Aanvulling? Meld het hier.
<<

WOII

(In bewerking)

Bezetting Zuid- en Noord-Beveland, de meidagen van 1940

 

Het Nederlandse leger had een plan om oostelijk Zuid-Beveland bij een inval van de Duitsers te kunnen verdedigen. Op de Kreekrakdam werd op 7 mei 1940 de Bath-stelling aangelegd. Op en in de dijk van de Eerste Bathpolder plaatste men kazematten en geschutsstellingen met een tankgracht en draadversperring. Deze Bath-stelling moest de eerste aanval van de Duitsers tegenhouden.

Tussen Hansweert en Yerseke had men iets anders bedacht. Op de Zanddijk werden allerlei wapens geplaatst die de Duitsers moesten tegenhouden. Dit noemde men de Zanddijkstelling. Dit was de hoofdverdediging tegen de Duitsers. Vóór de Zanddijk was op 14 mei het land onder water gezet om te voorkomen dat de Duitsers verder konden trekken. Ook had men de Vlakebruggen opgeblazen. Bij het dorp Schore was luchtafweergeschut geplaatst en in Kapelle werd een commandopost ingericht.

 

Inval van de Duitsers

Toen de Duitsers Nederland waren binnengevallen, vertrokken Nederlandse soldaten ’s morgens vroeg naar de Zanddijkstelling. De bevolking werd geëvacueerd. Alle mannen, vrouwen en kinderen moesten weg uit hun dorp en werden naar andere plaatsen gebracht. De mensen mochten alleen een paar koffers met bezittingen meenemen. De rest moest in hun huizen achterblijven. Toen ze rond 22 mei weer terugkeerden naar hun huizen, waren veel spullen gestolen zoals fietsen, linnen- en beddengoed.

 

Hulp van de Fransen

Op 10 mei kwamen de Fransen via België en Zeeuws-Vlaanderen naar Nederland om de Nederlanders te helpen. De meeste Fransen werden in Kapelle en omgeving gelegerd. Op 14 mei gaven de Nederlanders de Bath-stelling zonder tegenstand op. Op 15 mei bereikten de Duitsers via Krabbendijke de Zanddijkstelling. Ze ontmoetten ook hier geen enkele weerstand van de Nederlanders.

Dat kwam omdat er in het  Nederlandse leger in totale verwarring verkeerde. In heel Nederland had men gecapituleerd. Alleen in Zeeland zou men verder vechten, omdat daar de Fransen te hulp waren gekomen. Maar daar kwam voor de Nederlandse soldaten niets van terecht.

Kort na 11 uur die dag reden Duitse pantserwagens het kanaal over. Bij Kapelle boden de Franse troepen felle tegenstand, maar ze leden zware verliezen. Ook hier zetten de Duitsers hun opmars voort. Ze kregen steun van hun luchtmacht, de Luftwaffe. Dit waren Duitse bommenwerpers die de Franse soldaten bombardeerden. ’s Middags kwamen de Duitse troepen vanaf Kloetinge Goes binnen, op weg naar Walcheren. Walcheren was hun eigenlijke doel. Daarvoor moesten ze over de Sloedam. Dit was een twee kilometer lange dam tussen Zuid-Beveland en Walcheren. Hier werd zwaar gevochten tussen de Duitsers en de Fransen. Maar de Fransen verloren de strijd. Op 17 mei 1940 werd Zuid-Beveland bezet door de Duitsers, dit wordt de capitulatie van Zeeland genoemd.

 

Noord-Beveland

Op Noord-Beveland werd niet gevochten. In die tijd was dit nog een eiland. Telefoneren kon niet meer en allerlei geruchten deden de ronde. De bewoners hadden vliegtuigen gezien, de donder van het geschut gehoord en de rode gloed van brand uit de richting van Middelburg. De burgers en de militairen moesten maar afwachten. Op 17 mei verschenen de eerste Duitsers, twee in getal, op Noord-Beveland. Ze kwamen met de veerboot van Veere naar Kamperland. Al gauw kwamen er meer soldaten. Ook Noord-Beveland was zijn vrijheid kwijt.

  

Dagboekfragmenten: de meidagen van 1940

 

Een jongen uit Schore is in 1940 12 jaar oud. Hij verhuisde in 1938 met zijn ouders vanuit het dorp naar een huis aan de Smokkelhoekweg, de latere Schoorse Zandweg.

 

De eerste uren

“Al vroeg in de morgen kwamen vliegtuigen over. Soldaten die te voet waren of per fiets (je had toen echte legerfietsen, een soort gevechtsvoertuigen), betrokken hun stelling en zochten dekking voor overvliegende vliegtuigen. Als er ergens geschoten werd, liep iedereen naar buiten om te kijken wat er precies gebeurde. Nog zag men de ernst van de situatie niet in. Uitgerekend op de tiende mei lag ik, 11 jaar oud, met flinke koorts en mazelen op bed. Dat kwam wel heel slecht uit. Terwijl ik boven op bed lag, hoorde ik roepen: “Kijk daar ‘ns en daar’, en ‘Die vliegen laag zeg!’. Hoe ziek je je dan ook voelt, je loopt toch je bed uit om door alle ramen te kijken, hoewel dat absoluut niet mocht. Vanuit mijn bed boven, had ik zicht op de nieuwe weg. Het zijn vaak kleine onbenullige dingen die je bij blijven: zo kwam er een vliegtuig hoog over waarvoor soldaten dekking in de sloot zochten. Eén overijverige sergeant schoot zijn revolver op dat vliegtuig leeg. Dat de draagwijdte van de revolver lang niet voldoende was, begreep ik ondanks de hoge koorts ook wel.

