweg langs de gasfabriek opgezuiverd en hersteld is. De gemeenteraad besluit de directeur van de gasfabriek aan te schrijven om te zorgen dat voortaan door of vanwege de fabriek en het daarin werkzame personeel geen schade aan deze weg mag worden toegebracht. Deze weg, evenals de gemeentegrond in de omtrek van de fabriek, mag op geen enkele wijze worden verontreinigd. Het thans daar liggende vuilnis dient binnen twee maal 24 uur te worden weggeruimd. Bij nalatigheid of latere overtreding zal proces-verbaal worden opgemaakt.

Gevangenis

Tot nu toe diende de Stadhuistoren als de gevangenis van de stad. Al decennia lang werd de dringende noodzaak aan een nieuw huis van arrest gevoeld.

In december 1854 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissaris van de Koning. Hij schrijft:
'Bij het verslag over de toestand van het Huis van Arrest in uw gemeente over het afgelopen jaar heeft het college van regenten over dat gesticht opnieuw de wens geuit dat een nieuwe gevangenis moge worden opgericht. De Minister van Justitie houdt zich in verband met de vroegere briefwisseling over dit onderwerp overtuigd dat de in verschillende gebouwen verspreide lokalen, welke tot nog toe tot Huis van Arrest te Goes zijn gebezigd, ten enenmale ongeschikt zijn om voortdurend tot een arrondissementgevangenis te dienen en het dringend noodzakelijk is dat aldaar in een doelmatig Huis van Arrest worde voorzien. Als gevolg daarvan verlangt de Minister te worden onderricht of de zaak zich nog bevindt in dezelfde toestand'.
Later komt er nog een brief van de Commissaris van de Koning waarin hij verzoekt geïnformeerd te worden of het gemeentebestuur nog bereid is om de daartoe aangewezen en geschikt bevonden grond van de gemeente, evenals in 1848, kosteloos aan het Rijk af te staan voor het stichten van een arrondissementgevangenis. Ook of de eigenaar van de daartoe benodigde particuliere woning nog gezind is daarvan voor een som van ƒ 1000 aan het Rijk afstand te doen. Burgemeester en wethouders besluit hierover het gevoelen van de gemeenteraad en van de eigenaar, beurtschipper C. Dronkers, te horen.

Burgemeester Blaaubeen herinnert de gemeenteraad er aan dat deze in 1848 zich bereid verklaarde om tot het bouwen van een arrondissementgevangenis af te staan aan het Rijk het zogenaamde 'Stort' buiten de Oostpoort, de Oostpoort zelf met het aangrenzende cavallier, de brugophaalderswoning en het brandspuithuisje, terwijl de daar tussen staande woning van C. Dronkers door deze voor ƒ 1000 zou worden afgestaan. Dronkers is nog steeds bereid zijn huis af te staan. Wel verlangt hij beschikbaarstelling van een ander huis in de omtrek van de kaai omdat het voor hem als schipper van belang is op of nabij de kaai te wonen. De gemeenteraad machtigt het college de Minister van Justitie in deze zin te antwoorden.
De Commissaris van de Koning krijgt daarop het volgende antwoord:
'De inhoud van uw schrijven hebben wij de gemeenteraad meegedeeld, na vooraf Cornelis Dronkers als eigenaar van het woonhuis, tot welks afstand hij zich in 1848 voor een som van f 1000 heeft bereid verklaard, te hebben gehoord nopens zijn gezindheid tot het nog afstaan van dat perceel aan het Rijk, die ons daarbij heeft te kennen gegeven alsnog tot de afstand van zijn huis bereid te zijn, wanneer hij in staat wordt gesteld een andere voor hem geschikte woning in dien omtrek te kopen, daar het voor hem als beurtschipper van belang is op of nabij de haven te wonen. In 1848 bestond dat bezwaar niet. Hij bewoonde toen een ander huis op de Kleine kaai, door hem sedert verkocht, terwijl hij het bedoelde huis thans zelf bewoont. Ook zijn de huizen in prijs gestegen. Is het wel waarschijnlijk dat hij tot aankoop van een andere voor hem geschikte woning f 1200, misschien nog meer, zal nodig hebben.
Van dat bezwaar hebben wij de gemeenteraad mede kennis gegeven en deze heeft hetzelve alleszins gegrond geoordeeld en ons gemachtigd u het volgen te berichten:
Dat de gemeenteraad alsnog bereid is het in 1848 aangewezen terrein tot de opbouw van een arrondissementgevangenis kosteloos aan het Rijk af te staan en aan u in overweging te geven om de prijs van dat huis van Dronkers te verhogen tot zonodig f 1200, te vergoeden door het Rijk, en om de gemeente te machtigen er eventueel nog f 200 aan toe te voegen. En daardoor het bewijs te leveren hoezeer de raad doordrongen is van de noodzakelijkheid van de daarstelling van een nieuwe gevangenis en van zijn ingenomenheid met de uitvoering van het vroeger beraamd plan. Het strekt ons tot genoegen u van deze goede gezindheid van de gemeenteraad en genoemde schipper Dronkers te mogen kennis geven, hopend dat dezelve zal leiden tot de vervulling van een behoefte die sedert jaren gevoeld is'.

In januari 1856 wordt, ter uitvoering van het raadsbesluit, aan de regenten over het Huis van Arrest afgestaan de grond van het zogenaamde 'Stort' ter grootte van 35 roeden en 53 ellen, het oude retranchement en de Oostpoort zelf, groot 288 ellen, het voormalige stadssecreet ter grootte van 8 ellen, het brandspuithuisje en het brugophaaldershuisje ter grootte van 26 ellen. De heren W. den Boer en L.P. de Lannee de Betrancourt stellen een proces verbaal op van de taxatie van de percelen die door de gemeente aan het Rijk worden afgestaan voor het stichten van een nieuw Huis van Arrest voor een bedrag van f 1.880,32.

Het duurt tot december 1856 voordat de ingenieur van de Waterstaat, Conrad, kan meedelen dat op 10 december de verkoop voor afbraak zal plaats hebben van het oude retranchement met de Oostpoort en de bijbehorende gebouwen. De koper zijn voorwaarden opgelegd o.a. voor het treffen van maatregelen tot voorkoming van beschadigingen aan de omringende eigendommen, tot het behoud van een geschikte passage naar de stadssingel en tot het egaliseren van de grondslag. De aardspecie uit het oude retranchement dient vervoerd te worden naar de hoek van de zoete vest buiten de Oostpoort, terwijl al de werkzaamheden moeten voltooid zijn op 1 april 1857.

De Commissaris van de Koning deelt het gemeentebestuur in mei 1858 mee dat de Minister van Justitie de door het gemeentebestuur te kennen gegeven wens om, ter gelegenheid van de bouw van een nieuw Huis van Arrest, tevens een nieuw gebouw voor de arrondissementrechtbank en het kantongerecht op hetzelfde terrein te realiseren, als billijk beoordeelt. Hij gaat er daarbij van uit dat door de gemeente Goes in de verwezenlijking daarvan wordt voorzien. De kosten daarvan kunnen niet voor rekening van het Rijk komen. Het Rijk moet geacht worden genoeg te doen door het verlenen van een geldelijke bijdrage in de kosten. Hij wenst geïnformeerd te worden over het gedeelte van de kosten dat het gemeentebestuur zou verlangen dat door het Rijk wordt gedragen. Burgemeester en wethouders overwegen dat ze onbekend zijn met de kosten die voor een dergelijke inrichting worden berekend. Besloten wordt daarover een nader onderzoek te doen.
In juni dringt de Minister van Justitie aan op uitsluitsel over het gedeelte van de kosten van de bouw voor een rechtbank en het kantongerecht dat het gemeentebestuur zou verlangen dat daarin door het Rijk wordt bijgedragen.
Het college vindt het een bezwaar om daarover enig besluit te nemen, vooral om de onbekendheid met de voor die uitbreiding te berekenen kosten. Het stelt de gemeenteraad voor om de Commissaris van de Koning bekend te maken met het op 23 juni 1855 gedane verzoek aan de Minister van Justitie. De Commissaris wordt verzocht om de minister het verlangen van de gemeenteraad nogmaals kenbaar te maken om te mogen weten hoeveel de gemeente zou moeten bijdragen in de kosten van de uitbreiding van het Huis van Arrest. Na ontvangst van die opgave kan in overweging worden genomen in hoever de financiële krachten van de gemeente het toestaan om een dergelijke bijdrage voor haar rekening te nemen.

In oktober 1858 komt er een brief van de Commissaris van de Koning over de bouw van de nieuwe gevangenis en een nieuwe rechtbank. Met deze brief wordt meegezonden het door de heren J.A.A. Netscher, hoofdcommies bij het departement van Justitie, en A.C. Pierson, ingenieur voor de gevangenisbouw, ingediend rapport over de door hen verrichte opneming van het terrein dat bestemd is voor de bouw van een Huis van Arrest en van lokalen voor de Arrondissementrechtbank en het Kantongerecht. Bericht wordt dat goedkeuring verleend is om het Huis van Arrest in te richten voor ten hoogste 69 gevangenen en van het opdragen aan de ingenieur om de nodige bestekken te vervaardigen. Ook wordt kennis gegeven dat de Minister geen bezwaren heeft tegen de realisering van een afzonderlijk gebouw voor de Rechtbank en het Kantongerecht naast de gevangenis binnen de ringmuur.
Uit het rapport blijkt dat het thans beschikbare terrein onvoldoende is en behoort te worden vergroot met de oppervlakte van de naastliggende schuur van de houtzaagmolenaars, de Gebroeders Harinck, en de stadsbeerput, die zal moeten worden verplaatst. Besloten wordt de benodigde extra oppervlakte eveneens om niet aan het Rijk in eigendom af te staan. De 57 op het terrein aanwezige olmenbomen zullen worden gerooid en verkocht. Er zal een andere beerput voor de stad worden gemaakt.
 
De Commissaris van de Koning stuurt op 27 november 1858 zijn beschikking tot goedkeuring van het bestek voor de bouw van de nieuwe gevangenis. Hij schrijft: 'Ik heb de eer u te melden dat bij het departement van justitie geen bedenkingen bestaan tegen het bij uw missive van 30 oktober gevoegde ontwerp van een overeenkomst waarbij nog enige grond voor de bouw van een huis van arrest en bewaring in uw gemeente aan het Rijk in eigendom wordt afgestaan. Het college van regenten wordt door mij gemachtigd een zodanige overeenkomst met u aan te gaan. Ik voeg voorts hierbij ter uitreiking aan de belanghebbende en om de uitvoering daarvan te bevorderen mijn beschikking van heden, houdende aanwijzing van J. den Boer, timmerman te Goes, tot het verrichten met de door u aangewezen schatter de opneming van de waarde van de nog meerder afgestane grond voor de bouw van het huis van arrest'.
Bij de betreffende stukken in het gemeentearchief bevinden zich twee interessante tekeningen, waaronder een uitgebreide situatietekening van de omliggende percelen, getiteld 'Kaart van het terrein door de stad Goes aan de Staat der Nederlanden overgedragen en aan Johannes Dekker verkocht'.

In december 1858 stuurt de Commissaris van de Koning zijn beschikking van goedkeuring van het bestek en de voorwaarden van aanbesteding van het eerste perceel van de bouw van een Huis van Arrest. Tevens ontvangt het gemeentebestuur van de Commissaris een beschikking voor de aanbesteding van de funderingswerken van de nieuwe gevangenis.

Timmerman en metselaar Johannes Dekker geeft het gemeentebestuur in januari 1859 te kennen dat hem bij raadsbesluit van 14 augustus 1858 is afgestaan 20 roeden en 13 ellen grond en 17 roeden en 96 ellen moeras. Zowel door enige verandering van het terrein voor de bouw van de nieuwe gevangenis als om andere redenen verzoekt hij het terrein, op het bijgevoegde kaartje aangeduid als wal, ter grootte van 19 roeden, 23 ellen en 47,92 ellen (thans water) voor de eerder aangeboden prijs van ƒ 300 af te staan.

De aannemers van de fundering van het nieuwe Huis van arrest bieden het gemeentebestuur op 22 april 1859 ten geschenke aan een tekening voorstellende de uitgraving van de fundering met de daaraan verbonden werkzaamheden in februari 1859, te zien vanaf de zijde van de oude Singel.

Het gemeentebestuur ontvangt in oktober 1859 een brief van Gedeputeerde Staten met bericht van goedkeuring van het raadsbesluit waarbij wordt aangenomen om voor rekening van de gemeente een vijfde gedeelte te dragen in de kosten van de stichting van een gerechtsgebouw, te voldoen in jaarlijkse termijnen van ƒ 500.

Ter afsluiting van deze paragraaf volgt hierna nog een overzicht van het vermelde over de gevangenis over de jaren 1854 tot en met 1860.
Het aantal in 1854 in bewaring gestelden is 25, waaronder 2 vrouwen. Op 31 december 1854 is van dit aantal nog 1 man over. Aan de gevangenen kon geen werk worden verschaft. Niettemin was hun gedrag onberispelijk.
In 1856 worden 44 personen in bewaring gesteld, waaronder 6 vrouwen. Het gemeenteverslag vermeldt: 'De gevangenisruimten in de stadhuistoren zijn meer dan ongeschikt. Het is niet mogelijk daarin aan de gevangenen enig werk of godsdienstige opleiding te verschaffen. Zo ergens, zeker hier, is verandering en verbetering noodzakelijk'.
In 1857 is het aantal in bewaring gestelde personen 22, waaronder 5 vrouwen. Op 31 december 1856 zijn er geen gevangenen meer aanwezig. De ongeschiktheid van de gevangenlokalen is algemeen bekend er erkend. Er bestaat dan ook uitzicht dat hierin eerlang zal worden voorzien door het bouwen van een nieuwe arrondissementgevangenis. Het gemeenteverslag vermeldt: 'Het is te hopen dat dit al vroeger voorgenomen werk niet langer wordt vertraagd, want thans is het niet mogelijk de gevangenen enig werk, godsdienstige opleiding of beweging in de open lucht te verschaffen'.
In 1858 is het aantal in bewaring gestelde personen 40.
Op 23 december 1858 is in het openbaar aanbesteed het hei- en funderingswerk voor een nieuw huis van arrest en bewaring. Deze aanbesteding wordt goedgekeurd en als gevolg daarvan is het werk aangevangen. Opgemerkt wordt in het gemeenteverslag: 'De behoefte aan een zodanig gesticht is algemeen bekend en erkend en het mag alzo een voor de gemeente belangrijke gebeurtenis genoemd worden dat de eerste hand is gelegd aan de stichting van dat gebouw'.
In 1859 is het aantal in bewaring gestelde personen 32, waarvan 27 mannen en 5 vrouwen. De bouw van de nieuwe gevangenis, waarvan het tweede perceel is aanbesteed en onder handen is, gaat langzaam voort en het laat zich aanzien dat er nog een geruime tijd verlopen zal alvorens dat gebouw in gebruik zal kunnen worden genomen.
In 1860 is het aantal in bewaring gestelde personen zelfs 65, waarvan 52 mannen en 13 vrouwen. Op 31 december 1860 is er niet een meer aanwezig.
De voeding en het onderhoud van de gevangenen is aanbesteed tegen 32 cent per persoon per dag. De geneeskundige behandeling is aanbesteed tegen 20 cent per gevangene per week. Daarvoor zijn de beambten, hun huisgenoten en de gevangenen met zorg behandeld. De gezondheidstoestand van de gevangenen is zeer goed.

Haven en sas

Goese Sas
In juni 1854 keurt het gemeentebestuur het door de ingenieur van de waterstaat J.F.W. Conraad opgestelde bestek en voorwaarden voor de aanbesteding van enige vernieuwingen aan de schutsluis aan de mond van de haven goed. De aanbesteding is op 17 juni.

In november 1854 neemt het gemeentebestuur kennis van het proces-verbaal van de opneming van de herstellingswerken aan de buiten noordelijke frontmuur van de buitensluis van het Goese Sas. Dit werk is op 1 juli 1854 aangenomen door Pieter Elenbaas voor ƒ 1.200. Er is meerwerk ontstaan ten bedrage van ƒ 426,90. Dit wordt gedekt uit de post voor onvoorziene uitgaven van de begroting 1854.
In mei 1855 is het nodig dat twee eikenhouten binnenvloeddeuren van de buitensluis van het Goese Sas worden vernieuwd en dat de sluismuren gedeeltelijk worden opgevoegd. Het werk wordt openbaar aanbesteed aan de aannemer Govert Klemkerke voor ƒ 1.943.
Ook in april 1857 is groot onderhoud aan het Goese Sas noodzakelijk. De ingenieur van de waterstaat, de heer Conrad, stuurt het bestek en de begroting van de kosten voor het vernieuwen van de binnen ebdeuren van het Goese Sas toe. Aannemer is Govert Klemkerke voor ƒ 930.
In maart 1859 ontvangt het gemeentebestuur het bestek en de voorwaarden, waarnaar zal worden aanbesteed het maken en inhangen van een paar nieuwe greinen ebdeuren in de binnensluis van het Goese sas. Voor het herstel van de binnenvloeddeuren wordt D.P. Muller in november 1860 aannemer voor ƒ 290.

Los- en ladingplaats voor goederen van en naar België
De Kamer van Koophandel schrijft het gemeentebestuur in december 1854 dat ze zich al eerder, zij het tevergeefs, heeft gewend tot de Minister van Financiën met het verzoek om Goes te willen opnemen onder de plaatsen die aangewezen zijn als los- en laadplaats voor alle goederen die van en naar België worden vervoerd.
De voorzitter zegt dat dit niet door de gemeenteraad maar door het college in 1845 is overwogen. Het college heeft toen overlegd met de voornaamste kooplieden, commissionairs en winkeliers in de stad. Daarbij bleek dat weinigen enthousiast waren.
Het college is echter bereid deze zaak opnieuw in overweging te nemen.

Suatie in de Goese Polder
In juni 1854 bespreken burgemeester en wethouders een extract uit de notulen van de Algemene Vergadering van Ingelanden van de Goese Polder van 13 april 1854, aan het college ingezonden door de directie van de Polder.
Overwogen wordt dat het zonderling mag worden genoemd om aan het college van b&w een vergunning toe te zenden die door dat college niet is gevraagd. Nog zonderlinger is dat te doen daar waar geen vergunning kan te pas komen.
Verder wordt overwogen dat het maar de vraag is of de bedoelde weide in sectie A nummers 233, 235 en 250, die voorheen deel uitmaakte van de fortificatiewerken van de stad, wel geacht kan worden tot de Goese Polder te behoren. Het is zeker dat het, door de in de dam gelegde kannebuizen, afvloeiende water verloopt in een sloot die alleen dient om die percelen van de daar langs lopende singelweg af te scheiden en die geheel op zich zelf ligt, zonder in enig verband te staan tot enige watergang of suatiemiddel van de Goese Polder.
Het gemeentebestuur concludeert dat dus in de algemene vergadering van ingezetenen er ten onrechte van uit is gegaan dat het genoemde water in de Goese Polder zou essueren. Het opzicht en toezicht van de dijkdirectie bepaalt zich tot de kanalen en leidingen die deel uitmaken van de essuatiemiddelen van de polders, waarin voorzeker zonder vergunning geen water mag worden in- of afgeleid. Maar dit strekt zich in geen geval uit tot sloten, geheel afgescheiden van de essuatiemiddelen en welker grondeigenaren goedvinden tot nut van hun gronden, door, langs of rondom deze te graven. Besloten wordt over te gaan tot de orde van de dag en daarvan aan de dijkdirectie kennis te geven.

Maar op 24 juni 1854 komt de directie van de Goese Polder andermaal terug op de vermeende essuatie van het water uit de zogenaamde zoute vest in de Goese Polder. Ze vertrouwt er op dat dit een nader onderzoek en gemeenschappelijk overleg tot gevolg zal hebben.

Buitenhaven
In augustus 1854 ontvangt het gemeentebestuur van ingenieur Conrad het bestek en een berekening van de kosten van vernieuwing en herstellingswerken aan de buitenhaven. Deze werkzaamheden worden openbaar aanbesteed op 26 augustus 1854 aan I. Tukker voor ƒ 1.630. Ingenieur Conrad overlegt op 1 februari 1855 een proces-verbaal van de opneming van de herstelling en vernieuwingswerken aan de buitenhaven. De kosten hebben bedragen f 1726,29. Daar komt bij dat de kosten van herstelling van de binnen vloeddeuren van het sas, aanbesteed op 2 december 1854 aan W. de Jonge voor ƒ 200, hebben bedragen ƒ 327,77.
In juni 1855 vindt de openbare aanbesteding plaats van de steenglooiing aan de noordelijke buitenhavendam. Aannemer van het werk is Leendert Tukker voor ƒ 1.290. Ook het maken en inhangen van een paar nieuwe vloeddeuren aan de havensluis wordt aanbesteed voor ƒ 1.943. Hieruit blijkt dat deze werken steeds grote kosten vereisen. Er is echter uitzicht dat, zonder buitengewone rampen, deze voortaan zullen verminderen.
 
In juni 1857 wordt openbaar aanbesteed het aanbrengen van 125 vierkante ellen Vilvoordsche steenglooiing op de noordelijke nol van het Goese Sas aan J.L. Dingemans als gemachtigde van de heer D.A. Dronkers voor ƒ 370 en het herstel van de havenboorden over 950 strekkende ellen aan aannemer S. Lamsue voor ƒ 700.

Ook in 1858 wordt het herstel van de havenboorden voortgezet. Het gemeentebestuur gaat in maart 1859 akkoord met de aanbesteding van de steenglooiing aan de buiten- en binnenhaven overeenkomstig het bestek van de ingenieur van de waterstaat Conrad.

Dwarskanaal van havenkanaal naar de zaagmolen
Ingekomen is een brief van de dijkdirectie van de Goese Polder met verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld om de toestand op te nemen waarin de schutbalken zich bevinden tot afsluiting van de heul over het dwarskanaal buiten de voormalige havenpoort. Onderzocht zal worden wat hierover indertijd is bepaald.

De directie van de Goese Polder dient in mei 1856 een verzoek in bij het gemeentebestuur voor het opnemen van de schutbalken voor het sluisje aan het dwarskanaal uit de haven naar de zaagmolen.
Uit onderzoek blijkt dat de gemeenteraad bij brief van 22 april 1820 aan de dijkdirectie van de Goese Polder kennis heeft gegeven te overwegen om de heul over het dwarskanaal buiten de Havenpoort, die leidt van de haven naar de zaagmolen, zodanig in te richten dat deze door middel van schutbalken in daarvoor opzettelijk gemaakte sponningen kan worden afgesloten en dat aan de directie jaarlijks gelegenheid wordt gegeven deze balken te inspecteren. Overwogen wordt dat er sinds die tijd vele veranderingen zijn aangebracht in de zeeweringen van de Goese Polder door o.a. vergravingen. Het is daardoor twijfelachtig of de schutbalken nodig en voor het oogmerk voldoende zijn. Ook is het zo dat de balken onbruikbaar geworden zijn en er nieuwe zouden moeten worden gemaakt. Besloten wordt ingenieur Conrad van de waterstaat te verzoeken een onderzoek in te stellen. Conrad komt met een zeer uitgewerkt rapport, vergezeld van een situatiekaart van de waterkering van de Goese Polder. Het rapport komt er op neer dat het noodzakelijk is om het sluisje af te kunnen sluiten tot beveiliging van de Goese Polder. Hij doet een tweeledig voorstel om daartoe te geraken. Tevens deelt hij mee dat de indertijd aanwezige schutbalken door de worm zijn verteerd, krom getrokken en ten enenmale onbruikbaar. Besloten wordt deze stukken toe te sturen aan de directie van de Goese Polder met de uitnodiging om een conferentie hierover te houden. Ingenieur Conrad wordt hartelijk bedankt voor de moeite die hij aan het onderzoek en het rapport gegeven heeft. De conferentie wordt gehouden op 5 juni 1856. Daarbij geeft de heer Conrad een nadere toelichting aan de hand van een door hem gemaakte situatietekening.

Het gemeentebestuur bespreekt op 6 juni 1856 het verzoek van de directie van de Goese Polder om de schutbalken te mogen onderzoeken die in 1820 zijn aangebracht tot afsluiting van de Goese Polder van de haven door het dichten van het sluisje aan het kanaal naar de zaagmolen. De voorzitter, burgemeester Blaaubeen, betoogt dat deze zaak zijn oorsprong heeft in het wegbreken in het jaar 1820 van een stenen beer in het dwarskanaal die voorzien was van een schof. Bij deze gelegenheid zijn de schutbalken, bestemd voor het afsluiten van de polder, aangebracht. Door het wegbreken van de stenen beer stond de Goese Polder bloot aan het indringen van het water, wanneer bij onvoorziene omstandigheden het water een buitengewone hoogte mocht bereiken.
Gebleken is nu dat deze balken door de paalworm verteerd, krom getrokken en ten enenmale onbruikbaar zijn. Het rapport van de geraadpleegde deskundige toont aan dat het noodzakelijk is de polder daar ter plaatse af te sluiten. De kosten verbonden aan de aanschaf van nieuwe schutbalken en het herstellen van de sponningen worden berekend op ƒ 200. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.

In oktober 1856 stelt het gemeentebestuur de voorwaarden vast op basis waarvan burgemeester en wethouders publiek en aan de meestbiedende zullen trachten te verpachten de volgende percelen gemeentegrond, te weten:

  • 1e perceel: 18 roeden en 10 ellen hoveniering, gelegen in de zoute vest, onder aan de stadswal, in wijk D 1116, tegenover de zaagmolen;
  • 2e perceel: de dijk aan de korenmolen 'de Koornbloem', van het telegraafkantoor lopende voorbij de molen tot aan het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest in wijk D 1146, groot 47 roeden en 90 ellen.

In mei 1858 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de dijkdirectie van de Goese Polder. Hierin stelt de directie voor om tegen de door de gemeente aangeboden vergoeding van ƒ 200 het dwarskanaal van de haven naar de zaagmolen ter afsluiting te voorzien van schofbalken. Tevens verzoekt de directie om een bergplaats voor deze balken in de nabijheid van het sluisje of de heul te maken.
Het gemeentebestuur overweegt dat de directie, in afwijking van het vroeger voornemen om het als afsluiting van het dwarskanaal van de haven naar de zaagmolen dienende sluisje door het maken van een schof meer zeker en bestendig te maken, nu een afsluiting door schofbalken voldoende vindt. Daardoor kan het indertijd gedane aanbod vanwege de gemeente om ƒ 200 bij te dragen in de kosten van die afsluiting komen te vervallen. De aanschaf van schofbalken en het herstel van de daarvoor nodige sponningen of sloven zal minder kosten veroorzaken dan die bijdrage. Besloten wordt van gemeentewege te zorgen voor nieuwe schofbalken en de plaatsing daarvan.
In juni daaropvolgend komt bij het gemeentebestuur een brief binnen van de dijkdirectie van de Goese Polder met de kennisgeving dat zij verlangen over te gaan tot het maken van schofbalken voor het afsluiten in tijd van nood van de sluis of stenen heul in het dwarskanaal van de haven buiten de voormalige buitenhavenpoort. Ze vragen hiervoor een vergoeding van ƒ 200 van de gemeente. De voorzitter, burgemeester Blaaubeen, herinnert aan een besluit van de gemeenteraad van 5 juni 1856 waarbij hiermee akkoord is gegaan doch zonder een bijdrage van de gemeente toe te zeggen. De gemeenteraad verleent aan het voornemen van de directie van de Goese Polder zijn goedkeuring voor het laten maken van de benodigde schofbalken en sponningen of sloven. De kosten daarvan zullen later gevonden dienen te worden uit de gewone kosten van de vernieuwing van de haven, desnoods door af- en overschrijving van de post onvoorziene uitgaven.
In april 1859 maken de Gebroeders Harinck van de zaagmolen bezwaar tegen de afsluiting van het dwarskanaal van de haven naar hun zaagmolen. Hiertoe is het gemeentebestuur sinds enige dagen overgegaan tot voorkoming van het ontijdig openen van het schof.

Schutten vaartuigen aan het Goese sas
In juni 1858 komen er klachten binnen van de heer A. van IJsselsteijn te Zierikzee wegens ondervonden vertraging op 10 juni tijdens zijn reis met de beurtschipper van Goes op Zierikzee door het niet tijdig schutten van het beurtschip aan het Goese sas. Het gemeentebestuur overweegt dat uit een en ander blijkt dat de sasmeester, hoewel ten tijde van het voorval te bed liggende, niettemin oorzaak is van het door de beurtschipper op Zierikzee ondervonden oponthoud door de verkeerde orders die hij aan zijn knecht had gegeven.
Eveneens overweegt het gemeentebestuur dat de sasmeester en zijn knecht zich door fooien nu en dan schijnen te laten bewegen om de een spoediger en meer dan de ander behulpzaam te zijn in het doorschutten van de havensluis.
Besloten wordt de sasmeester G.C. van Blitterswijk het ongenoegen van het gemeentebestuur te betuigen over het gebeurde met de beurtman op Zierikzee. Hij krijgt een ernstige waarschuwing. Verder wordt hem dringend verboden onder welk voorwendsel ook geschenken of fooien aan te nemen of door zijn knecht of huisgenoten te laten aannemen.

Afsluiten spuisluis tussen achterhaven en stadshaven
De directeur van de garancinefabriek, dr. Van Renterghem, wijst de gemeenteraad in juli 1858 o.a. op het uitlozen in de stadshaven van de secreten van de huizen op de Kleine Kade door een opening in de voormalige waterkorenmolen en aan het huis van de heer C. de Fouw. Voorzitter, burgemeester Blaaubeen, merkt op dat al voor de ontvangst van de brief van Van Renterghem besloten was een muur te plaatsen onder de oude spuisluis van de watermolen om de uitlozing van de mestspecies uit de voormalige achterhaven te stuiten. Het uitvloeien van het secreet van het huis van de heer C. de Fouw is echter een verkregen recht. Dit zal de gemeente moeten lijden als reeds zo vele jaren bestaand dat er geen termen bestaan dit te beletten.

Opslikken van de haven
In september 1858 wijst de Kamer van Koophandel op bij haar gerezen bezwaren tegen het opslikken van de haven als gevolg van het afnemen van de oever door de vaart van de stoomboot. Ze pleit voor maatregelen in het belang van handel en scheepvaart.
Het gemeentebestuur overweegt dat door de stoomvaart door de haven de oever gedurig afneemt, wat een ophoping van grond onder water tot gevolg moet hebben. Besloten wordt hierover het gevoelen van drie deskundigen in te winnen.

Oude haven
In juli 1860 stelt het gemeentebestuur de voorwaarden vast waarop de openbare verpachting van 2 bunders, 74 roeden en 87 ellen gemeentegrond, liggende in de oude haven, zal plaatsvinden.

Achterhaven
In april 1857 bericht de heer W. de Laat de Kanter het gemeentebestuur het volgende: 'Gisteren in den namiddag het door mij van uw vergadering de 13 januari 1855 gepachte land, gelegen in de zogenaamde achterhaven, bezoekende, bevond ik, dat op dien grond was uitgestort een hoop aarde, kalk en steenpuin, afkomstig van de afbraak van een der belendende percelen. Reeds veel overlast ondervindende van de kant der omliggende bewoners, die gestadig door het leggen van planken over de scheidingsloten het erf bezoeken en het als een publiek veld schijnen te beschouwen, was het mij dubbel onaangenaam van een daar bezig zijnde metselaar te vernemen dat die uitstorting op het bedoelde land geschiedt soms op last van de opzichter der gemeentewerken. Voor het geval deze opgave met de waarheid overeenkomt, zal het mij aangenaam zijn, indien uw vergadering deze beambte zou willen verbieden dergelijke bevelen te geven en tevens de opruiming van het thans daar nedergeworpene bevordere'.

Klachten over onvoldoende diepgang haven
De ingenieur van de Waterstaat, de heer J.F.W. Conrad, stuurt het gemeentebestuur in juni 1855 een rapportage toe over de dagelijkse vloedhoogten die gedurende het jaar 1854 zijn waargenomen aan het Goese sas, een zogenaamde grafische lijn. Het gemeentebestuur besluit dit rapport met genoegen te accepteren en te deponeren in het archief.

In september 1860 zijn er klachten dat de sasmeester soms schepen in de haven toelaat waarvan de capaciteit of diepgang te groot is om bij de bestaande waterstand de haven te passeren zonder hinder toe te brengen aan andere vaartuigen.
Het gemeentebestuur besluit de sasmeester aan te schrijven en voor zoveel nodig te gelasten geen schepen door het sas in de haven toe te laten die de haven niet behoorlijk kunnen bevaren zonder andere schepen daarin te belemmeren, tenzij op een daartoe bekomen machtiging een voldoende hoeveelheid water is binnen gelaten.

Kaaien
De houthandelaren, de Gebroeders Harinck, schrijven in november 1855 een brief naar het gemeentebestuur met hun bezwaren tegen het afstaan van grond in erfpacht aan Johannes Dekker aan de Boomkaai. Besloten wordt onderzoek te doen naar deze bezwaren en een daarop gebaseerd voorstel aan de gemeenteraad te doen.

Bij de begrotingsbehandeling in oktober 1856 besluit de gemeenteraad om het laden en lossen van schepen aan de Kleine Kaai zoveel mogelijk te weren. Deze kade is daarvoor niet geschikt.

Deze jaren worden ook arduinstenen zerken op een gedeelte van de kaaimuren gelegd. De laagste inschrijvers zijn de aannemers Willem de Beste voor ƒ 2.500 en G.R. Warrens voor ƒ 410.

Kaden en kaaiklok

In de toren van de Sint Maartenspoort bij de Sint Maartensbrug bevindt zich de zogenaamde 'kaaiklok'. Als de zogenaamde kaaikloktoren en de Sint Maartenspoort op de nominatie staan om gesloopt te worden is het gemeentebestuur in mei 1854 bedacht op de verplaatsing van de kaaiklok. Het pand van de voormalige waterkorenmolen aan de Kleine Kade, thans dienend als soepkokerij voor de economische spijsuitdeling, is hen daartoe het best voorgekomen. Er wordt een plan met een bestek en begroting opgesteld.
Zodoende krijgt het uurwerk een plaats in het zogenaamde 'soepuus' aan de Kleine Kade. Van dit gebouw kan de sleutel niet aan een ieder worden toevertrouwd. Het gemeentebestuur besluit het opwinden en het dagelijks onderhoud van het uurwerk in het gebouw van het 'soepuus' op te dragen aan de soepkoker bij de economische spijsuitdeling.

In oktober 1854 komen er van G. van de Velde klachten. Hij heeft van de bewoonster van het hem toebehorende woonhuis, staande tussen de twee waterpoorten in wijk B nummer 139, vernomen dat het doorregent als gevolg van toegebrachte schade bij het afbreken van de kaaikloktoren. Hij verzoekt de gemeente hierin te voorzien.

In april 1860 wordt het bestek en de voorwaarden voor de aanbesteding van het herstelwerk aan de kaaimuren vastgesteld. Het betreft enige vakken kaaimuur van 21 stuks houten treden van de trap met de hardstenen bovendorpel. De aanbesteding vindt plaats op zaterdag 7 april 1860. Bij de stukken bevindt zich een gedetailleerde tekening.

Kanaal door Zuid-Beveland

In december 1856 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de commissie uit de Goese Kamer van Koophandel en Fabrieken over het geprojecteerde kanaal door Zuid-Beveland. Betoogd wordt dat het wenselijk is om in de voorgenomen richting van het kanaal een wijziging te bewerkstelligen. Vanwege de vereiste spoed beklemtoont de Kamer van Koophandel maatregelen te nemen tot voorkoming van het aannemen van een wet tot gedwongen onteigening terzake.
Een week later komt er opnieuw een brief van de commissie uit de Kamer van Koophandel. Daarin wordt aangedrongen op een spoedige mededeling van de medewerking van het gemeentebestuur waarop bij de eerste brief is aangedrongen. Besloten wordt de commissie te kennen te geven 'dat deze vergadering zwarigheid moet maken vooralsnog tot het gewenste doel mede te werken ter vermijding van de schijn alsof men het belang dezer gemeente en niet die van het algemeen op het oog heeft'.
Op 7 maart 1857 komt er een brief van de Commissaris van de Koning met de beschikking van 14 februari 1857 van de Minister van Binnenlandse zaken voor de Kamer van Koophandel en Fabrieken tot afwijzing van hun verzoekschrift om een veranderde richting te geven aan het kanaal door Zuid-Beveland. Het gemeentebestuur beschouwt deze zaak thans als afgedaan.

De Kamer van Koophandel schrijft in januari 1859 een vier pagina's grote brief aan de gemeenteraad over de wenselijkheid van een andere richting van het kanaal door Zuid-Beveland. Dit zowel in het algemeen belang van de scheepvaart als in het bijzonder belang van de gemeente Goes. Een samenvatting van dit schrijven volgt hier. Ze heeft steeds getracht van haar zijde zich op de hoogte te houden van de gang van zaken in deze zo gewichtige aangelegenheid. In 1857 heeft de Kamer, ondanks ondersteuning van zelfs de regeringen van België en Pruisen, een afwijzende beschikking ontvangen van de minister. Het hoofdbezwaar was dat de werkzaamheden al te ver gevorderd waren om daarin nog verandering te brengen. Bovendien zou het verzoek van de Kamer van Koophandel, volgens de minister, ongetwijfeld zéér grote geldelijke offers hebben gevorderd.
Thans ligt de situatie anders, nu de positie van het gouvernement tegenover de concessionarissen ten enenmale anders is. Nu niet aan de bepalingen van de vroegere concessie is voldaan en nieuwe onderhandelingen moeten worden gevoerd. In ieder geval staat het de regering vrij om met het oog op het algemeen belang een meer doelmatige richting voor het kanaal vast te stellen. De Kamer van Koophandel meent dat nu wellicht de belangen voor de gemeente Goes met vrucht kunnen worden voorgestaan bij het ministerie.
En hoewel door de gemeenteraad het vorig pleidooi van de Kamer niet naar waarde is erkend geworden, heeft de Kamer toch steeds alleen haar roeping zich voor ogen gesteld om daar, waar zij meende in het algemeen belang en voor deze gemeente in het bijzonder iets te kunnen uitwerken, zonder persoonlijke consideraties. Het ontbreekt de Kamer echter aan de middelen om zélf met die energie en kracht te handelen als zij vermeent zo dringend noodzakelijk is in het belang van deze gemeente.
De Kamer kan nu alleen de hulp van anderen inroepen om te doen wat zij anders gaarne zelf doen zou.
 
Inmiddels heeft de president van de Kamer van Koophandel te Rotterdam, tevens lid van de Eerste Kamer, openlijk in die kamer de tegenwoordige richting van het Kanaal bestreden. En het lid van de Tweede Kamer, mr. L.J. van Deinse, beloofde van zijn zijde de Goese Kamer van Koophandel die medewerking en ondersteuning, die deze zaak ook in zijn oog verdient. Daardoor is het uitzicht geopend dat deze aangelegenheid eerstdaags in het openbaar zal worden besproken.
De Kamer van Koophandel vertrouwt erop dat haar schrijven bij de gemeenteraad een gunstig onthaal zal vinden. Ze beveelt aan niet langer stil te zitten en af te wachten wat door de hoge regering in deze zal worden beslist, maar van zijn zijde alles in te spannen om zo mogelijk nog te herstellen wat vroeger verzuimd is. Ze roept dus de medewerking in van de gemeenteraad of het college om haar geringe pogingen bij de hogere regering krachtdadig te ondersteunen. De brief is ondertekend door C. Pilaar, voorzitter, en C.H. Schetsberg, secretaris.

De Kamer van Koophandel geeft in februari 1859 het gemeentebestuur tot haar leedwezen en bevreemding kennis dat haar nergens uit gebleken is dat haar uitvoerige missive van 11 januari bij de gemeenteraad in behandeling is geweest, zelfs niet uit het gewone verslag in de Goessche Courant. En omdat het voor de Kamer om verschillende redenen van belang is het lot daarvan te kennen, zo neemt zij de vrijheid beleefd te verzoeken haar wel te willen informeren:

  • of genoemde missive bij de gemeenteraad ingekomen en bediscussieerd is;
  • zo ja, of de Kamer dan de eer is te beurt gevallen dat haar gevoelens over het kanaal door de gemeenteraad worden gedeeld;
  • zo dit het geval mocht zijn, te worden geïnformeerd of vanwege het plaatselijke bestuur reeds pogingen zijn gedaan of zullen worden gedaan en zo ja, welke.

Burgemeester en wethouders antwoorden de Kamer dat haar brief in een besloten zitting van de gemeenteraad op 27 januari 1859 is besproken. Het college zal de gemeenteraad toestemming vragen hierover mededelingen te doen over hetgeen besloten is. Een week later wordt de Kamer van Koophandel meegedeeld dat het aan het merendeel van de gemeenteraad is voorgekomen dat het een ijdel pogen zou zijn nu nog op verandering van de richting van het kanaal door Zuid-Beveland aan te dringen en dat het althans ontijdig zou zijn dit nu nog te doen van de zijde van het gemeentebestuur en dus in het blijkbaar belang van deze gemeente.

Kerkgebouwen

Grote kerk
Over de Grote of Maria Magdalenakerk zijn over deze jaren weinig bijzonderheden te vermelden.

Schutterstukken in het koor
Heel bijzonder is als in 1854 in het koor van de Grote Kerk de eeuwenoude negentien schuttersstukken worden gehangen. De gemeenteraad is akkoord gegaan met het voorstel van de gemeentearchivaris J. ab Utrecht Dresselhuis om de op de zolder van het Stadhuis liggende schuttersstukken op te hangen in het koor van de Grote Kerk.
In mei 1854 wordt het de geschikte tijd gevonden om de schilderijen van de voormalige schuttersgilden in het koor te plaatsen. De schuttersstukken worden naar de kerk gebracht. Besloten wordt 'de weleerwaarde zeer geleerde heer J. ab Utrecht Dresselhuis, die indertijd heeft te kennen gegeven bij die plaatsing gaarne te zullen assisteren, uit te nodigen daartoe enige ogenblikken te willen afzonderen en op te geven wanneer dit zijn eerwaarde zal conveniëren'.

Uurwerk in de toren
Sinds 1839 is het opwinden en onderhouden van de uurwerken in de toren van de Grote Kerk gegund aan de heer P.M. Smolders. Het komt het gemeentebestuur in oktober 1854 voor dat voortzetting hiervan in strijd is met de bepalingen van de gemeentewet omdat het vergeven van dergelijke functies in het openbaar dient te worden aanbesteed. Hierin dient toch verandering gebracht te worden omdat door het afbreken van de zogenaamde kaaikloktoren van de Sint Maartenspoort het zich daarin bevindende uurwerk is overgebracht naar het zogenaamde 'soepuus', het gebouw van de economische spijsuitdeling aan de Kleine Kade. Het opwinden en onderhouden van het uurwerk in de toren van de Grote Kerk zal publiek worden aanbesteed.
In november 1854 stelt de gemeenteraad de voorwaarden van de besteding voor het opwinden en onderhouden van de uurwerken van de gemeente, het schoonmaken daarvan en dat van de kaaiklok, vast. Bij de openbare aanbesteding worden deze werkzaamheden gegund aan de horlogemaker Antonie Cornelis Koopman.

Klokkenspel
Bij de behandeling van de begroting voor 1858 in de vergadering van de gemeenteraad van oktober 1857 komt het herstel van het carillon in de toren van de Grote Kerk aan de orde. Niet alle raadsleden zijn tevreden met het klokkenspel. Raadslid Fransen van de Putte 'beschouwt dit als een artikel van weelde en is er tegen hieraan ƒ 500 ten koste te leggen'. De voorzitter merkt op 'dat het carillon niet meer te behouden is, maar geheel moet worden hersteld en grotendeels vernieuwd of zal moeten wegvallen, hetgeen de burgerij zijns inziens geen genoegen zou doen'. Raadslid Van den Bosch is het in zover eens met de heer Fransen van de Putte indien de vernieuwing zich alleen zou bepalen tot klepels en draden. Wethouder J.W. van Kerkwijk merkt echter op dat ook de hamers en tuimelaars vernieuwd moeten worden. Als dit niet gebeurt zal het klokkenspel geheel moeten stilstaan. Met uitzondering van de heren Fransen van de Putte en Van den Bosch besluit de gemeenteraad om de post van ƒ 500 in de begroting te handhaven.
In 1857 komt er ook een nieuwe klokluider. Aan Johannes Mulder wordt ontslag verleend uit zijn betrekking van klokluider van de gemeente vanwege zijn emigratie naar Noord Amerika. In zijn plaats komt Guiljaam Legerstee.

Van november 1854 dateert het volgend overzicht van het onderhoud aan het carillon gedurende de jaren 1841 tot en met 1851. In totaal is bekostigd voor:

  • het versteken van het carillon ƒ 260;
  • het opwinden daarvan ƒ 2.750;
  • het onderhoud door Smolders ƒ 526,82;
  • het onderhoud door anderen ƒ 700,80, waaronder in 1849 een uitgaaf aan de klokkengieterfirma Petit & Fritsen van ƒ 350.

Koopmansbeurs

Nog steeds is er sprake van 'de oude koopmansbeurs' of in de volksmond 'Den Oude Beurs' op de hoek Grote Markt/Sint Adriaanstraat. Dit gebouw is deze jaren in gebruik als magazijn voor fournituren van de gevangenen, voor wachtkamer voor de politie en voor exercities van de leden van de schutterij op winteravonden.
In november 1854 deelt de voorzitter, burgemeester Blaaubeen, de gemeenteraad mee dat men al eerder gedacht heeft aan een verbouwing van het oude beursgebouw om dit in te richten tot een doelmatig gebruik voor gemeentelijke doeleinden. De financiële toestand liet dit echter niet toe. Voorlopig zal er ook geen financiële ruimte zijn om het verbouwplan te verwezenlijken. Voor het huidige gebruik echter is het noodzakelijk om het dak te herstellen omdat het op verscheidene plaatsen inregent.

Er is een berekening van kosten opgesteld om van de bekoepelde daken van de oude koopmansbeurs, ook genoemd 'Den Oude Beurs', het oude versleten schaliedak af te nemen en dit te beleggen met nieuwe blauwe vlakke pannen. De kosten zijn begroot op ƒ 337,66.

De nieuwe korenbeurs op de Grote Markt is nog steeds in bedrijf. In februari 1860 wordt de grond achter de korenbeurs op de Grote Markt in wijk A nummer 4 tegen een pachtsom van drie gulden per jaar verpacht aan mr. J.J. van Deinse, de president van de arrondissementrechtbank.

Manhuis

Het oude mannen- en vrouwenhuis, het 'Manhuis', aan de Zusterstraat dient deze jaren voor de huisvesting van gealimenteerden.
In juni 1854 stelt het gemeentebestuur het bestek en de voorwaarden vast voor het maken van een nieuw secreet en andere herstelwerkzaamheden in het Manhuis.
In juni 1860 worden herstellings- en vernieuwingswerken aan het Manhuis uitgevoerd. De aannemer zal in het Manhuis 'aan het gelint rond de bleek moeten stellen 8 stuks eiken palen van 1.75 meter lang'. Voor de welput moet hij leveren een nieuw ijzeren gegoten wiel. In de voorgevel van het gebouw dient de aannemer een vierkante el muurwerk uit te kappen en op te voegen.

Plein buiten Ganzepoort

Buiten de Ganzepoort en de -brug ligt het zogenaamde 'Plein buiten de Ganzepoort'.

Bartel Meijer, smidsknecht wonende te Kloetinge, geeft het gemeentebestuur in maart 1855 te kennen dat hij door koop eigenaar is geworden van een schuur staande op het 'Plein over de Ganzepoort'. Hij heeft het voornemen zich binnen enige dagen metterwoon in de Voorstad te vestigen en deze schuur in te richten om daar paarden te stallen, speciaal op dinsdagen. Hij krijgt hiervoor toestemming. De paarden dienen bij hem gestald te worden mits de passage niet gestremd of bemoeilijkt en geen hinder aan de bewoners van die omtrek veroorzaakt wordt.
In januari 1856 schrijft Jan Warrens het gemeentebestuur dat een gedeelte van zijn schuur, staande tegen het Plein buiten de Ganzepoort in wijk E nummer 122, door de storm is ingestort. Hij krijgt toestemming de schuur af te breken en weer opnieuw op te bouwen.

De gareelmaker Johannes Babtist Arentz verzoekt het gemeentebestuur in april 1858
ontslagen te worden van de erfpacht van twee roeden en veertig ellen gemeentegrond, liggende op het plein buiten de Ganzepoort in de Voorstad en in de publieke weg. Deze grond was hem in september 1856 afgestaan om daarop een schuur te bouwen. Het is hem gebleken dat de bouw van de schuur niet met zijn belang strookt en dat hij door een verandering van zijn achterhuis beter zijn oogmerk kan bereiken.

In mei 1859 krijgt P.B. Schaap vergunning voor het bouwen van een stal naast zijn woonhuis op het Plein buiten de Ganzepoort. Schaap dient ook een verzoek in om vergunning om op de hem in erfpacht afgestane grond op het Plein buiten de Ganzepoort een gedeelte van het terrein bestemd voor stalling te gebruiken voor het stichten van vijf woonhuisjes volgens een overgelegde schetstekening. Het gemeentebestuur wijst dit verzoek van de hand. Al eerder is besloten om deze grond te bestemmen voor het stichten van een herberg met stalling overeenkomstig een overgelegde schetstekening.
De herbergier Adriaan de Winter deelt de gemeenteraad in december 1860 mee dat de stalling, gesticht door zijn voorganger P.B. Schaap, op de hem in erfpacht gegeven gemeentegrond op het Plein buiten de Ganzepoort, thans hem in eigendom toebehoort. Hij verzoekt deze stal in te mogen richten tot woning overeenkomstig de door hem overgelegde schetstekening. Besloten wordt het verzoek in te willigen.

De in de Voorstad wonende winkelier Bartel Meijer verzoekt in juni 1860 gemeentegrond in erfpacht op het Plein buiten de Ganzepoort voor het plaatsen van wagens waarvan de paarden bij hem worden gestald. Het gemeentebestuur willigt dit verzoek in voor 103 vierkante ellen gemeentegrond op het Plein buiten de Ganzepoort in wijk C nummer 549. De grond, zonder omheining, zal uitsluitend gebruikt mogen worden voor het plaatsen van wagens. Daardoor mag de passage niet bemoeilijkt en geen hinder aan de bewoners van die omtrek toegebracht worden.

Pontveer tussen Wolphaartsdijk en Cortgene

In mei 1858 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de gemeente Cortgene. Daarin wordt de wenselijkheid betoogd van een pontveer, geschikt voor paarden en rijtuigen, tussen de eilanden Zuid- en Noord Beveland, namelijk van Cortgene op Wolphaartsdijk. De gemeente Cortgene heeft het voornemen om daartoe pogingen aan te wenden bij het provinciaal bestuur. Hiervoor roepen ze ook de medewerking, desnoods in de vorm van een geldelijke bijdrage, van het gemeentebestuur van Goes in. Als reden wordt genoemd 'de gedurige betrekking waarin een groot aantal bewoners van Zuid- en Noord Beveland tot elkander staat'.
De gemeenteraad van Goes is echter van oordeel dat, hoe wenselijk dit veer ook zou zijn, dit een provinciaal belang is. Bovendien kunnen de gemeentelijke fondsen deze uitgaaf niet dragen. Ook betwijfelen sommige raadsleden of er veel gebruik van het veer zal worden gemaakt. De raad steunt unaniem het voorstel van het college om niet op het verzoek van de gemeente Cortgene in te gaan.

Poorten

Algemeen
De stad telde vanaf het begin van de 15e eeuw of wellicht nog eerder de volgende zeven stadspoorten:

  • de Ganzepoort, aan het einde van de Ganzepoortstraat;
  • de Koepoort, aan het einde van de Wijngaardstraat;
  • de westpoort of 's-Heer Hendrikskinderenpoort, aan het einde van de 's-Heer Hendrikskinderenstraat;
  • de Sint Maartenspoort of Donkere poort of Binnenhavenpoort, bij de Sint Maartensbrug aan het einde van de Kleine Kade;
  • de Bleekveldse poort, bij de Sint Maartensbrug aan het begin van de Albert Joachimikade;
  • de Oostpoort, bij de Sint Maartenbrug aan het begin van de Oostwal;
  • de Hoofdpoort of Buitenhavenpoort.

Er is in de jaren 1845 tot 1860 een proces gaande om alle stadspoorten weg te ruimen.
Nog in november 1845 berichtten Gedeputeerde Staten dat een kennisgeving van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken was ontvangen waarbij 'des Konings begeerte werd medegedeeld dat nergens waar poorten of wallen aanwezig zijn, de wegruiming daarvan plaats hebbe'.

Het gemeentebestuur schrijft Gedeputeerde Staten in februari 1855: 'Wij hebben de eer u hiernevens te zenden het besluit van de gemeenteraad tot het afbreken van drie poorten van deze gemeente, die veel kosten van herstelling en onderhoud zouden veroorzaken en zeer goed kunnen gemist worden. Wij verzoeken daarvoor de goedkeuring van uw college te mogen erlangen'. Enkele weken hierna berichten Gedeputeerde Staten hun goedkeuring van het raadsbesluit tot openbare verkoop voor afbraak van de beide zogenaamde waterpoorten en voor de afbraak van de zogenaamde Koepoort.

Gedeputeerde Staten delen in augustus 1856 mee dat de vraag zich heeft voorgedaan of de aanschrijving van de Koning van 1845 nog wel van kracht kan worden beschouwd en of zij niet geacht moet worden door de (nieuwe) gemeentewet vervallen te zijn. Het heeft nu Zijne Majesteit behaagd bij kabinetschrijven van de 17e augustus te beslissen dat de bedoelde aanschrijving als niet meer verbindend is aan te merken. De brief van Gedeputeerde Staten luidt alsvolgt:
'Bij besluit onzer vergadering van de 7 november 1845 werd te uwer kennis gebracht een aanschrijving van de toenmalige minister van binnenlandse zaken, waarbij des Konings begeerte werd medegedeeld, dat nergens waar poorten of wallen aanwezig zijn, de wegruiming daarvan plaats hebbe. De vraag heeft zich voorgedaan of die aanschrijving nog wel van kracht kan worden beschouwd en of zij niet geacht moet worden door de gemeentewet vervallen te zijn. Het heeft Zijne Majesteit behaagd bij kabinetschrijven van de 17e dezer te beslissen dat de bedoelde aanschrijving als niet meer verbindend is aan te merken. Wij hebben de eer, volgens het verlangen van Zijne Excellentie de Minister van Binnenlandse zaken deze beslissing te uwer kennis te brengen'.
Dit geeft de gemeenteraad de vrijheid om in de jaren 1845 tot 1860 te besluiten tot de afbraak van alle stadspoorten.

's-Heer Hendrikskinderenpoort of Westpoort
In november 1854 stelt de gemeenteraad het bestek en de voorwaarden vast voor het droogleggen van de grond buiten de zogenaamde 's-Heer Hendrikskinderenbarrière in de vroegere zoute vest. Op grond van deze voorwaarden zullen burgemeester en wethouders trachten aan de meestbiedende in het openbaar te verpachten de droog gemaakte grond in de vroegere zoute vest buiten en aan de noordzijde van de zogenaamde 's-Heer Hendrikskinderen barrière, uitmakende een gedeelte van sectie D nummer 941, ter grootte van 63 roeden en 50 ellen, voor zeven jaar. De verpachting dient voor het beweiden van de grond met paarden, hoornvee en schapen. Het gaat om de droog gemaakte grond van de gemeente, liggende in de zoute vest aan de noordzijde van de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière.

De logementhouder en koemelker Hermanus Werri deelt het gemeentebestuur in juli 1855 mee dat hij bij openbare verpachting van 25 november voor 14 jaar heeft gepacht de droog gemaakte grond aan de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière. Bepaald is dat deze grond moet worden gebruikt voor het beweiden met paarden en hoornvee. Na de grond daartoe in orde te hebben gebracht, heeft hij beproefd om aan de bepaling over de beweiding te voldoen. Maar tot zijn leedwezen heeft hij ondervonden dat het terrein nog ongeschikt is en de daarop grazende beesten door de aardkorst zakken. Om de grond harder te doen worden en tot dichtlegging en beweiding geschikt te maken is het hem noodzakelijk voorgekomen om vooreerst het terrein te bezaaien. Hij verzoekt toestemming om het terrein dit jaar te bezaaien met koolzaad en zo mogelijk het volgend jaar met de vruchten die volgens de rotatie in Zuid-Beveland wordt gebruikt.

Bleekveldse poort
In de plaats van de afgebroken Bleekveldse poort werd een hek geplaatst, dat in de volksmond werd aangeduid als 'de Bleekveldse barrière'. In september 1859 schrijft de burgemeester aan de heer O. Verhagen: 'Wij hebben de eer u kennis te geven dat wij bereid zijn aan u af te staan de hekken, bevorens gebezigd aan de Bleekveldse barrière, voor de getaxeerde waarde van 25 gulden, welke wij u verzoeken ten kantore van de gemeenteontvanger te willen betalen. De opzichter der gemeentewerken is door ons gemachtigd de voorzeide hekken aan u af te geven'.

Oostpoort
In mei 1855 besluit het gemeentebestuur om voor rekening van de gemeente te laten herstellen de goot tussen de Oostpoort en het aangrenzende pakhuis van de broodbakker op de hoek van de Oostwal en de Grote Kade, Jacobus Scheele.

Maar in maart 1856 deelt de voorzitter, burgemeester Blaaubeen, de gemeenteraad mee dat het, om de Oostpoort die thans is afgestaan aan het Rijk voor de bouw van de nieuwe gevangenis te kunnen afbreken en het daartegen liggende terrein te kunnen benutten, het volstrekt nodig is dat de tegen de Oostpoort staande schuur van bakker Scheele wordt gesloopt. Deze schuur was voorheen vele jaren van de bakkersfamilie Corbeel. Bakker Scheele gaat, hoe bezwarend hij het ook vindt om de schuur als bergplaats voor zijn brandstoffen te moeten missen, met de meeste welwillendheid akkoord. Hij krijgt hiervoor een schadevergoeding van ƒ 300.

Het gemeentebestuur beraadt zich in augustus 1856 over de toenemende bouwvalligheid van de Oostpoort en het ernaast liggende retranchement, door de gemeente aan het Rijk in eigendom afgestaan bij acte van 19 januari 1856. Besloten wordt tot het voorkomen van ongelukken de tussenkomst van de Commissaris van de Koning in te roepen voor het bevorderen van een spoedige afbraak van de poort.
Al op de 30e augustus 1856 komt er een brief van de Commissaris van de Koning met de mededeling dat hij de Hoofdingenieur van de Waterstaat heeft gevraagd om een bestek en begroting te laten opmaken voor het afbreken van de Oostpoort. De ingenieur die hiermee belast wordt zal hierover in overleg treden met het college van regenten over het Huis van Arrest.
De ingenieur van de Waterstaat doet het gemeentebestuur bij brief van 6 december mededelingen over de voorgenomen verkoop voor afbraak van de Oostpoort en bijbehorende gebouwen en van de verplichtingen die aan de koper worden opgelegd tot voorkoming van beschadigingen en tot behoud van een geschikte passage. Het gehele werk moet voltooid zijn voor 1 april 1857.
Burgemeester en wethouders zijn hiervoor zeer erkentelijk. Ze besluiten de ingenieur in januari 1857 dank te zeggen voor zijn medewerking en bevelen de werkzaamheden, waarmee al is aangevangen, aan zijn bijzondere zorg in het belang van de gemeente aan. Ook vragen ze hem de Hoofdingenieur van de bijzondere erkentelijkheid van het college te verzekeren. Ze spreken de hoop uit dat nu spoedig met de bouw van het gebouw voor de Justitie en van de nieuwe gevangenis zal worden aangevangen.

Sint Maartenspoort of Donkere poort
In 1855 wordt de Sint Maartenspoort, ook wel genoemd de Donkere poort of de binnenhavenpoort, afgebroken. Het gemeentebestuur overweegt in augustus 1855 dat de afbraak van de Sint Maartenspoort bij de brug zover gevorderd is dat het tegen deze poort staande gebouwtje, thans ingericht tot woonhuis, niet langer kan blijven bestaan zonder gevaar voor schade. Deskundigen oordelen het hoogst gevaarlijk dit pand langer te bewonen.

In dit verband doet zich in augustus 1855 nog een juridische kwestie voor. Burgemeester en wethouders overwegen namelijk dat het plaatsen van een schuur nabij de Sint Maartenspoort voor het doen van de steenhouwernering bij raadsbesluit van 18 maart 1775 is toegestaan aan de steenhouwer Hendrik Zwieter. Een bepaling daarbij was: 'mits dezelve, wanneer het college zulks nodig zal oordelen, op de eerste waarschuwing wordt gerenoveerd en in geval van verkoping ten allen tijde door de stad kan worden genaast'. Dit gebouw is als woonhuis geleverd in de vierschaar van de stad op 14 december 1778 uit de boedel van Hendrik Zwieter aan F. van Baalen en M. Gorsse. De helft van dit pand is door de erfgenamen van Van Baalen en de andere helft door de erfgenamen van Gorsse verkocht aan Cornelia Maria Gorsse. Besloten wordt de heer Gerard van de Velde, goud- en zilversmid in de stad, uit te nodigen het woonhuisje, staande tegen de Sint Maartenspoort of Donkere poort, te gelasten het pand binnen acht dagen te slopen en het zo spoedig mogelijk tot voorkoming van ongelukken te doen ontruimen.
In november 1855 koopt het gemeentebestuur van de koopman Nicolaas Vertregt een woonhuis op de Kleine Kaai, staande tegen de overblijfselen van de afgebroken Sint Maartenspoort in de nabijheid van de ophaalbrug.

Ganzepoort
De gemeenteraad besluit in maart 1859 broodbakker Hendrik de Jonge op zijn verzoek vanaf 1859 vrij te stellen van de jaarlijkse betaling van een gulden voor het gebruik van een klein lapje gemeentegrond aan de wal bij de Ganzepoort naast zijn pakhuis in wijk D nummer 177. Dit perceeltje is in mei 1802 door de gemeenteraad aan zijn voorganger, Antonius de Olieslager, voor het aanleggen van een mestput in gebruik gegeven. Maar al lang heeft dit niet meer gediend als mestput, zodat het weer bij de daar gelegen gemeentegrond is gevoegd.

Koepoort
Ook de Koepoort wordt deze jaren afgebroken.
In maart 1855 komt er bericht van Gedeputeerde Staten met goedkeuring van het raadsbesluit van 1 februari 1855 voor de openbare verkoop voor afbraak van de Koepoort en de beide waterpoorten. De gemeenteraad stelt in juni de voorwaarden voor de verkoop voor afbraak van de Koepoort en beide andere poorten vast. Uit deze voorwaarden is het volgende vermeldenswaard:
'Teneinde zo min mogelijk de doorgang te verhinderen zal de koper verplicht zijn de aarde van Hoogerwerf, naast de binnenhavenpoort of de Sint Maartenspoort, weg te voeren, alvorens met het afbreken van de buitenhavenpoort te mogen aanvangen; deze aarde kan hij voeren in de laagte aan de zuidzijde van de weg gaande naar de begraafplaats en kan daar gelijkmatig verdeeld worden.
Het uitbreken van de muren zal minstens een halve el beneden de begane grond moeten geschieden of, als de aannemer dit in zijn belang en voordeel mocht nodig oordelen, zo veel dieper als de fundamenten zijn en dit onder geregelde waterpaslagen.
De fundamenten van de toren, poort en klapbank zullen minstens een halve el diep worden uitgegraven, de achtermuur van de klapbank tot beneden de straat van de brugzijde'.

Direct naast de Koepoort bevindt zich een pakhuis, staande aan het einde van de Wijngaardstraat in wijk A nummer 163. De Middelburgse veearts J.F. Lippens verkoopt dit pand aan de gemeente op grond van het raadsbesluit van 22 december 1853. Lippens heeft dit pakhuis destijds verkregen door aankoop van Servaas van Gemert. In het gemeentearchief bevindt zich een mooie situatietekening van een en ander.

Buitenhavenpoort
De Gebroeders Harinck van de houtzaagmolen dienen in oktober 1854 een bezwaarschrift in tegen de voorgenomen afbraak van de havenpoort. In de nabijheid daarvan is de mee- en garancinefabriek van de heer Van Renterghem en compagnon gebouwd. Het poortgebouw dient thans tot beschutting van hun pakhuis 'de Groote en Kleine Meebalen' indien zich brand in die fabriek zou voordoen. De ondervinding leert dat deze fabriek meer dan enig ander gebouw daaraan bloot staat. Ze doelen daarmee waarschijnlijk op het ontstaan van brand in februari 1854 in de mee- en garancinefabriek 'Zuid-Beveland'. Ze verzoeken dan ook om de poort niet af te breken zoals het voornemen schijnt te zijn, 'omdat alsdan bij het weder ontstaan van brand in de mee- en garancinefabriek van de heren Van Renterghem hun pakhuizen 'de Grote en Kleine Meebalen' meer aan gevaar zouden bloot staan'.
Het gemeentebestuur houdt het bezwaarschrift aan tot de vaststelling van de begroting voor 1855, waarop een kostenpost voor de afbraak van deze poort is gebracht. Bij de begrotingsbehandeling spreekt de gemeenteraad uit de bezwaren van de Gebroeders Harinck tegen de afbraak niet te delen.

Als gevolg van het raadsbesluit van 19 oktober 1854, ter gelegenheid van de vaststelling van de gemeentebegroting voor 1855, om tot de afbraak van de twee waterpoorten en de Koepoort over te gaan stellen burgemeester en wethouders voor om tot de verkoop van deze drie poorten voor afbraak te besluiten. De gemeenteraad overweegt dat de beide zogenaamde waterpoorten aan de westzijde van de haven en de Koepoort aan het einde van de Wijngaardstraat in bouwvallige staat verkeren en om te blijven bestaan grote herstellingskosten nodig zouden zijn. Een andere overweging is dat de poorten niet meer gesloten en dus zeer goed gemist kunnen worden.
Met algemene stemmen besluit de gemeenteraad deze poorten in de loop van 1855 af te breken en in het openbaar voor afbraak te verkopen.
Op 16 februari 1855 komt er bericht van Gedeputeerde Staten met de goedkeuring van het raadsbesluit voor de openbare verkoop voor afbraak van deze poorten.

In juni 1855 stelt de gemeenteraad de voorwaarden voor de verkoop voor afbraak van de buiten- en binnenhavenpoorten en de Koepoort vast. Op 16 juni 1855 wordt in het openbaar de verkoop van de poorten voor afbraak beproefd. P.L. van Pottenberghe biedt hiervoor ƒ 50. Dit bedrag acht het gemeentebestuur dermate laag dat de verkoop wordt aangehouden tot gelegener tijd.
Op 30 juni 1855 wordt de verkoop andermaal beproefd. Het werk kan nu openbaar geveild en toegewezen worden aan D.A. Dronkers te Middelburg voor ƒ 120.
De controleur van de bewaarder van hypotheken en kadasters wordt op 1 september 1855 een opgave van de sloop van drie poorten en annexe gebouwtjes gezonden.

Het gemeentebestuur stelt op 31 juli 1855 de voorwaarden vast volgens welke getracht zal worden voor afbraak te verkopen de Buitenhavenpoort, de Binnenhavenpoort en de Koepoort met het doen van enig aard- en metselwerk. Enkele artikelen luiden als volgt:

Artikel 1
Teneinde zo min mogelijk de doorgang te verhinderen zal de koper verplicht zijn de aarde van Hoogerwerve weg te voeren, alvorens met het afbreken van de Buitenhavenpoort te mogen aanvangen; deze aarde kan bij voeren in de laagte aan de zuidzijde van de weg gaande naar de begraafplaats gelijkmatig verdeeld worden.

Artikel 2
Het uitbreken van de muren zal minstens een halve el beneden de begane grond moeten geschieden of, als de aannemer dit in zijn belang en voordeel mocht nodig oordelen, zo veel dieper als de fundamenten zijn en dit onder geregelde waterpaslagen.

Artikel 5
o.a. De fundamenten van de toren, poort en klapbank zullen minstens een halve el diep worden uitgegraven, de achtermuur van de klapbank tot beneden de straat van de brugzijde.

In januari 1856 overweegt het gemeentebestuur dat door de koper van de afbraak van de poorten, Dronkers uit Middelburg, niet is voldaan aan de aan de verkoop verbonden voorwaarde ten aanzien van de opruiming van de sloopmaterialen voor eind december 1855. Hij wordt aangeschreven om binnen acht dagen hieraan te voldoen. Anders zal het op zijn kosten worden gedaan door de gemeente.
Ook eind februari 1856 blijkt dat Dronkers, de aannemer van de afbraak van de poorten, nog niet ten volle heeft voldaan aan de bij brief van 5 januari gedane aanmaning. Hij wordt nogmaals tot het wegruimen van de afbraak volgens de voorwaarden van de verkoop binnen veertien dagen opgeroepen.

Bij de behandeling van de begroting voor 1858 in de raadsvergadering van 27 oktober 1857 maakt raadslid Saaymans Vader bezwaar tegen de post voor het hermetselen van de muur van de voormalige hoofdpoort. Het komt hem voor dat aan de grond aldaar een talud en bezoding zou kunnen worden aangebracht indien het zo is dat de Gebroeders Harinck het recht bezitten om die muur in stand te houden. Maar de heer Saaymans wordt overtuigd van de noodzaak van de uitgetrokken post.
De Gebroeders Harinck verzoeken in november 1857 om nog vóór de winter over te gaan tot het herstellen van de muur bij de afgebroken hoofdpoort, waarin zij een derde van de kosten moeten dragen. Besloten wordt dat wethouder Van Kerkwijk de heren Harinck bekend zal maken met het voorgenomen plan van herstel in het aanstaande jaar.

Postkantoor

In augustus 1855 is er sprake dat het op de Vlasmarkt gevestigde postkantoor verplaatst zal worden.
Burgemeester en wethouders overwegen dat de directeur van het postkantoor, 'naar men in het zekere is onderricht', een huis heeft gehuurd in de straat tussen de twee poorten met het oogmerk om dit pand te betrekken en het postkantoor daar heen over te brengen. Daardoor zou het postkantoor gevestigd zijn buiten de bebouwde kom van de stad tot groot ongerief van de ingezetenen. Het college stuurt een bezwaarschrift naar de Minister van Financiën. Het college schrijft in haar brief: 'Tot ons leedwezen hebben wij vernomen dat de directeur der posterijen in deze gemeente, die thans zijn woning en bureau heeft op de Vlasmarkt, een plein midden in de stad gelegen, wellicht met november a.s. zal verhuizen en dien tengevolge een andere woning heeft gehuurd (zo men zegt voor de tijd van drie jaar), staande tussen de twee waterpoorten en dus eigenlijk buiten de bebouwde kom der gemeente, immers aan het uiterste noordelijke gedeelte'.
Daarop komt een brief binnen van de Inspecteur der Posterijen. Hij legt voor advies voor een brief van de directeur van het postkantoor te Goes, waarin deze de bezwaren van het gemeentebestuur tegen het overbrengen van het postkantoor naar het gebied tussen de twee poorten weerlegt. Hij verzoekt om een nadere toelichting zo mogelijk met overlegging van een schetstekening waarop het door de postdirecteur gehuurde huis is gelegen.
De verplaatsing wordt echter afgewend. Want in oktober 1855 stelt de Inspecteur der Posterijen te Breda in handen van het gemeentebestuur een bericht van de Minister van Financiën van de directeur van het Goese postkantoor, de heer A. Donker, over de verplaatsing per 1 mei 1855 van het postkantoor naar een door hem gekocht pand in de Sint Magdalenastraat en de voorlopige overbrenging naar een huis in de Lange Vosstraat. Het gemeentebestuur geeft hierover een gunstig advies.

Postwagendiensten

Er zijn deze jaren de volgende postwagendiensten vanuit Goes:

  • van Goes op het Cortgeense veer in de gemeente Wolphaartsdijk in verband met de tussen Vlissingen en Rotterdam varende stoomboot; dit gebeurt met twee driebanks wagens, de ene van een bruine en de andere van een gele kleur, voor het overbrengen van passagiers en met een boerenwagen voor het vervoer van pakgoederen, toebehorende aan de firma Dronkers en De Fouw en comp. en de huurkoetsier Laurens Willeboer; in 1858 is concessionaris Willem Adriaan Anemaet;
  • van Goes op het Katsche veer in verband met de tussen Middelburg en Rotterdam varende stoomboot; dit gebeurt met drie driebankwagens, een van groene, een van bronzen en een van bruine kleur, alsook een gewone en met een kap overdekte boerenwagen voor het vervoer van pakgoederen. Concessionarissen zijn Laurens Rijk en Pieter Panny. Deze bevinden zich in een zeer goede staat.
  • van Goes op Yersekendam in verband met de tussen Antwerpen en Rotterdam varende stoomboot, onder directie van Aarnout Wisse;
  • van Goes naar het veer over het Sloe met twee driebanks diligences, de ene van groene en de andere van gele kleur, rijdende bij afwisseling tussen Goes en het veer van het Sloe, staande onder directie van W. de Fouw. Deze bevinden zich in zeer goede staat.

Elk jaar worden de postwagens aan een nauwgezette keuring onderworpen door een commissie, bestaande uit de commissaris van politie, een wagenmaker en een smid. Deze jaren gebeurt dit doorgaans door de wagenmaker Jacobus Bal en de smid Marinus Zandijk of de smid Jacobus Robijn. De diligences worden na goedkeuring alle met het stadswapen gebrand.

In augustus 1854 verzoekt P. Panny vergunning voor de aanleg van een postwagendienst tussen Bergen op Zoom en Middelburg. Het gemeentebestuur ziet hier niets in en adviseert negatief aan Gedeputeerde Staten. Er komt een afwijzende beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken.

In juni 1855 geeft de heer W. de Fouw als concessionaris van de postwagendienst tussen Goes en het Cortgeense veer in verband met de stoombootdienst tussen Middelburg en Rotterdam kennis dat deze dienst per 1 april 1855 zal ophouden te bestaan.
Op dezelfde tijd krijgt Laurus Willeboer vergunning voor het aanleggen van een wagendienst van Goes op het Cortgeense veer in verband met de stoomboten varende tussen Middelburg en Rotterdam.
 
In september 1856 stuurt de Commissaris van de Koning bericht dat door de heer Willem Adriaan Anemaet, logementhouder in 'de Oude Zoutkeet', een verzoek is gedaan om vergunning voor het daarstellen van een postwagendienst tussen Goes en de provinciale steiger te Wolphaartsdijk vice versa in verband met de stoomboot 'Stad Vlissingen', varende van Vlissingen naar Rotterdam.

Scheepswerf

Er is deze jaren een kleine scheepstimmerwerf werkzaam in de gemeente. We komen hierover nauwelijks gegevens tegen.

Slot Oostende

Het Slot Oostende is deze jaren bewoond door de herbergier Jan Koens. Hij krijgt in september 1857 vergunning om in de achterkamer van het Slot die op het Plein uitziet, een ijzeren kolomkachel te plaatsen.

Spoorweg

In deze periode houdt de aanleg van een spoorlijn door Zeeland, van Vlissingen tot Venlo, de gemoederen bezig.
Er gloort hoop door het Koninklijk Besluit van 18 augustus 1854. Van belang is de slotzin in de brief van de Commissaris van de Koning van 3 september 1854: '….Zij is in overleg met de concessionaris tot stand gebragt en bij Koninklijk Besluit van den 18 Augustus bekrachtigd. De Minister zegt dat in den stand waarin zich thans de zaak bevindt het zich laat aanzien dat men de verwezenlijking dezer zoo belangrijke onderneming mag verwachten'.
De brief bevat de mededeling van de aanvaarding van de concessie tot aanleg en exploitatie van een spoorweg, uitgaande van Vlissingen en van daar leidende over Middelburg, het Sloe, Goes en de Oosterschelde, langs Bergen op Zoom, Roosendaal, Breda, 's-Hertogenbosch tot de Maas tegenover Venlo.

De gemeenteraad neemt op 2 oktober 1856 kennis van een ingekomen brief van de heer Dirk Dronkers uit Middelburg van 16 september. Hierin wordt melding gemaakt dat voor deze provincie grote vooruitzichten geboren zijn ten gevolge van de geconcessioneerde spoorweg van Vlissingen naar de Duitse grenzen. Voorgesteld wordt tot het benoemen van een permanente commissie over te gaan. Dit om zo nodig de Zeeuwse belangen te behartigen bij de verwezenlijking van de spoorweg.
De gemeenteraad verklaart bereid te zijn aan deze commissie deel te nemen. De commissie zal bestaan uit de burgemeesters of de eerste wethouders van de gemeenten Vlissingen, Middelburg en Goes, alsook de voorzitters of plaatsvervangend voorzitters van de Kamers van Koophandel en Fabrieken in die steden.
Namens de Goese Kamer van Koophandel wordt voorgedragen de heer J. Fransen van de Putte en namens de Middelburgse Kamer van Koophandel de heer G.J. Sprenger.
 
De heer Fijnje, ingenieurdirecteur voor de aanleg van de spoorlijn te Dordrecht, bericht het gemeentebestuur in zijn brief van 8 november 1856 over het voornemen om met de opnemingen en werkzaamheden voor de definitieve plannen en ontwerpen van de spoorweg van Vlissingen naar Venlo een aanvang te maken.
Dit gaat echter niet zonder slag of stoot. Want eind januari 1857 schrijft de Commissaris van de Koning de gemeentebesturen het volgende: 'De Ingenieur Directeur voor den spoorweg van Vlissingen naar Venlo heeft mij den wensch medegedeeld dat door uwe vergaderingen een bekendmaking aan de ingezetenen worde gericht waarbij zij worden uitgenodigd zich te onthouden van het uittrekken, verplaatsen of wegnemen van bakens of piketten, geplaatst op de geprojecteerde spoorweg van Vlissingen naar Venlo. Ik heb de eer u te verzoeken zodanige bekendmaking te willen doen. Het zal goed zijn den inhoud van artikel 9 der Wet van den 28 augustus 1851 daarbij aan de ingezetenen mede te delen'. Hieraan wordt voldaan.

Toch ontstaat er ernstige stagnatie in de aanleg van de spoorlijn. Voor het eerst komt er weer enige hoop in augustus 1858. Burgemeester Blaaubeen deelt de gemeenteraad op de 14e augustus 1858 het volgende mee. Hij memoreert een indertijd ingekomen afdruk van een adres van enige inwoners van Zeeland, strekkende tot het bekomen van een concessie tot het aanleggen en exploiteren van de spoorwegen die Rotterdam en Vlissingen met de linker Rijnoever en Maastricht moeten verbinden. Hem is nu ter hand gekomen een afschrift van het daarop gegeven antwoord van de Minister van Binnenlandse zaken. Daaruit blijkt dat de regering de aanleg van een spoorweg van Vlissingen naar de Duitse grens wel nuttig acht en bereid is het verlenen van een concessie daartoe aan Zijne Majesteit de Koning voor te staan, maar niet in staat is nu reeds de aanzienlijke ondersteuning ten behoeve van de spoorweg geheel toe te zeggen. De toestand van de schatkist veroorlooft dit niet. Het is slechts mogelijk geldelijke hulp toe te zeggen ten behoeve van dat deel van de spoorweg dat Noord Brabant en Limburg met Holland verbinden zal. Hierdoor zal Zeeland alleen afgesloten blijven van het spoorwegnet dat over het Rijk uitgespreid zal worden. Dit zal bij de insulaire positie van deze provincie allernadeligst werken op handel en nijverheid binnen Zeeland. Hij heeft de overtuiging de bestaande commissie tot bevordering van de Zeeuwse belangen bij de aanleg van een spoorweg, waarvan hij voorzitter is, te doen besluiten alsnog alle pogingen aan te wenden om ook voor de spoorlijn van Vlissingen naar Roosendaal 's Rijks ondersteuning deelachtig te worden. Voor het bereiken van dat doel doet hij de gemeenteraad het voorstel een daartoe strekkend adres aan te bieden. De gemeenteraad neemt dit voorstel met eenparige stemmen aan.

In september 1859 deelt het Verenigd Spoorweg Comité te Rotterdam en Dordrecht de vrijheid het gemeentebestuur mee te delen dat als gevolg van de opmerkingen in het voorlopig verslag van de Tweede Kamer der Staten Generaal, gemaakt ten aanzien van de richting en de aanhangige zuiderspoorwegen, en in overleg met de Hoge Regering, door de concessionarissen van de zuiderspoorwegen enige belangrijke wijzigingen in de verleende concessie zijn voorgesteld en door Zijne Majesteit de Koning zijn goedgekeurd. Het Verenigd Spoorweg Comité heeft gemeend niet te moeten dralen met deze wijzigingen aan de gemeente Goes bekend te maken, overtuigd dat deze ook haar belangstelling in hoge mate zullen opwekken. De richting van de zuiderspoorwegen is thans bepaald als volgt:

  • van Rotterdam langs Dordrecht, Breda, Tilburg, Oorschot, Eindhoven, Helmond, Venlo tot Maastricht;
  • van Arnhem langs Nijmegen naar Venlo;
  • van Tilburg langs 's-Hertogenbosch, Grave naar Nijmegen;
  • van Venlo en van Roermond naar de Pruisische grenzen;
  • van Vlissingen langs Middelburg, Goes en Bergen op Zoom naar Roosendaal en Breda.

Tevens is bepaald dat alle deze lijnen binnen zes jaren na het afkondigen van de wet, waarbij de door de Staten Generaal te bekrachtigen bepalingen van de concessie bekrachtigd worden, zullen moeten voltooid en in exploitatie gebracht zijn.
Met het oog op deze belangrijke en voor het algemeen belang van het land uiterst voordelige wijzigingen neemt het Verenigd Spoorweg Comité de vrijheid het gemeentebestuur uit te nodigen om bij 's Lands vertegenwoordiging ook haar stem krachtig te doen horen tot ondersteuning van de op bovengemelde wijze vastgestelde concessie voor de Zuiderspoorwegen.
 
Eind oktober 1859 komt er een brief van de Commissaris van de Koning bij het gemeentebestuur binnen. Deze bevat het bericht dat de regering tot het besluit is gekomen af te zien van bijdragen van de gemeenten in de kosten van aanleg van de spoorweg met het verzoek om aan het schrijven van de minister van de 18e oktober geen gevolg te geven.

En dan eindelijk, op de 22e oktober 1859, ontvangt het gemeentebestuur een aanschrijving van de Commissaris van de Koning met het bericht dat, na machtiging van de Koning, aan de heren J.P. Bredius c.s. concessie is verleend voor het aanleggen en exploiteren van een spoorweg van Vlissingen langs Middelburg, Goes en Bergen op Zoom naar Roosendaal en Breda. Van de concessie is een afdruk bijgevoegd. Daarbij wordt een belangrijke ondersteuning aan de ondernemers toegekend en de regering rekent er op dat de betrokken gemeenten niet zullen achterblijven van haar medewerking en ondersteuning te doen blijken. Bij de aanschrijving van de Commissaris van de Koning wordt de aandacht daarop gevestigd met de uitnodiging om in overweging te nemen wat tot ondersteuning en medewerking van de gewenste zaak strekken kan. Dit stuk wordt aan de gemeenteraad voorgelegd.

In april 1860 ontvangt het gemeentebestuur een exemplaar van het ontwerp van een Algemeen Nederlandsch Spoorwegnet, aangevraagd door de heren J.P. Bredius, mr. W.S. van Reesema en E. Riche.
Ook ontvangt het gemeentebestuur op 15 september 1860 een circulaire van de Commissaris van de Koning met de kennisgeving dat bij Koninklijk Besluit van 24 augustus 1860 een commissie van drie leden is ingesteld, belast met de voorbereiding, leiding en uitvoering van en het toezicht op de aan te leggen spoorwegen. Verzocht wordt om aan deze commissie in voorkomende gevallen de meest mogelijke hulp en bijstand te verlenen.

Stadspompen

In maart 1855 delen enige inwoners van de Lange Vosstraat het gemeentebestuur mee vernomen te hebben dat de daar staande stadspomp in wijk C nummer 216 weggeruimd zal worden. Ze verzoeken deze te mogen behouden 'als onmisbaar voor die buurt'. Het gemeentebestuur besluit dit verzoek in overweging te nemen wanneer over de vernieuwing of wegruiming van de pomp zal worden gehandeld.
Interessant is de inhoud van het verzoekschrift van de bewoners:
'Wij, ondergetekenden, gehoord hebbende dat er een plan is tot het wegruimen der pomp, staande in de Lange Vosstraat wijk C 216, indien zulks waarheid mogt wezen, zo nemen wij de vrijheid tegen hetzelfde onze belangen in te brengen.
Wij ontkennen niet dat die pomp een onzer buren veel onaangenaamheden berokkent. Edoch, uw edele zult ook wel geloven en wij willen overtuigd zijn dat wij die in onze wijk niet kunnen ontberen, terwijl er in onze gebuurte huisgezinnen bestaan die geen wel noch regenbak hebben, gevolgelijk met dit water hun eten moeten toebereiden. De straat en de goot moeten ook schoon gehouden worden en wat meerder is, een geheel jaar uit dezelve moeten drinken. Tevens hopen wij dat uw edele prijs zult stellen op het onontbeerlijk gemis dier pomp. Waarvan 25 à 30 huisgezinnen behoefte aan hebben. Dus dat het uw edele mogt behagen deze pomp te behouden. Welke den Besten is van de hele stad. Groot is onze behoefte aan die pomp, terwijl wij van uw edele verlangen dezelve spoedig in werking te mogen komen.
In afwachting en blijven uw onderdanige dienaren, t welk doende,
Marinus Boet; weduwe Mange; P.M. Smulders; J. Dekker; E. Barbier; P.J. Simons; de weduwe A. Bruchetto; J.P. Magielse; C. Geers; J. de Jonge; Engelblik; J.G. Jansen; Massee; Magnin; J. Engelblik; W. Schrijver; C. Luijcx'.

Stoombootdiensten

In 1854 hebben er geen stoomboten in de gemeente gevaren.
In 1855 komt er voor het eerst een stoomboot op Goes in de vaart. Er is een Goessche Maatschappij van stoom- en zeilvaart tot stand gekomen. Deze heeft een schroefstoomschip onder de naam van 'STAD GOES' laten bouwen. Als gevolg van de daarvoor verkregen concessie van 24 maart 1855 is deze in de vaart gekomen tussen Goes en Rotterdam.

De heer J.A.A. Fransen van de Putte verzoekt in mei 1854 in zijn hoedanigheid van directeur van de Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart het woonhuis aan de Grote Kade in wijk B nummer 29 te mogen verbouwen en gedeeltelijk in te richten tot pakhuis ten dienste van zijn maatschappij. Ook verzoekt hij om aan de voorgevel op de Grote Kaai en aan de achtergevel, uitkomende in de Sint Jacobstraat, de veranderingen aan te brengen die op de bij zijn brief gevoegde tekeningen zijn voorgesteld. Hij krijgt hiervoor vergunning.

In juni 1854 krijgen de koopman en commissionair Johannes Adolphus Fransen van de Putte en de koopman Franciscus Seraphinus Augustinus Knitel vergunning van de Minister van Binnenlandse Zaken tot overschrijving van de concessie voor een schroefstoombootdienst van Goes op Rotterdam op de te Goes gevestigde Naamloze Vennootschap 'de Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart', opgericht op 19 oktober 1853. Beide heren verklaren zich te stellen tot borgen, samen voor een bedrag van 2000 Nederlandse guldens, dit tot zekerheid voor de door de Maatschappij te vervoeren goederen en gelden en voor de richtige nakoming van de verdere verplichtingen die uit de verleende concessie en andere reglementen van de stoom- en zeilvaart betreffen.

Uit de op 19 oktober 1853 vastgestelde statuten van de Maatschappij blijkt dat de heer J.A.A. Fransen van de Putte optreedt als gemachtigde van de volgende Goese ingezetenen:
Maria Kogelenberg weduwe van Jacobus de Jongh, wijnkoopster; J.P. Kakebeeke, particulier;
P.A. Hochart, apotheker; J.P. Burger, koopman; A. Nortier, koopman; Th. van Heel, boekhouder; David Vervenne, koopman; H.K.J. van den Bussche, notaris; Johannes Cornelis Massee, koopman; Jacob Kakebeeke, koopman; J.W. van Kerkwijk, wethouder en apotheker; Samuel de Jonge Mulock Houwer, wijnkoper; Nicolaas Vervenne, koopman; C.P. Soutendam, lid gemeenteraad; Marinus Jacobus de Jongh, wijnkoper; mr. M.P. Blaaubeen, burgemeester en lid Provinciale Staten; H.K. Dominicus van den Bussche, particulier; Pieter Fabrij de Jonge, koopman; Jacobus Scheele, broodbakker; Jacobus van Renterghem de Fouw, gemeenteontvanger; Jacob Abraham Blitz, koopman; Gerard van de Velde, goud- en zilversmid; N.J.F. Verschoor, lid gemeenteraad en medicine doctor; Jan Kooman, koopman; Cornelis Josephus de Wijs, horlogemaker en koopman; Leonard de Fouw, burgemeester van 's-Heer Arendskerke, mr. Pieter Johannes van Voorst Vader, lid arrondissementrechtbank; Pieter Pijke, burgemeester van 's-Gravenpolder en 's-Heer Abtskerke; J.H.C. Kakebeeke, koopman; mr. Cornelis de Witt Hamer, advocaat en procureur; Cornelis Petrus Lenshoek van Zwake, penningmeester van de Zwake te 's-Gravenpolder; G.F.T. Callenfels, medisch doctor; mr. P.J.A. van Dam, griffier bij het kantongerecht; Willem den Boer, meester timmerman; F.S.A. Knitel, koopman; R.B. van den Bosch, medisch doctor; L.P. de Lannee Betrancourt, architect; Martinus Stieger, koopman; J.C. Dominicus van den Bussche, klerk ter griffie van de arrondissementrechtbank; Gerard de Jonge, broodbakker; Johannes Dekker, meester timmerman; Jacob Bentvelzen, koopman; Cornelis Schot, broodbakker; P.R. van der Made, architect; Jan Vertregt, rentenier; J.C. Kakebeeke, koopman; J.P. Muller, meester molenmaker en timmerman; mr. Boudewijn Verselewel van der Bilt, rechter bij het kantongerecht; Boudewijn van der Mandere, lid van Provinciale Staten; Johannes de Leeuw, rentenier; mr. F.N. van der Bilt, president van de arrondissementrechtbank; jonkheer Jan Cornelis de Mauregnault, gepensioneerd majoor der artillerie; Herman de Leeuw van Coolwijck, gepensioneerd majoor; mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen, lid gemeenteraad en officier van justitie bij de arrondissementrechtbank; J.K. van Baalen, koopman; P.J. Breker, logementhouder; Willem de Fouw, commissaris van de veren; Johan Heinrich Ochtman, koopman; P.H. Timans, koopman; Wilhelmus van den Dungen, koopman; Frederik Sterk, koopman; Jan Koens, huurkoetsier; Johannes Pieter de Wijs, meester schilder; B.D. Cohen, koopman, en Willem Verburg, broodbakker.

De Maatschappij zal aankopen een schroefstoomschip met de naam 'de Stad Goes' en een
zeilschip om tot legger te Rotterdam en bij averij van het stoomschip tijdelijk tot vervoer van goederen te dienen.
De directeur van de Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart te Goes, J.A.A. Fransen van de Putte, verzoekt in mei 1854 het woonhuis aan de Grote Kaai in wijk B nummer 29, eigendom van de Maatschappij, te voorzien van een geheel nieuwe schoorsteen. Verder verlangt hij het pand gedeeltelijk in te richten voor pakhuis ten dienste van de daar te stellen stoomvaartdienst. Hij verzoekt om aan de voorgevel van het pand op de Grote Kaai en aan de achtergevel, uitkomende in de Sint Jacobstraat, de veranderingen aan te brengen die op de bijgevoegde tekeningen zijn voorgesteld.
Gedeputeerde Staten sturen het gemeentebestuur in augustus 1854 een verzoekschrift toe van de Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart om de termijn voor het in werking brengen van de Stoombootdienst tussen Goes en Rotterdam tot 11 mei 1855 te verlengen. Hierop wordt positief geadviseerd.
Ook neemt het gemeentebestuur in november 1854 kennis van een brief van de directie van de Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart tussen Goes en Rotterdam, waarbij een reglement en een lijst van tarieven regelende de vrachtprijzen van goederen en vee wordt toegezonden. Hiervan wordt kennis genomen en het reglement en de tarievenlijst worden toegezonden aan de Kamer van Koophandel.

Op 23 maart 1855 ontvangt het gemeentebestuur een kennisgeving van directeur J.A.A. Fransen van de Putte namens zijn bestuur over de eerste aankomst in deze gemeente van het nieuw gebouwde Stoomschip 'de Stad Goes'. Hij schrijft: 'Het bestuur der Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart heeft mij de aangename taak opgedragen U uit te nodigen tegenwoordig te zijn en ik verzoek u tot dat einde op a.s. zaterdag de 24 maart des namiddags omstreeks 3 uur u te willen verenigen op de Grote Kaai voor het gebouw van de Maatschappij om bij regenachtig weder van het kantoor gebruik te kunnen maken'.

Op 26 maart 1855 is het zover dat de stoombootdienst in werking gaat. Van de directeur is bericht ontvangen dat de stoomboot 'de Stad Goes' op de volgende dag voor het eerst te Goes zal aankomen. Er is een uitnodiging voor het gemeentebestuur bijgevoegd om bij deze heugelijke gebeurtenis tegenwoordig te zijn. Dadelijk wordt hiervan kennis gegeven aan de leden van de gemeenteraad. Allen voldoen aan de uitnodiging.
De uitnodiging luidt: 'Kennisgeving namens het bestuur, de directeur J.A.A. Fransen van de Putte: Bij de eerste aankomst in deze gemeente van het nieuw gebouwde Stoomschip 'de Stad Goes' heeft het bestuur der Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart mij de aangename taak opgedragen U uit te nodigen tegenwoordig te zijn en verzoek ik u tot dat einde op a.s. zaterdag de 24 maart des namiddags omstreeks 3 uur u te willen verenigen op de Grote Kaai voor het gebouw van de Maatschappij om bij regenachtig weder van het kantoor gebruik te kunnen maken'.

De leden van het bestuur van de Goessche Maatschappij voor Stoom- en zeilvaart sturen het gemeentebestuur op 4 april een brief. Ze 'achten zich gelukkig hunne pogingen bekroond te zien door de daarstelling der Stoomvaart van deze gemeente naar Rotterdam en erkennen gaarne dat die uitkomst mede te danken is aan de krachtdadige ondersteuning van het gemeentebestuur. Zij hopen door de verwezenlijking van deze lang gekoesterde wensch een nieuw tijdperk van bloei voor deze stad te zien aanbreken, waardoor de herinnering aan het eerste binnenkomen van het stoomschip immer gewigtig zal zijn'.
Ze hebben daarin aanleiding gevonden een bijgevoegde beker met bescheidenheid aan te bieden in de hoop dat de vergadering van het gemeentebestuur deze zal aannemen als een bewijs van erkentelijkheid of als een blijvende gedachtenis aan den 24e maart 1855. De beker is van kristal. Op de ene zijde staat de vermelding: 'Eerste aankomst Stoomschip Stad Goes' en op de andere zijde: '24 Maart 1855'.
Wethouder van Kerkwijk stelt voor de ontvangen beker ter gedachtenis te plaatsen in het archief van de gemeente, de heren bestuurders der Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart te bedanken voor dit blijk van welwillendheid en 'den besten wensch te ontboezemen voor den bloei der Maatschappij onder dankbetuiging voor het daartoe bereids verrichte'.

Het gemeentebestuur dankt op 7 april 1855 bestuur en directie hartelijk voor de toegezonden beker 'ter herinnering aan het eerste binnenkomen van het Stoomschip 'Stad Goes' binnen onze muren op de 24 maart 1855, met het meeste genoegen ontvangen en de gemeenteraad in zijn vergadering van de 5e april aangeboden. Het college koestert de beste wensen voor de bloei van uw onderneming en betuigt u zijne dank voor hetgeen door u bereids verricht is tot bereiking van het gewenste doel, hetgeen ontegenzeggelijk van een overwegend belang is voor de bloei van deze gemeente'.

Dezelfde dag, op 7 april 1855, ontvangt het gemeentebestuur een brief van de directeur van de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart. Uit de brief blijkt dat het bestuur van de Maatschappij, door de ondervinding overtuigd van het bestaan van belemmeringen in de buiten- en binnenhaven van de gemeente, voor de geregelde vaart van het stoomschip door haar opzichter, de heer J.C. Andriessen, daarvan een verslag heeft laten opmaken. Dit wordt met een schetstekening van de situatie van de haven en de gewenste verbetering daarbij gevoegd met het verzoek daarin wel te willen voorzien.
Burgemeester en wethouders danken de Maatschappij hartelijk voor de toegezonden beker ter herinnering aan het eerste binnenkomen van het Stoomschip 'de Stad Goes' binnen onze muren op de 24e maart 1855. Deze hebben ze met het meeste genoegen ontvangen en de gemeenteraad in zijn vergadering van de 5e april aangeboden. Het college schrijft: 'Wij koesteren de beste wensen voor de bloei van uw onderneming en betuigen u zijne dank voor hetgeen door u bereids verricht is tot bereiking van het gewenste doel, hetgeen ontegenzeggelijk van een overwegend belang is voor de bloei van deze gemeente'.

Tegen de achtergrond van deze belangrijke gebeurtenis voor de gemeente Goes komt de vermelding in de notulen van het college van de 9e juni 1855 formalistisch over: 'Overgelegd wordt een proces verbaal door de rijkscommiezen opgemaakt tegen de Goessche Maatschappij van stoom- en zeilvaart wegens vervoer van zeep zonder voorzien te zijn van een document ter dekking'.

In augustus 1855 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de directeur van de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart. Daarin geeft deze zijn bezorgdheid te kennen dat het op handen zijnde vervoer van vlas uit de haven van de gemeente en de moeilijkheden verbonden aan het schutten van vaartuigen met een dergelijke bovenlast belangrijk oponthoud bij het passeren van de sluizen door het stoomschip zal veroorzaken. Tot voorkoming daarvan verzoekt hij de sasmeester opdracht te geven om, telkens wanneer het stoomschip uit Rotterdam komende op stroom in het gezicht is, de sassing voor het stoomschip uitsluitend beschikbaar te houden en de schippers die verlangen geschut te worden te laten wachten tot het stoomschip gesast is. Het gemeentebestuur besluit,
uit overweging van het algemeen belang, bij de geregelde dienst van het stoomschip de sasmeester aan te schrijven en te gelasten in die geest te handelen.

Tussendoor ontvangt het gemeentebestuur in december 1855 een brief van Gedeputeerde Staten met de mededeling van de goedkeuring van een reglement en de tarieven voor een andere stoombootdienst, namelijk die tussen Middelburg en Antwerpen. Van het reglement en de tarieven en de beschikking van Gedeputeerde Staten worden gewaarmerkte afschriften gemaakt om te worden vertoond aan een ieder die het verlangt.

Op 19 juli 1856 komt er een aanschrijving van de Commissaris van de Koning. Hij deelt het gemeentebestuur mee dat in de Middelburgsche Courant van 10 juli een bericht voorkomt van de Stoombootdienst tussen Vlissingen en Rotterdam dat de postwagendienst op het Katsche Veer ophoudt en vervangen wordt door een postwagendienst op Wolphaartsdijk. Deze wijziging in de postwagendiensten is de Commissaris niet bekend. Hij verzoekt inlichtingen hierover. De burgemeester bericht hem dat het niet gaat om de postwagendienst tussen Goes en het Catseveer in verband met de stoomboot van Middelburg op Rotterdam waarvoor door Gedeputeerde Staten vergunning is verleend. Het gaat om een postwagendienst van Goes op het Catseveer in verband met de stoomboot van Vlissingen op Rotterdam, waarvoor nimmer vergunning is gevraagd en waarover indertijd uitvoerige briefwisseling is gevoerd.

Ook in augustus 1856 komt er een aanschrijving van de Commissaris van de Koning. Op de provinciale griffie is bespeurd dat de ondernomen postwagendienst tussen Goes en Wolphaartsdijk in verband met de stoombootdienst tussen Rotterdam en Vlissingen moet worden gerangschikt onder die bedoeld in het reglement zoals vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 24 november 1829. De voor het bestaan van deze postwagendienst gevorderde vergunning behoort alsnog te worden aangevraagd. Het gemeentebestuur maakt de belanghebbende hierop opmerkzaam en spoort deze aan de nodige concessie ten spoedigste aan te vragen.

Willem Adriaan Anemaat, logementhouder in 'de Oude Zoutkeet', vraagt Gedeputeerde Staten alsnog vergunning voor het daarstellen van een geregelde postwagendienst van Goes op de provinciale steiger te Wolphaartsdijk vice versa in verband met de stoomboot 'Stad Vlissingen nr. 2', varende van Vlissingen op Rotterdam.

In april 1858 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de directeur van de Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart met bericht van het oponthoud dat de stoomboot heeft ondervonden doordat het vaartuig van schipper Van der Weele van Werkendam in de brug bij Wilhelminadorp aan de grond zat als gevolg van de lage waterstand en een aldaar bestaande ondiepte. Verzocht wordt om deze ondiepte zo spoedig mogelijk te laten opruimen. Besloten wordt ter bekwamer tijd hiernaar een onderzoek in te stellen.
Op 1 mei rapporteert de ingenieur van de waterstaat J.F.W. Conrad hierover Hij legt een kaart over van de peilingen in de haven. Daaruit blijkt dat er geen ondiepte is onder de brug bij Wilhelminadorp, zodat de klachten die hierover zijn ingebracht door de directeur van de
Goese Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart ongegrond zijn en geen verbetering daaromtrent nodig is.

De Kamer van Koophandel wijst in september 1858 op bij haar gerezen bezwaren in het belang van handel en scheepvaart wegens het opslikken van de haven als gevolg van het afnemen van de oever door de vaart van de stoomboot. Door de uitwerking van de stoomvaart door de haven wordt de oever gedurig afgenomen, wat een ophoping van grond onder water tot gevolg moet hebben. Het gemeentebestuur besluit hierover het gevoelen van drie deskundigen in te winnen.

Er is sprake van een Stoomboots veerhuis. Maarten Booms schrijft in december 1858 hierover aan het gemeentebestuur: 'Ik geef met alle eerbied te kennen en wil tevens u vriendelijk verzoeken om te mogen laten verloten in de herberg 'het Stoomboots veerhuis', bewoond door B. de Hond, een bruine kastklok met dubbelslag en een gouden speld'.

In november 1860 krijgt de heer Fransen van de Putte uitgereikt de acte van vergunning voor het gebruik van een stoomtuig in de stoomboot 'Stad Goes', terwijl de vroegere vergunning aan de Commissaris van de Koning wordt teruggezonden.
Het gemeenteverslag over 1860 vermeldt: 'Het schroefstoomschip 'Stad Goes' van de Goessche Maatschappij van stoom- en zeilvaart heeft de dienst tussen Goes en Rotterdam weer geregeld volbracht'.

Stadsgangen

In de stad zijn er wel 25 stads- of brandgangen. In deze jaren komen de stadsgangen enkele malen ter sprake in het gemeentebestuur.
Zo geeft de burgemeester het college in mei 1855 kennis dat hij heden de sleutel van de brandgang in de Korte Kerkstraat ter bewaring heeft gezonden aan de heer P.J.K. Thomson, wonend in een huis in de Lange Kerkstraat, die toegang heeft in die stadsgang.

De stadswerker en hovenier Johannes Proost verzoekt in maart 1856 van de grond van de brandgang in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat, tussen de woonhuizen in wijk D nummers 50 en 51, lopende vanaf de binnendeur tot aan het erf van de heer Cornelis Pilaar, ter plaatse waar diens grond van de gemeentegrond met een hek is afgesloten, een gedeelte hiervan te mogen gebruiken bij zijn oostwaarts daar tegen grenzende erve of hoveniering. Het verzoek wordt ingewilligd op voorwaarde dat het gemeentebestuur deze grond als brandgang ten allen tijde kan gebruiken.

Als gevolg van een schrijven van de generale brandmeesters in november 1856 zijn de in de gemeente aanwezige brand- en rioolgangen in goede staat gebracht en gemerkt met het woord 'GEMEENTEGANG' met uitzondering van de gang die achter het huis van de heelmeester, de heer Pieterse in de Lange Vorststraat, uitkomende op de wal bij het Schotje van Armoede, ligt. Op die stadsgang zijn alleen de letters 'G.G.' geplaatst, terwijl de planken die, in geval van gebruik over de riolen, in sommige gangen zouden moeten worden gelegd, zijn geborgen in het oude brandspuithuisje naast de Grote Kerk en de sleutels van al de stadsgangen berusten in de politiewacht.

Ook in oktober 1859 komen de stadsgangen ter sprake in het gemeentebestuur.
Ingekomen is een verzoek van de heer P. de Poorter, wonende in de Lange Vorststraat, om vergunning om van de gemeentelijke brandgang, die langs zijn woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 228 loopt, gebruik te mogen maken om daar dagelijks zijn uit- en ingang te mogen nemen voor het bezoeken van het achterste gedeelte van dat huis. Hij wil op zich nemen om op de duur van die gang een behoorlijk klinkwerk en een sleutel op het slot te laten maken om de gang geheel te laten beklinkeren, de daardoor lopende gang te vernieuwen en met planken te beleggen, zodat niemand hinder of ongemak zal hebben van het afvloeiende water. Besloten wordt het verzoek tot wederopzegging toe te staan, mits de deur van de gang niet met grendels gesloten wordt en een sleutel daarvan zal berusten bij de politiewacht.

Aparte vermelding verdient de Brouwersgang. Deze loopt vanaf de Beestenmarkt in wat gebogen richting naar de stadswal.
In november 1857 ontvangt het gemeentebestuur een verzoekschrift van de grondeigenaar Jacobus Pieter Kakebeeke. Hij is sinds enige tijd eigenaar geworden van het thans door hem bewoonde huis in wijk D nummer 219 en van het daaraan terzijde staande in de Brouwersgang in wijk A nummer 214 met de aanpalende erven.
Hij verzoekt vergunning om op zijn kosten enige verandering te mogen aanbrengen in de richting van de zogenaamde Brouwersgang volgens een overgelegde fraaie situatietekening van de Brouwersgang, de wal en het ravelijn (de Groene Jager). Tevens verzoekt hij drie op de wal staande olmenbomen volgens taxatie over te nemen, omdat deze de uitvoering van zijn plan in de weg staan.
Het gemeentebestuur is van oordeel dat de verwezenlijking van het voornemen van Kakebeeke zal strekken tot verbetering en verfraaiing en er geen bezwaar tegen bestaat.

In juni 1858 wordt een contract van ruiling aangegaan in die zin dat aan Jacobus Pieter Kakebeeke en zijn echtgenote Vrouwe Leijntje Johanna Pieternella Vaders 114 ellen gemeentegrond, bekend als publieke weg en behorende tot de zogenaamde Brouwersgang die loopt van de Beestenmarkt naar de wal, wordt afgestaan in ruil tegen een gelijke oppervlakte van 114 ellen daar gelegen tuingrond. Dit ruilcontract geschiedt onder de volgende voorwaarden:

  1. de nieuwe gang wordt gemaakt en behouden op een breedte van drie ellen en hard gemaakt met grind, straatklinkers of keien;
  2. er wordt een behoorlijke afheining van de gang aangebracht en onderhouden hetzij met een planken schutting of een haag van olmenveren of doorn op kosten van de eigenaars van de naastliggende erven;
  3. de afstand en wederzijdse overdracht geschiedt zonder enige betaling van de ene of andere zijde, als wordende de waarde van de geruilde grond gelijk gesteld op ƒ 1.300 per bunder;
  4. de gang zoals die thans ligt moet blijven zuiver en geschikt voor de passage totdat de verlegging is volbracht;
  5. de afneming van de wal, zowel aan de zuid- als noordzijde van de ingang naar het ravelijn, moet regelmatig geschieden en het afgegraven gedeelte moet met zoden worden belegd;
  6. de passage of wandelplaats op de wal mag niet worden gestoord en dient goed zuiver gehouden te worden gedurende de werkzaamheden;
  7. het thans bestaande stenen padje naar het ravelijn moet worden behouden of zodanig verlegd als voor de passage door belanghebbenden zal worden nodig geoordeeld;
  8. de oude gang zal, zover nodig, kunnen worden opgebroken waarna het vernieuwde gedeelte zal moeten worden hard gemaakt met grind of straatklinkers.

 

Hierbij wordt nog overwogen dat het afgestaan gedeelte van de Brouwersgang, behorende tot de publieke weg, niet langer voor algemeen gebruik nodig of bestemd is omdat het vervangen is door een nieuwe en gemakkelijke doorgang.

Stadsschuur

In mei 1859 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Ingenieur van de Waterstaat over de stadsschuur. Hij wijst op de bouwvalligheid waarin de stadsschuur verkeert als gevolg van de funderingswerken voor de bouw van de nieuwe gevangenis. Door de ontgravingen en de trillingen van het heiwerk verkeert de stadsschuur in een desolate toestand. Dit is door zijn ambtsvoorganger al opgemerkt. Na afloop van de bouw van de gevangenis zullen maatregelen tot herstel moeten worden getroffen. Tot ondersteuning van de stadsschuur zullen nu voorlopige voorzieningen worden aangebracht die tijdens de nieuwbouw noodzakelijk zullen blijken. Echter de tegenwoordige toestand van de stadsschuur is zeer bedenkelijk en zal bij voortgaand heiwerk dreigend worden. Hij stelt voor de schuur zover nodig af te breken. Later zou dan tot een gehele of gedeeltelijke vernieuwing kunnen worden overgegaan.
Besloten wordt de ingenieur te machtigen om in overleg met de Hoofdingenieur voor rekening van het Rijk de stadsschuur zoveel nodig te doen afbreken om deze later weer te herbouwen. De inventaris van de schuur zal overgebracht worden naar de voormalige weeffabriek om daar te worden opgeslagen.
Enkele weken later geeft de ingenieur kennis van de aangevangen afbraak van een gedeelte van de stadsschuur en het afschutten van het gedeelte dat voorlopig kan blijven staan alsook van de behoorlijke afsluiting van de daaraan grenzende tuin.

Straten, wegen en plantsoenen

De straten vorderen deze jaren nog grote reparaties. In 1854 gaat men verder met het vernieuwen van de straten en wordt een bedrag van ƒ 1.389 voor straatkeien en klinkers besteed.
In 1854 kost het gewoon onderhoud aan de openbare gebouwen, haven en kanaal, bruggen, riolen, wegen, wandelplaatsen en begraafplaats ƒ 6.792, de aanleg van de wallen ƒ 700, van de grindwegen ƒ 4.100, levering van steen voor de vernieuwing van de straten ƒ 1.389, metselwerk aan het sas ƒ 1.426 en de woning voor de sasknecht ƒ 885.

De nieuwe weg bij de meefabriek 'Zuid-Beveland', die leidt naar de meestoof 'de Zon', is slechts ten dele tot genoegen van het gemeentebestuur en de directie van de meestoof gelegd en gegrind en moet nog verbeterd worden.
Aan de wallen en de daaronder lopende riolen worden aanzienlijke verbeteringen aangebracht door het vertreden van de wallen en het aanleggen van nieuwe wandelpaden daarover.

De eigenaar van de gerst- en pelmolen 'de Grenadier' op het Ravelijn de Grenadier, de heer C.C. van den Bosch, verzoekt in februari 1854 om een hoop aarde van de gemeente, liggende aan het einde van de Wijngaardstraat bij de Koepoort, op zijn kosten te mogen weghalen. Hij wil de grond gebruiken voor het dempen van een gedeelte van een vijver op het door hem bewoonde en nabij gelegen ravelijn.

Op uitnodiging van burgemeester en wethouders doet de directie van de Goese Polder de gemeenteraad in juni 1854 een aanbod om ƒ 300 bij te dragen in de kosten van de verharding van de weg naar de Goese Polder vanaf de hofstede 'Klein Frankrijk' van de heer J.K. van Baalen tot aan de nieuwe begraafplaats over een lengte van plusminus 180 ellen te begrinden. De Goese Polder biedt aan om een derde gedeelte van de kosten te dragen. Doch aangezien deze wegverbetering volgens daarvoor gemaakte berekeningen een aanzienlijke uitgave tot gevolg zou hebben, zonder dat het algemeen daarmee zou worden gebaat, wordt besloten de directie van de Goese Polder kennis te geven dat er voor dit doel geen post op de begroting voor 1855 kan worden voorgedragen dan alleen tegen een geldelijke tegemoetkoming van ƒ 400.
De dijkdirectie van de Goese Polder geeft daarop kennis dat niet meer dan ƒ 300 kan worden aangeboden als tegemoetkoming in de kosten. Omdat er geen vergelijk kan worden getroffen, wordt de zaak als afgedaan beschouwd.

In juni 1855 sturen de dijkgraaf Johannes Zandee en de gezworene Marinus de Dreu van de Goese Polder een kennisgeving aan het gemeentebestuur dat de weg, liggende in de Goese Polder en lopende van de 's-Heer Hendrikskinderendijk naar de begraafplaats, een groot gedeelte van het jaar bijna onbruikbaar is. Ze wensen door het inbrengen van puin en grind de grond van de weg vaster te maken en het water door een greppel met een stenen heul af te leiden in de sloot langs de tuin van de heer J.K. van Baalen. Ze verzoeken om vergunning voor een zodanige wegverbetering en het leggen van de heul. Het verzoek wordt ingewilligd. Uit de post voor gewoon onderhoud wordt in november 1855 de singel naar en langs de begraafplaats begrind omdat deze zandweg niet meer te berijden is. Het leveren van het grind voor de singel wordt uitgevoerd door aannemer S. Lamsue voor ƒ 325.

Dokter G.F. Callenfels verzoekt in april 1856 om de sloot van de grote Stoofweide, die door het rooien van bomen en het maken van een grindweg in een zodanige staat is gebracht dat deze niet meer vatbaar is om daarop beesten te laten weiden, in geschikte toestand te brengen. De weide dient hersteld te worden naar de toestand zoals deze bij het in pacht nemen was. Verder verzoekt hij om een uitlozing van het water aan de westkant van de weide. Dit blijft thans staan omdat het uitlozingskanaaltje door het graven van een sloot gedempt is. Volgens uitlating van wethouder Kakebeeke zou hier op de een of andere wijze in voorzien worden.

In mei 1856 stelt het gemeentebestuur het bestek en de voorwaarden vast voor enige vernieuwingen en herstel van de keistraten. In juni worden de volgende werkzaamheden aanbesteed voor het herstraten met nieuwe keien van de brug aan de Grote Kaai tot op de hoek van de Sint Magdalenastraat en het straatje tussen de Grote Markt en de Vlasmarkt; het uitbreken, sorteren en herstraten uit de aanwezige of uit de opgebroken keien van de brug aan de Kleine Kade tot aan de meekrapfabriek van de heer Van Renterghem en de armenhoek vanaf de goot bij de Blauwe Steen tot aan de goot bij de Oude Vismarkt; het bestraten van de zogenaamde Paardenweg achter de grutterij van de heer J.H.C. Kakebeeke over een lengte van 50 el en een breedte van 4 el.

Van november 1857 dateert een Staat in het gemeentearchief 'aanwijzende de voetpaden ten algemene nutte'. Het betreft de volgende 'wegelingen':

  • het Schipperswegeling, lopend van het plein bij de voormalige Oostpoort noordwaarts naar de grensscheiding met Kloetinge, met een lengte van 360 ellen, een breedte van 1,25 el, bestaande uit aarde, zonder bruggetjes;
  • de Vogelzangsche wegeling, beginnende buiten de Voorstad aan de grote weg nummer 1 langs de honderd gemeten oostwaarts naar de grensscheiding met Kloetinge, met een lengte van 300 ellen en een breedte van 4 ellen, bestaande uit aarde;
  • het Nissepad, beginnend aan de zijde van de Poelweg voorbij de Karnemelkseput naast de 's-Gravenpoldersestraat, met een lengte van 610 ellen en een breedte van 1 à 1,50 ellen.

Op de begroting voor 1857 is een post opgenomen van ƒ 600 voor het bestraten met 48.000 klinkers van de Kleine Kade. Het gemeentebestuur is overtuigd van de noodzakelijkheid om al in juli 1857 tot de uitvoering over te gaan.
Het herstel van straatwerken en het bestraten van de Kleine kaai met klinkers, alles met voorhanden zijnde steen, wordt in het openbaar aanbesteed voor ƒ 200, terwijl het herstel van riolen en modderbakken aanbesteed wordt voor ƒ 310.

De bewoner van de hofstede 'Klein Frankrijk', de heer J.K. van Baalen, dient in mei 1859 een verzoek in om vergunning om een door hem aangelegd voetpad langs de oude singelweg aan de zijde van de publieke weg van de 's-Heer Hendrikskinderendijk tot aan het hek of de dam van zijn hofstede af te mogen sluiten voor het vee dat door anderen daarover gestadig gedreven wordt.
Hij wil de oude singelweg langs de opril van de 's-Heer Hendrikskinderendijk tot het hek of dam van zijn hofstede, door het spannen van een ijzeren draad en het plaatsen aan beide ingangen van dat voetpad van een op een paal bevestigd draaiend kruishout, tot wering van het vee dat daarover gestadig heen en weer gedreven wordt, behouden zoals dit thans is aangelegd. Het gemeentebestuur overweegt dat uit onderzoek gebleken is dat het afsluiten van het voetpad de passage langs de openbare weg niet verhindert. Hij krijgt dan ook vergunning.

In 1860 worden de straten door de gehele gemeente herhaalde malen opgebroken voor het leggen, herleggen en veranderen van de buizen voor de gasverlichting en dan nog is het werk niet naar behoren afgedaan. Van de kant van de gemeente heeft men dus daaraan niets kunnen doen dan kleine en onvermijdelijke herstellingen.

Telegraafkantoor

De gemeenteraad besluit op 1 februari 1855 op voorstel van burgemeester en wethouders een verzoek in te dienen voor het verkrijgen van een telegraafkantoor in de gemeente. De reden hiervan ligt vooral in het zich thans voordoende ongerief dat zich als gevolg van de gestremde communicatie door de strenge vorst dubbel doet gevoelen.
Dit herhaalde pleidooi heeft resultaat! Begin april komt er bericht van de Commissaris van de Koning dat de Minister van Binnenlandse zaken genegen is de inrichting van een telegraafkantoor te gelasten. Dit met de bedoeling dat het geopend kan worden tegen de tijd waarop vermoedelijk over voldoende geoefend personeel kan worden beschikt. In overleg met de Hoofdingenieur van de Waterstaat wordt hiervoor aangewezen het commieshuisje aan de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière voor de inrichting als telegraafkantoor voor een proefperiode van een of twee jaar. Deze lokaliteit is wel wat bekrompen. Maar omdat het slechts bij wijze van proef moet dienen, wordt daarmee genoegen genomen op voorwaarde dat het tegenover liggende brandspuithuisje ook behoorlijk ingericht en in gebruik gegeven kan worden. Het is namelijk een volstrekte vereiste over twee vertrekken te beschikken. De Hoofdingenieur is zeer ingenomen met deze oplossing en zegt graag zijn medewerking toe. De Kamer van Koophandel wordt hiervan kennis gegeven omdat deze 'zoveel mede gewerkt heeft tot het bekomen van het telegraafkantoor'.

Op 1 mei 1855 deelt ingenieur van de waterstaat, Conrad, het volgende mee: 'Ik heb de eer u te doen toekomen een aan uw edelachtbaren gerichte missive van de Hoofdingenieur van de Waterstaat van 26 april betreffende het te dezer stede op te richten telegraafkantoor. Behalve enige, uit een geldelijk oogpunt minder belangrijke aanmerkingen, heeft de ingenieur der rijkstelegraaf gewezen op de behoefte aan een geschikte gelegenheid in het afgezonderde lokaal van de bestelden tot het reinigen van de batterijen en het verkrijgen van water in de nabijheid van het kantoor, tot welke eerstgenoemde einde het wenselijk zal zijn om bij de daar te stellen veranderingen in de beide lokalen te voegen het maken van een aanrechtbank met gootsteen'.

Het gaat om de twee gebouwtjes, staande bij het ijzeren hek aan het einde van de 's-Heer Hendrikskinderenstraat, namelijk het voormalige brandspuithuisje en het voormalige commiezenhuisje.
De Hoofdingenieur van de Waterstaat stuurt een brief over de inrichting van deze lokalen. De opzichter van gemeentewerken krijgt opdracht voor het opmaken van een bestek voor de inrichting van beide gebouwtjes. Ook de uitvoering zal hij overleggen met ingenieur Conrad.
Na vaststelling van het bestek wordt de inrichting van het telegraafkantoor op 26 mei 1855 in het openbaar aanbesteed aan de timmermansbaas W. de Jonge.
Op 21 juli 1855 rapporteert wethouder Van Kerkwijk dat de lokalen voor het telegraafkantoor gereed zijn en hierover kan worden beschikt. Hiervan wordt kennis gegeven aan de Minister van Binnenlandse zaken en de Commissaris van de Koning.

In december 1855 ontvangt het gemeentebestuur een aanschrijving van de Minister van Binnenlandse zaken met de mededeling dat het rijkstelegraafkantoor te Goes op de 20e december zal worden geopend. Tot eerste ambtenaar is benoemd de telegrafist der 2e klasse L. van Bergen.

In september 1856 deelt de burgemeester het gemeentebestuur mee dat hij een brief ontvangen heeft van de ambtenaar bij de rijkstelegraaf in de gemeente. Deze geeft te kennen bij herhaling te hebben opgemerkt dat het uurwerk van de Grote Kerk zeer onregelmatig gaat en niet behoorlijk wordt geregeld naar de middelbare tijd. Dit tot ongerief van hen en degenen die van de telegrafische correspondentie gebruik maken. Hij biedt aan om degene die met het regelen van dat uurwerk belast is, in de gelegenheid te stellen dagelijks het uurwerk in zijn kantoor te raadplegen voor het bepalen van 'de middelbare tijd van Goes'. Hij schrijft: 'welk onderzoek, zoals ik vernomen heb, vroeger van tijd tot tijd, hoewel niet geregeld, heeft plaats gehad, doch gedurende mijn verblijf alhier niet is voortgezet'. Het gemeentebestuur besluit van dit beleefd aanbod gebruik te maken en de aannemer van het opwinden van het uurwerk op te dragen tweemaal per week, op woensdag en zaterdag voormiddag, de regeling op deze wijze te doen. Het gemeentebestuur verklaart zich bereid het benodigde lokaal op kosten van de gemeente beschikbaar te stellen. De gemeenteraad gaat akkoord met kosteloze overdracht van het lokaal.

Over 1856 blijkt dat de baten van de rijkstelegraaf beduidend minder hebben opgeleverd.
De Minister van Binnenlandse zaken verzoekt de gemeente om zich bereid te verklaren dit bedrag aan te vullen.
De Minister van Binnenlandse zaken schrijft in september 1857 dat hij niet in enige schikking kan treden over het telegraafkantoor zoals het gemeentebestuur bij brief van 26 augustus voorstelt. De gemeente dient voortdurend hierin te voorzien en bovendien de aanzuivering van de opbrengst tot ƒ 1.500 per jaar op zich te nemen, 'zo zij het kantoor verlangt te behouden'. Aangezien het gemeentebestuur de rijkstelegraaf van groot belang acht om voor de gemeente te behouden wordt deze eis ingewilligd.

Door het rijkstelegraafkantoor zijn gedurende de jaren 1855 tot en met 1859 de volgende berichten verzonden.

In 1855:

  • verzonden naar binnenlandse kantoren 735 berichten;
  • ontvangen van binnenlandse kantoren 884 berichten;
  • overgebracht langs Belgische lijnen 29 berichten;
  • idem langs Duitse lijnen 4 berichten;
  • idem langs internationale lijnen 8 berichten;
  • in totaal 1660 berichten.

Deze hebben opgebracht ƒ 1.130,21.

In 1856 (1e halfjaar):

  • verzonden naar binnenlandse kantoren 420 berichten;
  • ontvangen van binnenlandse kantoren 430 berichten;
  • overgebracht langs Belgische lijnen 31 berichten;
  • idem langs Duitse lijnen 0 berichten;
  • idem langs internationale lijnen 0 berichten;
  •  in totaal 880 berichten.

 

In 1858:

  • langs de Nederlandse lijnen 1974 berichten;
  • langs de Belgische lijnen 59 berichten;
  • langs de Duitse lijnen 3 berichten;
  • langs de internationale lijnen 10 berichten.

Deze hebben opgebracht ƒ 1.238,80.

In 1859:

  • langs de Nederlandse lijnen 2268 berichten;
  • langs de Belgische lijnen 201 berichten;
  • langs de Duitse lijnen 19 berichten;
  • langs de internationale lijnen 5 berichten.

Deze hebben gezamenlijk opgebracht ƒ 1.432,08.
Het gemeenteverslag over 1859 vermeldt: 'Het telegraafkantoor heeft weer goede diensten bewezen en is voor vele aangelegenheden, vooral wat de handel betreft, als het ware onmisbaar geworden'.

Verkoop bomen

De verkoop van op gemeentegrond staande bomen is jaarlijks een welkome inkomstenpost voor het gemeentebestuur.
In november 1855 besluit het gemeentebestuur tot de openbare verkoop van de bomen staande langs de begraafplaats, van de Goese Polder tot aan de voormalige Havenpoort, te weten 89 zachte olmen, 91 canadabomen en 27 knotwilgen.
In december 1856 wordt besloten 482 olmenbomen aan de Westhavendijk te verkopen alsook de bomen aan de dijk langs de oude haven en de bomen om het oude brandspuithuisje op het plein in de Voorstad.
In januari 1858 worden 91 olmenbomen en 62 wilgentronkbomen, staande aan de westzijde van de haven, en 6 olmenbomen, staande aan de zijde van de vest bij het Stort naast de Oostpoort, en 35 wilgentronken aan de oostzijde van de haven verkocht.
In oktober 1858 verzoeken Gedeputeerde Staten het gemeentebestuur om aan het Burgerlijk Armbestuur te kennen te geven dat het door hen wordt gemachtigd tot de openbare verkoop van 463 opgaande bomen met het verzoek om na de verkoop het bedrag van de opbrengst aan hen op te geven. In maart 1859 deelt het Burgerlijk Armbestuur mee dat de verkoop van bomen zuiver ƒ 1.753,65 heeft opgebracht.

De boekhouder van de meestoof 'de Liefde' aan de westelijke havendijk, de heer C.C. van den Bosch, verzoekt namens zijn mede eigenaren om te mogen overgaan tot het rooien van 13 olmenbomen, staande aan de westelijke havendijk langs de meestoof. Deze bomen benadelen het gebouw van de meestoof 'grotelijks'.

Ook het bestuur van het gasthuis verzoekt in december 1860 toestemming voor de verkoop van de bomen 'op welker opbrengst is gerekend in onze begroting voor 1861'. Het betreft 85 olmen, staande op 1 bunder, 7 roeden en 90 ellen weide in wijk C nummer 109 en 40 olmen, staande op 1 bunder, 9 roeden en 90 ellen weide in wijk B nummer 460. De eerstgenoemde bomen wenst het bestuur in het openbaar en de laatstgenoemde als van geringe waarde onderhands te verkopen.

Vesten

Jaarlijks worden de vesten verpacht aan de meestbiedende. Deze worden dan gebruikt voor bevissing. Het gaat om:

  1. de zogenaamde zoute vest bij de zaagmolen in wijk D nummer 1191, groot 73 roeden;
  2. de zogenaamde zoete vest van de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière tot aan de Oostpoort, sectie D nummer 176, groot in totaal 8 bunders, 71 roeden en 80 ellen;
  3. de zogenaamde brakke vest van de Oostpoort tot in de Galghoek, bestaande in sectie D nummer 13, groot 1 bunder, 17 roeden en 30 ellen.

In mei 1854 verzoekt de heer G. van de Velde, wonend in de Papegaaystraat, om aan de oostzijde van de stadssingel een waterloop van kannebuizen tot in de vest te mogen leggen. Het gemeentebestuur wijst zijn verzoek echter van de hand.

De directie van de watering de Goessche Polder stuurt het gemeentebestuur begin juni 1854 een afschrift toe van een besluit van de ingelanden van de watering met een vergunning om tot wederopzeggen het water van het afgedamde gedeelte van de oude zoute vest, hetwelk men vermeent in de Goessche Polder te zijn afgeleid, in de Polder te laten essueren. Dit onder de bepaling dat de huidige dam aan de Grote Stoofweide zal worden verbreed en verlangd naar genoegen van de directie.
Het gemeentebestuur overweegt dat betwijfeld moet worden of het bedoelde water werkelijk in de Goessche Polder essueert. Besloten wordt daarover een onderzoek te laten instellen en daarna hierover te besluiten.

In augustus 1854 wordt van de droogmaking van een gedeelte van de zoute vest aan de 's- Heer Hendrikskinderenbarrière de nodige verklaring aan Gedeputeerde Staten gezonden met het verzoek om vrijdom van verhoging van grondbelasting voor 25 jaar.

Het gemeentebestuur stelt in november 1854 de voorwaarden vast voor de publieke verpachting van de droog gemaakt grond aan de noordzijde van de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière. Het betreft 'de grond, van de singel lopende van de voormalige zeedijk in de Galgenhoek tot aan het sluisje over de gortmolen, en van de oude achterhaven, waarvan de verpachting te zelfder dage zal plaats vinden'. De grond wordt verpacht aan de heer Jacob Kakebeeke, dijkgraaf van de brede watering voor het eerste perceel, en aan de hovenier Jan Pros voor het laatste perceel.

In januari 1856 worden de volgende percelen verpacht:

  • de dijk van de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière noord op tot tegen het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest; pachter is O. van Wasbeek voor ƒ 30;
  • 20 roeden en 70 ellen, zijnde een gedeelte van wijk D nummer 982, gelegen binnen de poort in de zoutevest onder aan de stadswal tegen de zaagmolen en strekkende tot tegen het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest; pachter is H. Werri.

In oktober 1856 stelt de gemeenteraad de voorwaarden vast op grond waarvan burgemeester en wethouders publiek en aan de meest biedende zullen trachten te verpachten de volgende percelen gemeentegrond van de voormalige zoute vest. De percelen zijn:
-    1e perceel: 18 roeden en 10 ellen hoveniering, gelegen in de zoute vest, onder aan de stadswal, tegenover de zaagmolen in wijk D nummer 1116;
-    2e perceel: de dijk aan de korenmolen 'de Koornbloem', van het telegraafkantoor, lopende voorbij die molen tot aan het scheidingsslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzennest in wijk D nummer 1146, groot 47 roeden en 90 ellen.

In januari 1859 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer Johannes Dekker met een verklaring over de droogmaking van een gedeelte van de brakke vest.
Van der Made verzoekt in erfpacht de strook grond gelegen tussen het kanaal langs de zaagmolen en de weg langs de stoofweide, groot 23 roeden en 80 ellen, met uitzondering van een breedte van drie ellen langs het kanaal die in de tegenwoordige toestand behouden dienen te blijven voor het vervoer van de houtmaterialen van de zaagmolenaren Gebroeders Harinck. Het is zijn voornemen dit terrein te bebouwen met een bergloods en geschikte arbeiderswoningen in steen overeenkomstig de overgelegde schetstekening.

Verkoop stadsgrond

In augustus 1854 krijgt Hendrik van den Berge, pachter van de grasetting van de waterpoorten tot aan het oude hoofd, op zijn verzoek vergunning om het tussen de twee poorten liggende grasveld te laten afgrazen door zijn koeien, mits deze behoorlijk bewaakt worden en dit geschiedt in de morgen uiterlijk tot tien uur.

In augustus 1857 ontvangt het gemeentebestuur verzoeken van de houtzaagmolenaar Marinus Johannes Harinck voor zijn firma 'Gebroeders Harinck', van de timmermansbaas en handelaar in bouwmaterialen Johannes Marinus van der Made uit Klundert en van de fabrikant Otto Verhagen om toewijzing van grond tussen de twee poorten.
Het gemeentebestuur besluit de gevraagde grond aan de heren Harinck en Van der Made in erfpacht uit te geven. Het verzoek van de heer Verhagen wordt van de hand gewezen, 'hetgeen voor dien heer en zijne aldaar geplaatste zoutkeet te minder bezwaar kan hebben aangezien bij de afbakening is gezorgd dat bijna recht tegenover die fabriek twee openingen, ieder ter breedte van vier ellen, worden gelaten, waardoor de communicatie met de haven genoegzaam open blijft'. Aan de Gebroeders Harinck kan de verplichting worden opgelegd om ten allen tijde toe te laten dat de onder de hem afgestane grond liggende buis, bestemd voor het trekken van water uit de haven, in geval van nood wordt opengebroken, onderzocht en hersteld door de eigenaar van de zoutkeet.
 
Ook in augustus 1857 betoogt de heer J.M. Harinck, handelend namens de firma 'Gebroeders Harinck', dat hij indertijd met zijn broeder eigenaar is geworden van verschillende percelen, die thans alleen nog bij hem in bezit zijn, onder andere:

  1. een schuur buiten de voormalige Bleekveldse barrière. Hij is gehouden tot het onderhoud van de bouwvallige muur die deel uitmaakte van de voormalige Hoofdpoort;
  2. weidegrond;
  3. de scheepstimmerwerf en erf gelegen buiten de voormalige Bleekveldse barrière.

Hij rept over een verplichting tot betaling van 1/6 part in de reparaties die aan de voormalige Hoofdpoort zullen moeten gebeuren, terwijl op dezelfde voorwaarde het speelhof, het zomerhuis en de koepel, grenzende aan de straat en kadastraal bekend sectie D 988 en 989, door zijn familie is verkregen. Hij is bereid om van de vier genoemde cijnzen één titel aan de gemeente te verlenen, waarbij met een duidelijke en juiste omschrijving van ieder perceel de daarop drukkende cijnzen wettig worden vastgelegd.
De gemeenteraad machtigt het college om met de heer Harinck een overeenkomst aan te gaan van bestaande cijnzen en erfpachten op hun gronden in altijddurende cijnzen en hem op deze wijze bij vernieuwing af te staan:

  1. de grond waarop is gebouwd een schuur aan de oostzijde van de haven buiten de voormalige Bleekveldse barrière;
  2. 41 roeden en 80 ellen grond gelegen bij het kanaal naar de zaagmolen;
  3. 35 roeden en 10 ellen grond gelegen bij de laatstgenoemde;
  4. de grond van de scheepstimmerwerf en aanhorige erve, gelegen buiten de voormalige Bleekveldse barrière aan de oostzijde van de haven ter grootte van 12 roeden en 20 ellen.

 

Tevens krijgt het college de opdracht om met de heer Harinck overeen te komen dat door de eigenaar van het speelhof, het zomerhuis en de tuin, grenzende aan de straat bij de voormalige Hoofdpoort aan de westzijde van de haven, ten allen tijde zal worden gedragen een zesde part in de kosten van het onderhoud van de muur ter plaatse waar vroeger de Hoofdpoort heeft gestaan.
Gedeputeerde Staten gaan in september 1857 akkoord met het raadsbesluit tot uitgifte in erfpacht van de grond tussen de afgebroken twee waterpoorten aan de Gebroeders Harinck.

De vrachtrijder Laurens Duvekot krijgt in 1859 in erfpacht gemeentegrond, gelegen aan het einde van de 's-Heer Hendrikskinderenstraat, ter grootte van 3 roeden en 25 ellen, tegen zijn schuur en erve. Deze grond is gedeeltelijk bij hem in pacht geweest. De grond ligt namelijk aan het einde van de 's-Heer Hendrikskinderenstraat naast zijn eigendommen aldaar.

Waag

In de voorhal van het Stadhuis bevindt zich de stadswaag, onder meer voor het wegen van slachtvee, schapenwol en meekrap.
In september 1854 ontvangt het gemeentebestuur meermalen klachten dat het weegtoestel in de waag zeer slecht en onbruikbaar is. Besloten wordt een bascule voor de waag aan te kopen bij de firma Bekkers te Arnhem voor 1500 Nederlandse ponden. De kosten zijn ƒ 108.

In oktober 1856 verklaart de controleur van de directe belastingen in huur te hebben aanvaard het genot en gebruik van het in de stadswaag onder het Stadhuis op de Grote Markt aanwezige weegtoestel. Hij gebruikt dit voor het wegen van slachtvee, dit ten dienste van zijn administratie, om daarmee te wegen het ter slachting aangegeven vee.
De waag wordt ook gebruikt voor het wegen van wol. Het blijkt echter dat de laatste jaren het gebruik van de waag voor het wegen van wol steeds minder is geworden en eindelijk geheel is opgehouden. Het gemeentebestuur overweegt dat het zowel voor de gemeente als voor de handelaars in wol van belang is daarin verandering te brengen.
Dit wordt nog versterkt door een pleidooi in juni 1859 van de koopman J. Fransen van de Putte. Hij merkt op dat een weegloon van dertig cent per honderd kilo wol, die in de waag gewogen wordt, te hoog is en oorzaak is dat voor het wegen van schapenwol vorig jaar door hem in het geheel geen gebruik van de stadswaag is gemaakt. Hij bepleit het weegloon te bepalen op een meer redelijke prijs en hiervoor niet meer dan tien cent per honderd kilo te heffen. De gemeenteraad besluit hiertoe en stelt het weegloon op tien cent per honderd kilo.

In april 1859 gaat het gemeentebestuur een huurcontract aan met de controleur van de rijksbelastingen voor het gebruik van het weegtoestel in de stadswaag voor het wegen van slachtvee ten dienste van zijn administratie.
Ook de koopman J. Fransen van de Putte verzoekt in december 1859 om het binnen de gemeente bestaande weegloon in de stadswaag te verminderen voor wat betreft het wegen van vaten mede. Het gemeentebestuur overweegt dat het weegloon van mede in verhouding met dat in andere gemeenten laag is getarifeerd. Ook is de opbrengst van de stadswaag de twee laatste jaren niet toereikend om de jaarwedde van de waagmeester en het ijkloon van de gewichten te betalen. Daardoor is er voor aanleg en onderhoud van de waag voor de gemeente niets genoten. Besloten wordt dan ook geen vermindering van het thans bepaalde weegloon toe te staan.

De gemeenteraad besluit in juni 1859 tot heffing van een waaggeld, te weten:

  • voor een vat meekrap dertig cent;
  • voor een baal of vat manufacturen en dergelijke tien cent;
  • voor wol per honderd Nederlandse ponden dertig cent;
  • voor alle andere wegingen beneden de vijftig ponden tien cent.

Wallen en ravelijnen

Jacobus Filius krijgt in juli 1857 vergunning om de planken tuin achter zijn woonhuis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 135, dienende tot afscheiding van zijn erf en de stadswal, af te breken, de fundering te vernieuwen en op dezelfde wijze te herplaatsen.

In januari 1859 zendt aannemer Johannes Dekker een verklaring in tot droogmaking van een gedeelte van de zogenaamde brakke vest door afgraving van de daaraan grenzende wal en ontginning van een onbebouwd liggend einde dijk.

Apotheker P.A. Hochart verzoekt in april 1859 hem toe te staan het gedeelte dijk, ongeveer een twintig ellen langs de stadswal nabij de Brouwersgang, gelegen tegen zijn aldaar gelegen erf, op zijn kosten te mogen wegruimen tot op de begane grond van het pad van de wal. Dit in een zodanige helling als nodig zal zijn en te vervoeren langs zijn grond in de vest aldaar. Daardoor zal naar zijn mening een meer geregelde afwatering van de wal plaats hebben en een grote onreinheid tussen dat einde dijk en de heining van zijn erf worden bevorderd.

In mei 1859 vraagt de apotheker P.A. Hochart vergunning voor het afgraven van de nabij zijn tuin aan de Brouwersgang gelegen stadswal. Het gemeentebestuur heeft hier tegen geen bezwaar want 'dit werk zal strekken tot bevordering van de reinheid op dat punt'. De gemeenteraad besluit Hochart vergunning te verlenen om twintig strekkende ellen stadswal nabij de Brouwergang tegen zijn daar gelegen erf op zijn kosten weg te ruimen tot op de begane grond van het pad van de wal. Ook in maart 1860 krijgt Hochart vergunning om nog eens 24 strekkende ellen of zoveel meer als nodig zal blijken te zijn van de stadswal nabij zijn tuin op zijn kosten te laten afgraven tot op de grond van het pad. De grond wil hij laten brengen langs zijn grond in de vest aldaar. Hij betoogt dat zijn verzoek zal strekken tot bevordering van de reinheid van de gemeente en een verbetering op dat punt zal zijn.

Het gemeentebestuur besluit in september 1859 te proberen voor veertien jaar te verpachten het ravelijn achter de Beestenmarkt, het zogenaamde Ravelijn de Groene Jager. Dit is 632 roeden en 82 ellen groot. Pachter is thans J. de Jonge Jzn en de pacht loopt tot eind december. Bij de openbare aanbesteding blijkt de herbergier Jan Koens de hoogste bieder. De nieuwe pachter Jan Koens verzoekt de gemeenteraad eind december 1859 vergunning om op het ravelijn een nieuw huis te bouwen. Hij wordt uitgenodigd om een tekening, bestek en berekening van de kosten over te leggen. Burgemeester en wethouders geven er in februari 1860 echter de voorkeur aan de pachttermijn te verlengen boven de uitgifte van het perceel in erfpacht. Ze leggen de gemeenteraad een tekening voor van het gebouw dat Koens voornemens is op het ravelijn te stichten De gemeenteraad besluit de herbergier Jan Koens vergunning te verlenen om het op het ravelijn staande huis in wijk D nummer 222 af te breken en daarop een nieuw huis op zijn kosten te laten bouwen.

Ook komt er een verzoek in november 1859 van de vleeshouwer D. Lion om de wal langs zijn slachthuis in wijk C nummer 186 te mogen effenen en af te laten graven om een uitweg te verkrijgen naar zijn mestput aldaar.
Eind 1859 doet wethouder Kakebeeke verantwoording van zijn gehouden beheer over de verkoop van zand en de aanleg van de wallen in de gemeente over 1856.

Waterleiding

Er doet zich in februari 1856 een kwestie voor over de in de Wijngaardstraat bestaande waterleiding. Het gaat tussen de heren Van den Bussche en Olivier over de waterafvoer tussen de stoepen en ook door de goot langs hun huizen in wijk A nummers 195 en 196. Van den Bussche verlangt zijn water van de bestaande bovenkeuken af te leiden met een buis naar beneden aan de voorzijde langs de voorgevel tot beneden en ook met een gootje langs de scheiding tussen de beide stoepen. Olivier maakt hier bezwaar tegen.
Er wordt een rapport opgesteld over de kwestie van de waterleiding in de Wijngaardstraat en ook de goot langs deze huizen in wijk A nummers 195 en 196.

Zoute vest na droogmaking

In 1847 is de 's-Heer Hendrikskinderenpoort afgebroken en vervangen door de zogenaamde 's-Heer Hendrikskinderenbarrière. Tegelijkertijd werd toen de noordelijk daarvan gelegen vest droog gemaakt en in cultuur gebracht.

In oktober 1854 stellen burgemeester en wethouders de gemeenteraad voor de droog gemaakte grond buiten de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière, ter grootte van 63 roeden en 50 ellen en deel uitmakende van sectie D nummer 941, in het openbaar als weiland voor het beweiden met paarden, hoornvee en schapen te verpachten voor veertien jaar. Deze grond is namelijk nog niet geschikt om bebouwd of als warmoezerij gebruikt te worden zonder gevaar te lopen dat deze voor een reeks van jaren bedorven is. Bovendien zou een warmoezerij daar ter plaatse het aanzien van de stad ontsieren. Wellicht is het in de toekomst wenselijker deze grond met hakhout in te steken. De gemeenteraad volgt dit voorstel. In november worden de voorwaarden vastgesteld volgens welke het college aan de meestbiedende in het openbaar zal trachten te verpachten de drooggemaakte grond buiten en aan de noordzijde van de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière voor zeven jaar.

De logementhouder en koemelker Hermanus Werri deelt het gemeentebestuur in juli 1855 mee dat hij bij de openbare verpachting in november voor veertien jaar heeft gepacht de droog gemaakte grond aan de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière. Daarbij werd bepaald dat deze grond moet worden gebruikt tot beweiding met paarden en hoornvee. Na de grond daarvoor in orde te hebben gebracht, heeft hij beproefd aan die bepaling te voldoen. Tot zijn leedwezen heeft hij echter ondervonden dat het terrein nog ongeschikt is en de daarop grazende beesten door de aardkorst zakken. Om de grond harder te laten worden en tot dichtlegging en beweiding geschikt te maken is het hem noodzakelijk voorgekomen het terrein eerst te bezaaien met koolzaad. Hij verzoekt toestemming het terrein dit jaar te bezaaien met koolzaad en zonodig het volgend jaar met het gewas dat volgens de rotatie in Zuid-Beveland gebruikelijk is.

Het gemeentebestuur verpacht in januari 1856 de dijk van de 's-Heer Hendrikskinderenbarrière noord op tegen het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest aan O. van Wasbeek voor ƒ 30. Ook worden aan H. Werri verpacht 20 roeden en 70 ellen grond, zijnde een gedeelte gelegen binnen de poort in de zoute vest onderaan de stadswal tegen de zaagmolen en strekkende tot tegen het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest. In november 1856 worden ook aan Werri verpacht 18 roeden en 10 ellen hoveniering in de voormalige zoute vest.

HUIZEN

Nieuwbouw woningen

In augustus 1859 geeft de timmermansbaas Johannes Marinus van der Made te kennen dat hij, onder intrekking van zijn eerder verzoek van 10 juni, in erfpacht zou willen verkrijgen de strook grond gelegen tussen het kanaal naar de zaagmolen en de weg naar de begraafplaats, langs de grond bestemd voor de gasfabriek, ter grootte van 22 roeden en 10 ellen, volgens de door hem overgelegde kaart. Bij de brief bevindt zich een fraaie situatietekening met daarop aangegeven de haven, de er langs lopende grindweg, de begraafplaats, de gasfabriek en de meestoof.

Van der Made verzoekt in augustus 1860 zowel in zijn eigen belang als dat van het algemeen in de dringende behoefte aan geschikte arbeiderswoningen te voorzien door het bouwen van enige nieuwe woningen. Weliswaar zijn vorig jaar voor datzelfde doel enige roeden grond tegenover de gasfabriek afgestaan, waarvan een gedeelte nog niet voltooid is. Maar om bepaalde redenen is hij verplicht geweest die van de hand te doen. Als zeer geschikt voor zijn doel is hem voorgekomen een ongekadastreerde strook grond, gelegen zuidwaarts west en noordwaarts van de smidse van de weduwe Robijn, thans als plantsoen in eigendom van de gemeente. Om deze redenen verzoekt hij de strook grond zoals deze op de overgelegde situatietekening gestippeld is aangegeven, in erfpacht beschikbaar te stellen om daarop tot genoegen van het gemeentebestuur geschikte arbeiderswoningen te bouwen. Er zit een potloodschetsje van de bouw van twee woningen bij aan het Noordeinde achter de Lange Nieuwstraat en een situatietekening.

Verandering van voorgevels van panden

Gedurende deze jaren worden tal van panden in de binnenstad verbouwd en gerenoveerd, gevels veranderd en schoorstenen gebouwd, trapgevels in daklijstgevels veranderd, gevels bepleisterd en zonneschermen aangebracht. Vooral vanaf 1858 is er een ware hausse van aanvragen om bouwvergunning voor het wijzigen en doelmatiger maken van voorpuien.
De jaren 1854 tot en met 1860 kenmerken zich dan ook door de zeer vele verzoeken om een bouwvergunning voor de verbouw van voorgevels van monumentale panden, het aanbrengen van stenen schoorstenen, het bepleisteren van gevels en het aanbrengen van zonneschermen.

Hieronder volgt een opsomming van de wijzigingen van de huizen. Opmerkelijk is dat vanaf deze jaren bij aanvragen om verbouwingen schetstekeningen worden meegezonden. Op deze wijze bevat het gemeentearchief een rijke verzameling bouwtekeningen van de huizen in de binnenstad zoals deze er omstreeks 1850 uit zagen en zoals deze gewijzigd werden.

1854

  1. Dokter C.T. Callenfels krijgt vergunning om in het woonhuis op de Grote Kade in wijk D nummer 29 de voorgevel geheel af te breken en op te bouwen volgens de overgelegde tekening en om in de voorkamer en achterkamer een geheel nieuwe schoorsteen en in de keuken twee nieuwe fornuizen te plaatsen.
  2. De horlogemaker en goud- en zilversmid P.F. de Jonge krijgt toestemming om in zijn pakhuis achter zijn huis in wijk C nummer 36 een vuurhaard of smidse te plaatsen voor het smelten en verwerken van gouden en zilveren werken. Onder de brief is een potloodschetsje van de vuurhaard getekend.
  3. J.P. Kakebeeke krijgt toestemming een verandering aan te brengen in zijn woonhuis aan de Keizerstraat in wijk D nummer 21.
  4. Boekhandelaar Jacobus Mulder krijgt vergunning om de gevel van zijn pand op de Kaai in wijk D nummer 233 te herbouwen.
  5. Burgemeester mr. M.P. Blaaubeen krijgt toestemming voor het afbreken en opbouwen in zijn woonhuis aan de Keizerstraat in wijk D 20 in die zin 'dat het zomerhuis en verder de achtergevel van de keuken, uitkomende in het Ossenhoofdstraatje, wordt afgebroken en wordt opgebouwd volgens de overgelegde tekening, mits plaatsende een bekwame stelling met onderbeschot, de bestaande schoorsteen in de keuken worde weggebroken en vervangen door een nieuwe'.
  6. Aannemer F.W. Goossen krijgt vergunning om de gevel van zijn huis in wijk B nummer 179 te veranderen.
  7. Christiaan van Fraassen krijgt in april vergunning voor het veranderen van de gevel van zijn woonhuis aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 181 overeenkomstig de overgelegde tekening. Volgens de tekening wordt de trapgevel veranderd in een gewone topgevel.

1855

  1. A.J.P. Saaymans Vader, directeur van de alcoholfabriek, krijgt toestemming om een schoorsteenpijp in zijn woonhuis op de Kleine Kade in wijk B nummer 172 aan te brengen.
  2. De winkelier in de Papegaaystraat Ferdinandus Josephus Collesaer krijgt vergunning om aan zijn woonhuis in wijk C nummer 96 drie zonneschermen te hangen, mits deze niet breder komen dan de stoep en met inachtneming van de bestaande verordening.
  3. M. Klemkerke krijgt vergunning om aan zijn woonhuis in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 19 twee zonneschermen te hangen.
  4. Jan Vertregt krijgt toestemming om nieuwe deurkozijnen aan te brengen in het achterhuis in de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 179, uitkomende op de Keizersdijk.
  5. J.G. Janssen mag een nieuw lichtkozijn en een deurkozijn aanbrengen in het pakhuis op de hoek van het Witte Paardstraatje en het Korte Vosstraatje in wijk C nummers 78 en 79.
  6. M. Zandijk krijgt toestemming om een gedeelte van de voorgevel van zijn woonhuis aan de Nieuwstraat in wijk D nummer 160 af te breken en te hermetselen met het verzetten van het deurkozijn.
  7. Bartel Meijers is door aankoop eigenaar geworden van een schuur op het zogenaamde Plein tegenover de Ganzepoort. Hij is voornemens zich binnen enige dagen metterwoon in de Voorstad te vestigen. Hij zou de schuur willen inrichten om paarden te stallen. Om daartoe te kunnen geraken heeft hij nodig om op het Plein voor die schuur enige wagens te plaatsen hetgeen speciaal alleen op dinsdag plaats heeft en met iedere dag van de week voorvalt. Hij krijgt vergunning om bij die schuur op het stadsplein wagens te plaatsen.
  8. Pieter Remijn krijgt toestemming om aan zijn woonhuis aan de Ganzepoortstraat bij de Ganzepoort in wijk C nummer 182 een plankentuin aan te brengen.

1856

  1. Jan de Fouw krijgt vergunning om de voorgevel van zijn woonhuis op de Grote Markt in wijk A nummer 9 te vernieuwen en te veranderen en de stookboezem op de bovenkamer weg te breken en te vervangen. Er zit een fraaie tekening bij van de nieuwe voorgevel.
  2. J.H. de Laat de Kanter krijgt voor de heer P.Y. Knoll vergunning om de voorgevel van zijn woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 234 geheel af te breken en daarna te vernieuwen volgens de overgelegde tekening. Hij wil dit pand inrichten voor koetshuis, paardenstal en berging voor hooi en stro.
  3. Broodbakker Abraham Lu Duc krijgt vergunning om in zijn woonhuis aan de Keizerstraat in wijk D nummer 18 (het tweede huis vanaf de Magdalenastraat/Opril Beestenmarkt, zijde Ossenhoofdstraat) een bakoven te plaatsen.
  4. Jan de Fouw krijgt vergunning om op zijn stoep rond de kelderval een ijzeren hek te plaatsen in zijn huis op de Grote Markt in wijk A nummer 9.
  5. J.C. Kakebeeke krijgt vergunning om aan zijn woonhuizen op de Beestenmarkt in wijk D nummers 199 en 120 enige veranderingen aan te brengen. Er zit een fraaie tekening bij van de voorgevels.
  6. Johannes de Leeuw verzoekt voor P. Theune vergunning om de oude ramen uit het dubbele lichtkozijn te nemen en te vervangen in het huis staande op de Vlasmarkt in wijk A nummer 36.
  7. Willem den Boer Az krijgt vergunning om de voorgevel van het huis wijk in wijk A nummer 202 te veranderen, de stoep te verleggen en de keel van de welput af te breken. Er zit een bijzonder fraaie tekening van het pand bij.
  8. J.J. Bakker krijgt vergunning om zes nieuwe woningen te bouwen op grond in wijk E nummer 27.
  9. C. de Fouw krijgt toestemming om voor de goot voor zijn koetshuis in het Goudenmuilstraatje in wijk A nummer 44 een openstaande plank te leggen; aan de goot zelf wordt niets veranderd.
  10. In december verkoopt het gemeentebestuur het brandspuithuisje in de Voorstad. Daar stond voorheen de zogenaamde Voorstadspuit. De eigenaar van de grond waarop het huisje is gesticht biedt hiervoor ƒ 150.
  11. J.C. Kakebeeke legt in maart een ontwerp over voor een nieuw koetshuis en paardenstal in het Ossenhoofdstraatje in verband met het perceel daarnaast, dat hij heeft aangekocht van G.H. Kakebeeke. Hij deelt mee dat de deuren en vensters naar buiten uit zullen slaan, doch zodanig zullen worden aangehangen dat deze bij het openen tegen de muur zullen rusten.

Zeer vele verzoeken worden deze jaren ingediend om vergunning voor het veranderen of vernieuwen van schoorstenen.

1857

  1. De slachter J. Sloover krijgt vergunning om de gevel van zijn slachthuis in wijk B nummer 83 te vernieuwen.
  2. De logementhouder J.E. Loobeek krijgt vergunning om de gevel van het huis aan de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 112 af te breken en te vernieuwen.
  3. Johannes Dekker krijgt toestemming om de kap van zijn woonhuis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 104 af te nemen en daarop te brengen een nieuwe verdieping zoals aangegeven op de overgelegde schetstekening.
  4. P.F. de Jonge krijgt vergunning om enige verandering te brengen in de voorgevel van zijn woonhuis en winkel in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 36. De bestaande mendeuren uitkomende in het Paardenstraatje worden weggebroken en vervangen door een dubbel lichtkozijn.
  5. F.W. Goossen krijgt vergunning om voor het huis op de Kleine Kade in wijk B nummer 179 een stelling te plaatsen om de gevel met Portlandse cement te bestrijken.
  6. Jan van Hoef krijgt vergunning om de gevel van het koetshuis en stal in het Ossenhoofdstraatje in wijk D nummer 110 te veranderen. Hij mag in de stal en het koetshuis koebeesten stallen, hooi en stro bergen en een mestput aanleggen.
  7. J. Engelblik krijgt vergunning om de gevaarlijke spitse gevel van een van zijn woonhuizen in de Lange Vos in wijk C nummer 147 weg te breken en daar een fronte Spice aan te brengen.
  8. W. de Fouw krijgt vergunning om van het huis op de hoek Bierkade/Keizerstraat in wijk D nummer 1 de gevel te veranderen en in de zijgevel twee nieuwe lichtramen te plaatsen en de gevel met Portlandse cement te bestrijken.
  9. G. van Ettinger krijgt vergunning om een stelling op het rabat van de straat te plaatsen voor enige dagen om de voorgevel van zijn woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 223 te laten bestrijken met Portlandse cement.
  10. N. Duivewaard krijgt vergunning om enige verandering aan te brengen aan zijn achterhuis, staande achter het huis in de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 178, komende tegen de Oprel naar de Keizerdijk.
  11. Jan Ossewaarde krijgt vergunning om zijn huis in de Korte Vosstraat in wijk C nummer 91 te verbouwen zoals op de bijgevoegde schetstekening is aangegeven.
  12. Willem de Jonge Jzn mag de voorgevel van zijn stal, staande en gelegen bij de afgebroken Koepoort in de Wijngaardstraat in wijk A nummer 160 afbreken en weer opbouwen volgens de overgelegde tekening.
  13. Adriaan van Delft krijgt vergunning om de voorgevel van zijn woonhuis in de Sint Magdalenastraat in wijk A nummer 20 te veranderen in die zin dat de kandeling lagen worden afgenomen en het spitse gedeelte van de gevel met holle hoeken wordt bewerkt en daarna de gevel met Portlandse cement wordt bestreken.
  14. N. Vertregt krijgt vergunning om de stoep voor zijn woonhuis in de Wijngaardstraat in wijk A nummer 83 te verleggen en de borstwering onder de ramen met Portlandse cement te bestrijken.
  15. J.P. Kakebeeke krijgt vergunning enige veranderingen aan te brengen aan zijn pand in wijk D nummer 219, te weten boven de bestaande keuken in het achterhuis twee el op te trekken en een schoorsteen te bouwen die achter de keuken staat en gelegen is achter het huis in wijk D nummer 219 op de Beestenmarkt, uitkomende in de oude Brouwersgang. Het betreft de zijkant van het pand langs de Brouwersgang.
  16. J.G. Janssen krijgt vergunning om de gevel van zijn huis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 220 met Portlandse cement te laten bestrijken.
  17. Jacob Meijers krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 22 te veranderen. Hij verzoekt om de oude pui met nevenstaand raamkozijn uit zijn voorgevel te breken zoals aangegeven op de bijgevoegde schetstekening en te veranderen. Het wordt een prachtige winkelpui zoals uit de overgelegde tekening blijkt.
  18. E.F. van Kalmthout krijgt in maart vergunning om in zijn huis op de Oprel van de Grote Markt, uitkomende in het Zevenhoekstraatje, in wijk B nummer 3 een verdieping op zijn achterkeuken te bouwen en aldaar op de zolder een werkschoorsteen te bouwen geheel van metselsteen, dienende voor een meubelmaker.
  19. W.A. Anemaet krijgt vergunning om aan zijn logement 'de Oude Zoutkeet' op de Grote Markt in wijk A nummer 10 de voorgevel met Portlandse cement te laten bestrijken en de onderdorpels van de kozijnen vooruitspringend te laten aanbrengen.
  20. Jan Wabeke krijgt vergunning om de twee deurstijlen van de voorgevel in zijn smidse in de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 202 te veranderen overeenkomstig de overgelegde tekening.
  21. Johannes Jacobus Bakker krijgt vergunning om in zijn schuur in wijk B nummer 87, staande en gelegen op de dijk bij de Bocht van Guinee, vroeger in eigendom behoord hebbende aan P. Remijn Az, tegen het hang in de wal tussen de Korte Nieuwstraat en de weggebroken Oostpoort, daar in te mogen maken een koeiestal en tevens ook een varkenskot met hier in te mogen bergen hooi en stro en om op de erve achter de schuur aan te leggen een mestput.
  22. P. Panny krijgt vergunning om in de bakkerij in de Keizerstraat in wijk D nummer 18 onder de bemanteling van de schoorsteen een fornuis te plaatsen, voorzien van een ijzeren pot.
  23. A. Meijler krijgt vergunning om enige verandering te brengen aan zijn woonhuis op de Beestenmarkt in wijk A nummer 29 overeenkomstig de overgelegde fraaie tekening. Hij wil de kleine raampjes in de kozijnen, bestaande elk uit 35 ruitjes, vervangen door kozijnen met 6 raampjes, en de deur een moderner aanzien geven.
  24. D. Lion krijgt vergunning om in zijn huis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 17 de twee thans bestaande kruiskozijnen die in zijn voorgevel staan op de hoogte van de tweede verdieping uit te breken en door nieuwe kozijnen en nieuwe schuiframen te vervangen.
  25. Mr. P. Lenshoek van Kerkwijk krijgt vergunning om de weggebroken bovenschoorsteenpijp in de achterkeuken van zijn huis aan de Kleine Kade in wijk B nummer 171 op te metselen tot twee ellen boven het afdak.
  26. P. Fabrij de Jonge krijgt vergunning om in zijn huis in het Korte Vosstraatje in wijk C nummer 77 de bestaande oude schoorsteen te vernieuwen.
  27. J.M. van der Made krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis in wijk B nummer 154, staande tussen de twee poorten, te veranderen volgens de overgelegde tekening.
  28. J.P. de Wijs krijgt toestemming om een stoep te leggen met arduinstenen leien. Daarbij mag hij plaatsen twee à drie paaltjes van hout of ijzer tot vrijheid van de stoep aan het woonhuis in de Korte kerkstraat in wijk A nummer 108.

1858

  1. J.P. Kakebeeke krijgt toestemming om in wijk A nummer 214 een woonhuis, stal en koetshuis te laten bouwen.
  2. C. Schot krijgt vergunning om de voorgevel van zijn pakhuis in het Sint Adriaanstraatje in wijk A nummer 66 af te breken en te brengen in de staat zoals op de bijgevoegde tekening is aangegeven.
  3. E.F. van Kalmthout krijgt vergunning om zijn stalletje in de Korte Nieuwstraat in wijk B nummer 81 geheel af te breken en op te bouwen zoals op de overgelegde tekening is aangegeven.
  4. J.P. Kakebeeke verlangt in februari om op de open erve, vroeger in wijk A nummer214, liggend achter de Franse jonge juffrouwenschool, tegen de zogenaamde Brouwersgang van de Beestenmarkt naar de wal, een woonhuisje en koetshuis met paardenstal te bouwen zoals op de overgelegde tekening is aangegeven en ook een bergplaats voor hooi en stro met een mestput. Hij overlegt een tekening met daarop aangegeven: A Brouwersgang; B plattegrond woonhuis; C keuken; D open plaats; E voorfront van B; F voorplein voor koetshuis en paardenstal; G koetshuis; H paardenstal; I voorfront van het koetshuis en de paardenstal; K de gevel van dit gebouw; L mestput.
  5. Mevrouw de weduwe De Leeuw krijgt vergunning om de voorgevel van haar woonhuis aan de Grote Kade in wijk B nummer 12 weg te nemen en te vernieuwen overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  6. J.B. Arentz krijgt vergunning om de voorgevel van zijn pand aan de Voorstad in wijk E nummer 119 te wijzigen volgens de overgelegde tekening.
  7. J.J. de Graaff krijgt vergunning om de gevel van zijn huis in de Sint Magdalenastraat in wijk A nummer 22 enigszins te veranderen door het veranderen van twee kozijnen.
  8. J.M. van der Made krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Lange Vorststraat te veranderen door de twee bestaande kozijnen met ramen te veranderen volgens de overgelegde fraaie schetstekening.
  9. Johannes Proos krijgt vergunning om de gevel van haar huis in de Magdalenastraat in wijk D nummer 12 te veranderen volgens de overgelegde fraaie tekening.
  10. Mevrouw de weduwe Rochefort geboren De Leeuw krijgt vergunning om het zomerhuis achter haar huis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 224 te veranderen volgens de overgelegde schetstekening. Dit zomerhuis staat achter haar woonhuis in de Lange Vorststraat, uitkomende het zomerhuis tegen de stadswal.
  11. Johannes Dekker krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis aan de Grote Kade in wijk B nummer 31 af te breken en opnieuw op te bouwen volgens de overgelegde zeer fraaie schetstekening, waaruit blijkt dat de voorgevel geheel gewijzigd wordt.
  12. Johannes Dekker Lzn krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis aan de Oprel van de Grote Markt in wijk B nummer 7 of 17 te bestrijken met Portlandse cement en ook om de schoorsteen die onder het dak is af te breken en weer op te trekken.
  13. Het gemeentebestuur verklaart in april 1858 dat het woonhuis aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 77, in eigendom van de verver Jacobus Eduard Verbiest, wonende te Zierikzee, in een zodanige bouwvallige toestand verkeert dat het gevaarlijk is zowel voor het belendende gebouw in wijk A nummer 78 als voor de voorbijgangers of anderen; hij wordt gelast binnen veertien dagen dit woonhuis te herstellen of te doen herstellen.
  14. J. van Renterghem de Fouw krijgt toestemming om de stookplaats in de keuken van zijn huis aan de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 109 te verhogen.
  15. Cornelis Korstanje krijgt vergunning om aan zijn nu bestaande schuur in de Voorstad in wijk E nummer 75 een gedeelte nieuw te stichten overeenkomstig de overgelegde tekening.
  16. Hendrik Cornelis Pilaar, secretaris van de gemeente Goes, geeft te kennen dat door de storm tussen 7 en 8 maart een gedeelte van de schoorsteen in de keuken van zijn huis aan de Grote Markt in wijk A nummer 7, toebehorende aan zijn schoonzoon J.M. de Jongh, luitenant adjudant bij de marine te Hellevoetsluis, is afgewaaid. Hij krijgt toestemming om de schoorsteen te laten afbreken en weer op te metselen.
  17. W. den Boer krijgt vergunning om de bestaande onderkozijnen uit de voorgevel van zijn huis op de Vlasmarkt in wijk A nummer 34 te veranderen; de fraaie voorgevel met vakramen verandert daardoor in een gevel met eenvoudige raam- en deurkozijnen zonder vakverdeling.
  18. A. van Leent krijgt vergunning om aan de gevel van het zomerhuis in de Sint Jacobstraat, dat uitziet op de wal in wijk B nummer 130, enige verandering te brengen. De bestaande schuifkozijnen worden weggebroken en vervangen door een nieuwe zoals op de schetstekening is aangegeven.
  19. E. Barbier krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 215 te vernieuwen overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  20. P.M. Verboom krijgt vergunning om aan zijn huis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 123 een verbetering aan te brengen, bestaande uit de vernieuwing in het onderste gedeelte van de pui met twee ramen met kozijnen, dit overeenkomstig de overgelegde fraaie tekening van de trap.
  21. Mevrouw de weduwe Kleeuwens krijgt toestemming om de voorgevel van haar huis op de Vlasmarkt in wijk A nummer 38 te veranderen en te vernieuwen, bestaande in het gedeeltelijk wegbreken van de oude gevel en deze te veranderen zoals op de zeer fraaie schetstekening is aangegeven.
  22. A. de Buck krijgt vergunning om in zijn woonhuis in het Oude Manhuisstraatje (Zusterstraat) in wijk A nummer 90 enige verandering aan de voorgevel te doen, bestaande in het uitbreken van de oude ramen en deur van de onderpui en deze te vernieuwen zoals op de fraaie schetstekening is aangegeven.
  23. M.H. de Witte krijgt in juni vergunning om aan de voorgevel van zijn pand een uitstekend bord te plaatsen, niet verder dan zijn voorstoep breed is, in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 19.
  24. Jacob Scheffer krijgt in juni vergunning om zijn huis aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 77 gedeeltelijk af te breken, nieuwe schoorstenen te maken en de stoep te verleggen.
  25. Jan Olivierse krijgt in juli vergunning om van het pakhuis of afdak achter zijn huis in de Wijngaardstraat in wijk A nummer 168 tegen de wal een woning te maken overeenkomstig de overgelegde tekening.
  26. Apotheker G.M. le Cointre krijgt in juli vergunning om verandering te brengen aan het woonhuis op de Turfkaai in wijk D nummer 22 (Le Cointre vermeldt in zijn brief Grote Kade in wijk D nummer 22) overeenkomstig een door hem overgelegde bijzonder fraaie tekening.
  27. Pieter Bernardus Schaap, herbergier thans wonende te Wemeldinge, krijgt toestemming om op gemeentegrond een logement en stalhouderij te bouwen op het Plein buiten de Ganzepoort in wijk D 541 en 542 overeenkomstig een door hem overgelegde fraaie situatietekening, waarop o.a. de wagenmakerij van Meyler, de andere gebouwen op het plein, de brug en de poort te zien zijn.
  28. Timmerman W.J. van de Weert krijgt in juli vergunning om zijn huis in de Sint Adriaanstraat in wijk A nummer 63 te veranderen en te vernieuwen door het wegbreken van de voorgevel en zijgevel, uitkomende in het achterstraatje, het wegbreken van twee afzonderlijke schoorstenen en door een dubbele schoorsteen te vervangen overeenkomstig een overgelegde schetstekening.
  29. G. van Calmthout krijgt in augustus vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 229 te veranderen en de stoep te verleggen overeenkomstig een overgelegde fraaie tekening.
  30. J. Engelblik krijgt in september vergunning om enige verandering aan te brengen in de voorgevel van het pand van Adriana Visser, staande in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 101, bewoond door K. Visser, overeenkomstig een overgelegde tekening. Het deurkozijn en de twee raamkozijnen met in totaal 84 kleine ruitjes worden vervangen door twee raamkozijnen met elk 6 ruiten en een deurkozijn met 5 ruiten.
  31. Notaris Johannes Gerard Risseeuw deelt in september mee dat hij voornemens is om zijn huis op de Beestenmarkt in wijk D nummer 123 en genaamd 'de bonte Koe' dadelijk na bekomen vergunning geheel en tot de grond af te doen breken, het daardoor ontstane open terrein te doen afsluiten met een planken heining, te voorzien van een bekwame deur voor het bezoeken van de gemeentegang en dat afgesloten terrein alzo te laten liggen tot het aanstaande voorjaar. Hij wil het plan tot herbouw nader aan het gemeentebestuur voorleggen en verlangt tevens om de van dat gebouw afkomende afbraak op de Beestenmarkt te mogen plaatsen en schoonmaken om daarna binnen de kortst mogelijke tijd in het openbaar te verkopen. Tevens verzoekt hij in zijn door hem bewoonde huis aan de Beestenmarkt in wijk D nummer 125 zo spoedig doenlijk een buitenbovenpijp op een schoorsteen te doen bouwen tot een el boven de nok van het dak. Ook wenst hij in het zogenaamde spreekkamertje in dit pand zo spoedig mogelijk een nieuwe Italiaanse stenen schoorsteen te doen bouwen. Risseeuw heeft het pand gekocht van de erven van Johannes Franken. Hij krijgt hiervoor toestemming.
  32. M.J. Soutendam deelt in september mee dat hij op zijn hofstede, genaamd 'Valckeslot', in de stookplaatsen enige verandering wenst aan te brengen en wel de grote wijde schoorsteen af te breken en een andere met recht opgaande pijp te laten opbouwen. Hij krijgt hiervoor toestemming.
  33. Arie Smit krijgt in september vergunning om een verandering aan te brengen in de voorgevel van zijn huis in de Kleine Kerkstraat in wijk C nummer 253 volgens een overgelegde tekening. Er wordt een dubbel raamkozijn met in totaal 60 kleine ruitjes vervangen door twee los van elkaar staande raamkozijnen met elk 6 ruiten.
  34. B. van Duijn krijgt in september vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Koningstraat in wijk B nummer 9 te veranderen in die zin dat de drie bestaande kozijnen op de tweede verdieping worden uitgebroken en door drie nieuwe te vervangen.
  35. Pieter van Liere krijgt in september vergunning om in het woonhuis in de Sint Adriaanstraat in wijk A nummer 62 de bestaande oude ramen te doen wegnemen en te verwisselen door nieuwe en de deur uit het midden te doen verplaatsen naar de rechterzijde van de voorgevel volgens de overgelegde tekening.
  36. J.H. Stieger krijgt in oktober toestemming om de gevel van zijn huis in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 38 te veranderen volgens de overgelegde schetstekening.
  37. J.J. Bakker krijgt in oktober vergunning om op het terrein, liggende in wijk B nummers 87 en 88 en uitziende op de wal, en het terrein uitkomende in de Korte Nieuwstraat om daarop te bouwen een gebouwtje onder één kap, uitmakende drie woonvertrekken overeenkomstig een overgelegde tekening.
  38. D. Verheule krijgt in december vergunning om de voorgevel van het huis in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 40, bewoond door de mandenmaker A. Visser, te vernieuwen overeenkomstig zijn overgelegde tekening.

1859

  1. De herbergier Adriaan de Winter mag de stalling, die gesticht is door zijn voorganger P.B. Schaap, op de hem in erfpacht gegeven gemeentegrond op het Plein buiten de Ganzepoort, thans aan hem in eigendom toebehorende, volgende de overgelegde schetstekening tot woning inrichten.
  2. De bierbrouwer uit de bierbrouwerij 'de Gans' aan de Wijngaardstraat, E. de Meulemeester, mag een gebouw stichten buiten de Koepoort in wijk C nummer 355.
  3. P.A. Hochart en A. Biersteker mogen een stelling tegen hun huizen in wijk D nummers 2 en 3 plaatsen om de gevels te laten bestrijken met Portlandse cement.
  4. Ook J. Wabeke mag een stelling plaatsen om de gevel van zijn huis in wijk C nummer 202 te laten bestrijken met Portlandse cement.
  5. J. Olivierse krijgt vergunning om het pakhuis in wijk A nummer 168 om te bouwen tot woningen.
  6. Metselaar Marinus Boet krijgt in januari vergunning om de gevel te veranderen van zijn huis in de Lange Vos (Lange Vorststraat) in wijk C nummer 150 volgens de overgelegde tekening.
  7. C. Sandijck krijgt in januari vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Nieuwstraat in wijk D nummer 160 te veranderen volgens de overgelegde mooie tekening.
  8. Jacobus Scheele krijgt in februari vergunning om de gevel van zijn huis in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 39 te veranderen volgens de overgelegde tekening. Elk van de twee zijramen van de bestaande gevel telt 48 ruitjes; deze veranderen in 12 ruiten per raam. De voordeur telde 24 ruitjes; deze verandert in een dichte deur en een bovenraam.
  9. Hermanus Boet krijgt in februari vergunning om de huizen in de Ganzepoortstraat in wijk C nummers 204 en 205 onder één doorgaande gevel te brengen en een schoorsteen te bouwen overeenkomstig de bijzonder grote en fraaie tekening.
  10. Timmerman W.J. van de Weert is voornemens aan de stallen van de heer C. de Fouw in het Gouden Muilstraatje in wijk A nummers 44 en 45 de beide voorgevels weg te breken en deze onder één lijn weer op te bouwen overeenkomstig de overgelegde tekening.
  11. Petrus Johannes Janssens krijgt vergunning om in zijn pakhuis aan de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 84 'een slagterij' op te richten.
  12. Broodbakker Leendert van der Stel krijgt in maart vergunning om in zijn huis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 103 een bakoven te stichten overeenkomstig de overgelegde tekening.
  13. Timmerman Petrus Johannes van den Berg deelt in maart mee voornemens te zijn aan zijn woonhuis in het Manhuisstraatje in wijk A nummer 94 de voorgevel of voorpui te veranderen overeenkomstig de overgelegde tekening.
  14. W. de Jonge, namens de gezusters Sterk, krijgt vergunning om de gevel van het huis op de Grote Markt in wijk C nummer 57 te veranderen overeenkomstig de overgelegde fraaie tekening. Daaruit blijkt dat de trapgevel verandert in een lijstgevel.
  15. J.M. van der Made namens H.C. van Deinse krijgt in maart vergunning om de gevel van het koetshuis in de Lange Vorststraat in wijk C nummers 234 en 235 te veranderen en om het koetshuis tot kantoor in te richten overeenkomstig de overgelegde fraaie tekening.
  16. G. Sterk krijgt in maart vergunning om de voorgevel van zijn huis op de Grote Markt in wijk C nummer 52 te veranderen en van zonneblenden te voorzien overeenkomstig de overgelegde tekening. De bestaande trapgevel wordt gewijzigd in een nieuwe lijstgevel.
  17. J.G. Risseeuw krijgt in maart vergunning om op het terrein van de voormalige 'Bonte Koe' in wijk D nummer 124 op de Beestenmarkt een gebouw te stichten overeenkomstig de overgelegde tekening.
  18. B.M. den Boer krijgt in maart vergunning om zijn schuur in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 78 af te breken en weer op te bouwen.
  19. Laurens Rijk krijgt in maart vergunning om de gevel van zijn huis in de Nieuwstraat in wijk D nummer 209 te wijzigen overeenkomstig de overgelegde fraaie tekening.
  20. A. van de Weert krijgt vergunning om de gevel van het huis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 74 te veranderen overeenkomstig de overgelegde mooie tekening.
  21. E.F. van Kalmthout krijgt vergunning om de gevel van zijn huis aan de Oprel van de Grote Markt in wijk B nummer 3 enigszins te veranderen overeenkomstig de bijgevoegde tekening.
  22. A. de Kouter krijgt in april vergunning om de gevel van het huis in de Nieuwstraat in wijk D nummer 19 te veranderen overeenkomstig de overgelegde tekening. In elk van beide raamkozijnen wijzigen 35 ruitjes in 6 ruiten. In het deurkozijn wijzigen 35 ruitjes in 6 ruiten.
  23. L. Rijk krijgt in mei vergunning om de voorgevel van zijn woonhuis in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 93 weg te breken, ook met de gehele kap, en te brengen in de situatie zoals op de overgelegde tekening is aangegeven.
  24. F. Sterk krijgt in mei vergunning om de gevel van zijn huis in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 41 te veranderen overeenkomstig de overgelegde schetstekening. Uit de tekening blijkt dat het aantal ruitjes in de voordeur wijzigt in vijf ruiten en het rechter raamkozijn wijzigt in twee raamkozijnen.
  25. W. de Jonge Jz krijgt in mei vergunning om in de gevel van zijn huis op de Grote Markt in wijk C nummer 56 nieuwe ramen en een deur aan te brengen.
  26. W. de Jonge krijgt in mei vergunning om in de voorgevel van zijn huis op het breedje van de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 153 een nieuw schuifkozijn te plaatsen.
  27. Winkelier M. Sterk krijgt vergunning om de gevel van zijn huis aan de Turfkade in wijk D nummer 26 gedeeltelijk af te breken en nieuw op te bouwen overeenkomstig de overgelegde zeer fraaie tekening.
  28. Slager Jacobus Johannes Sloover krijgt in april vergunning om de gevel van zijn huis in de Sint Magdalenastraat in wijk A nummer 18 te veranderen overeenkomstig de bijgevoegde fraaie tekening. De voordeur en beide zijramen, samen met 60 ruiten, verandert in 14 ruiten in totaal. Op de bovenverdieping wijzigt een raam in 2 raamkozijnen met elk 6 ruiten.
  29. G. Hendrikse krijgt in juni vergunning om de gevel van zijn huis in de Sint Adriaanstraat in wijk A nummer 75 te veranderen overeenkomstig de overgelegde zeer fraaie tekening. De gevel wijzigt van een trapgevel in een gewone gevel.
  30. De koopman J. Olivier krijgt in juli vergunning om het pakhuis aan de Oprel van de Wijngaardstraat in wijk A nummer 168 in te richten tot twee huisjes.
  31. J. Wabeke krijgt in augustus vergunning om zijn woonhuis aan de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 202 te beporten.
  32. P.A. Hochart krijgt in augustus vergunning om een stelling te plaatsen om de voorgevel van zijn huis aan de Grote Kaai in wijk D nummer 2 te beporten.
  33. H. Biersteker krijgt vergunning in augustus toestemming om een stelling te plaatsen om de gevel van zijn woonhuis aan de Grote Kaai in wijk D nummer 3 te kunnen beporten.
  34. De heer J.A.A. Fransen van de Putte schrijft in september het volgende: 'Geeft met verschuldigde eerbied te kennen, Johannes Abraham Adolphus Fransen van de Putte namens zijn broeder Izaac Dignus Fransen van de Putte, thans bewonend het huis op de Grote Markt in wijk A nummer 7. Dat op een achterbovenkamertje in dat huis aan de zijde van het huis, bewoond door de heer Liebert, geen stookplaats aanwezig zijnde, den bewoner zoude verlangen een schoorsteen op te trekken, waartoe adressant zich bij deze wendt tot uw edelachtbaren met verzoek hem daartoe de vereiste vergunning te verlenen'.
  35. Johannes Molhoek krijgt in oktober vergunning om de twee thans bestaande kleine schuifkozijnen, die thans in de voorgevel van zijn pand in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 16 zijn, uit te nemen en hier twee nieuwe grotere schuifkozijnen in te plaatsen overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  36. A. Matthijssen krijgt in oktober vergunning om zijn huis in wijk D nummer 97 op het breedje in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 97 te veranderen alsook de zijgevel van dat huis uitkomende in de Stoofstraat en het pakhuis in wijk D nummer 97 overeenkomstig de overgelegde tekening.
  37. Timmerman Frederik Willem Goossen krijgt vergunning om het achterhuis achter zijn woonhuis in de Lange Vosstraat in wijk C nummer 232 gedeeltelijk af te breken en weer in hout te herbouwen zoals het nu bestaat overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  38. L. Rijk krijgt in oktober vergunning om zijn bestaande pakhuis in de Lange Nieuwstraat in wijk D nummer 209 'de Zevenkoten', dat voor een gedeelte in hout en steen is gebouwd, af te breken en weer geheel in steen op te bouwen tot een woonvertrek overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  39. J.A. Blitz krijgt in oktober vergunning om van zijn huis in de Lange Vosstraat in wijk C nummer 119 het onderste gedeelte van de gevel te veranderen overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  40. W. de Jonge krijgt in november vergunning om zijn bestaande zomerhuis op de 's-Heer Hendrikskinderendijk in wijk E nummer 136 tegen de singel weg te breken en weer op te bouwen, geheel in steen afgedekt met pannen, een huis overeenkomstig de overgelegde schetstekening.
  41. Timmerman J.M. van der Made krijgt 23 roeden en 80 ellen gemeentegrond, gelegen aan het kanaal naar de zaagmolen langs de weg lopende langs de Stoofweide, in erfpacht voor het bouwen van een bergloods en geschikte arbeiderswoningen.

1860

  1. J.M. van der Made krijgt toestemming om op het terrein buiten de voormalige Hoofd-poort, achter elk van de door hem gebouwde huisjes, een varkenshok te bouwen om de bewoners in staat te stellen een varken te mesten.
  2. J. J. Bakker krijgt vergunning om zes nieuwe woningen te bouwen op de grond in wijk E nummer 27.
  3. J. Biersteker krijgt in januari vergunning om de thans bestaande voorgevel van het door pastoor Tielens bewoonde woonhuis aan de Singelstraat in wijk A nummer 106 geheel af te breken en door een nieuwe te vervangen of op te bouwen zoals de overgelegde fraaie tekening aanduidt.
  4. Jan Ossewaarde krijgt vergunning om de voorgevel van zijn huis aan de Papegaaistraat in wijk C nummer 93 te veranderen overeenkomstig de overgelegde tekening.
  5. C. Mieras krijgt in maart vergunning om de gevels van de huizen op de Kreukelmarkt in wijk A nummers 125 en 126 te veranderen zoals op de overgelegde fraaie tekening is aangegeven.
  6. M.C. Koopman krijgt in april vergunning om zijn huis in de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 117 te beporten en daarvoor een stelling te plaatsen.
  7. Slager P.J. Janssens krijgt in april vergunning om de voorgevel van zijn, vroeger als slachthuis bekend staande pand in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 85 te veranderen tot woonhuis.
  8. Boekdrukker, boekbinder en boekhandelaar Simon Jacobus de Jonge krijgt in juni vergunning om de voorgevel van zijn huis in wijk C nummer 176 te beporten.
  9. Magdalena Laamers krijgt in juni vergunning om in de voorgevel van haar woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 137 een houten kozijn te laten uitbreken en hier een nieuw voor in de plaats aan te brengen.
  10. C. van der Markt krijgt in juni vergunning om de kap van zijn woonhuis in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 94 af te breken en om hier een tweede verdieping op te bouwen.
  11. G.H. Vertregt krijgt in juni vergunning om de voorgevel van zijn huis in de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 119 te veranderen in die zin dat er een verdieping wordt opgebouwd overeenkomstig een overgelegde fraaie tekening.
  12. G. Breukelmans krijgt in juli vergunning om aan zijn woning in de Wijngaardstraat in wijk A nummer 159 een bord uit te hangen dat 'bij hem genever en bier getapt en verkocht wordt'.
  13. J.H.C. Kakebeeke krijgt in juli vergunning om de gevel van het huis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 72 te veranderen en de stoep te verleggen. Hij zal de gevel geheel wegbreken tot op de onderste verdieping en weer opbouwen overeenkomstig de overgelegde fraaie tekening.
  14. J.J. Crombouw krijgt in juli vergunning om de gevel van zijn huis op de Grote Markt in wijk C nummer 62 op te trekken en de gevel geheel te bestrijken met Portlandse cement.
  15. W.J. van Riet krijgt vergunning om de gevel van zijn huis in de Korte Nieuwstraat in wijk B nummer 85 te veranderen en de muur met dubbel raamkozijn geheel weg te breken.
  16. De winkelierster Maria de Jongh weduwe van Jacobus Kleeuwens geeft in september te kennen dat ze voornemens is in het door haar bewoonde huis op de Vlasmarkt in wijk A nummer 38 de winkeldeur en een daarnaast staand raam uit te breken en zo te verplaatsen dat de deur in het midden van de twee ramen wordt gebracht.
  17. A. Visser verlangt in september enige verandering te brengen aan het bovenste gedeelte van de voorgevel van zijn huis aan het Papegaaystraatje, uitziende op de Grote Markt, in wijk C nummer 50 zoals op de overgelegde schetstekening is aangegeven. Bij zijn verzoek is een zeer fraaie tekening van de gevel van het hoekhuis gevoegd zoals deze was in 1860 en geworden is.
  18. J.J. Bakker schrijft het gemeentebestuur in november dat hij verlangt om het bestaande zomerhuis op het terrein in wijk E nummer 27 geheel af te breken en op de grond aldaar zes woonhuisjes te bouwen op stand en front naar de singel.
  19. J. Vertregt schrijft het gemeentebestuur in augustus vernomen te hebben dat Johannes van Aerde het voornemen heeft opgevat om op de dijk achter zijn in eigendom toebehorende woonhuis op de 's-Heer Hendrikskinderendijk in wijk D nummer 66 een woonhuis te bouwen. Hij wijst er op dat dit woonhuis een uitgang heeft op genoemde dijk. Hij verzoekt om bij de uitgifte van de grond daarop wel te willen letten, opdat niet aan zijn eigendom een vrijheid wordt ontnomen hetwelk daar sinds onheugelijke jaren op gevestigd is.
  20. De metselaar Johannes van Aerde wenst een woning te bouwen volgens een overgelegde schetstekening. Hij verlangt daarvoor een oppervlakte van 60 ellen en 80 roeden grond van de gemeente in erfpacht, welke is gelegen bij de nieuw gebouwde woning van Van Riet en bij het kadaster bekend als D 1244. Bij de aanvraag voegt hij een tekening van de woning van Van Aerde en een situatietekening.
  21. C.F. van Ettinger krijgt in januari vergunning om aan zijn pakhuis aan de Kreukelmarkt in wijk A nummer 127 enige verandering aan te brengen en de stoep te verleggen. Een gedeelte van de voorgevel wordt uitgebroken en daarin wordt een nieuw dubbel deurkozijn aangebracht.
  22. Broodbakker Pieter van der Does krijgt vergunning om in zijn huis in de Lange Kerkstraat nieuwe ramen en deuren in de benedenwinkelpui te laten aanbrengen.
  23. De wagenmaker Leendert Meijler krijgt vergunning om de hem toebehorende stal in de Nieuwstraat in wijk D nummer 212 in drie woningen te veranderen volgens een bijgevoegde plattegrondtekening.