 

Evacuatie uit Schore

De jongen uit Schore werd geëvacueerd naar Baarland: ”Het verkassen (=verhuizen) van de hele bevolking was geen eenvoudige zaak. Vervoersmiddelen waren er maar weinig; iedereen had wel een fiets, maar daar hield het dan ook ongeveer mee op. Ik meen dat er twee vrachtauto’s en twee personenauto’s op Schore waren. De vlucht geschiedde dan ook op een enkele uitzondering na, per fiets. Eén van die uitzonderlijke gevallen was ikzelf, in verband met de mazelen. Burgemeester Trimpe van Schore kwam mij hoogst persoonlijk met de auto afhalen”.

 

Terugkeer naar Schore

“Vertrokken op 10 mei, arriveerden we op vrijdag 17 mei op de Molenweg D11A. Het huis bleek ongeschonden. De snijsla was in die week zoveel gegroeid dat er sla gegeten kon worden.

Voor het eerst zag ik Duitse militairen in de, zou later blijken, zo gehate uitrusting. Het was een onwerkelijke toestand, we waren er alleen als gezin, je wist niet hoe het verder zou gaan, of het leven zijn gewone gang zou hernemen, kortom een situatie die zich niet laat beschrijven. Toen mijn broer en ik door de boomgaard liepen, vonden we allerlei oorlogstuig, ransels (= een soort rugzak), kledingstukken, geweren en allerlei andersoortig wapentuig.”  De frambozen die tussen de fruitbomen stonden lagen er maar zielig bij. Frambozen worden namelijk overeind gehouden door palen en draad en de vluchtende militairen hadden alle draden doorgeknipt. Gevolg: omgekapte rijen frambozen.

 

Schoolplein

Het schoolplein waarop onder normale omstandigheden gespeeld werd, was daarvoor nu niet beschikbaar. Dat was helemaal niet erg, het was namelijk de verzamelplaats van alle achtergebleven spullen van de Franse troepen. Een onafzienbare berg van ransels, kleding, koppels (=riem), veldflessen, mandflessen, persoonlijke bezittingen van de soldaten enz, enz, lag daar op het schoolplein. En het is zeker niet kies (=netjes) om in persoonlijke spullen te snuffelen, maar we waren kinderen en alles was zo abnormaal, dat je ons dat moeilijk kwalijk kon nemen. Wij vonden het in ieder geval prachtig. Van toen af wist ik ook dat Frankrijk het wijnland was, want water, zoals in de Nederlandse veldflessen zat, werd niet gevonden. Het was allemaal wijn en wij waren ook niet te beroerd om daarvan te proeven.

Vuurwerk

Vele nachten heb ik voor het kelderraam gelegen om te kijken naar het prachtigste vuurwerk dat je je maar kunt voorstellen. Als er vliegtuiggeronk te horen was, priemden de sterke lichtbundels van de zoeklichten naar de hemel om het firmament af te zoeken. Als een vliegtuig gevangen werd in een lichtbundel, priemden alle zoeklichtjes op de gevangen vogel. Dan braakten alle luchtdoelbatterijen hun kogels uit. Een spervuur van de luchtdoelmilitie in allerlei kleuren van geel, groen, rood en blauw, een adembenemend schouwspel.

 

Nog een getuigenverklaring

In de straat staan meerdere mensen te kijken naar de lucht. Andere vliegtuigen komen over. Vreemd! Vreemd! Daar wordt ergens een deur geopend. Een schelle vrouwenstem roept hevig ontdaan: ”zet de radio toch aan! D’r is oorlog! Och wat verschrikkelijk, wat verschrikkelijk!”. Een grote onrust komt in de straat. Zou het waar zijn? Zou het waar zijn? Men gaat naar huis om zelf berichten te horen. Ik draai de knop van het toestel om. Wat duurt het lang voordat de lampen warm zijn:”(………) in rubberboten de Maas over! Er zijn parachutisten geland te Vianen! Parachutisten hier! Parachutisten daar! Parachutisten overal! Maar mijn god, dat is oorlog! Ons land in oorlog met Duitsland. Van het Noorden tot het Zuiden trekken Duitse troepen ons Vaderland binnen. Zo maar ineens wordt ons land overvallen. Hoe is het mogelijk! Wat een lafheid!

(uit: Bommen in Zeeland, pag. 14)

 

Evacuatie uit Kruiningen

De polder Kruiningen zal onder water gezet worden: Water, water, water tot Brabant toe. De bewoners van Kruiningen vertrekken. Op alle soorten vervoermiddelen gaan zij weg. Het hoognodige nemen zij mee, zoals kleren en beddegoed. ’t Is een beroerd gezicht als men de ouden van dagen op die wagens ziet zitten. Zoiets hebben zij met hun witte haren nog nooit meegemaakt. Zullen zij terugkomen? Ik help het hun hopen. Zeker is echter, dat hun land, hun tuingrond, hun huis of boerderij in het water komt te staan. Dat alles zal er niet beter op worden (…) Kalmpjes lopen de sloten vol, de akkers kleuren donker, hier en daar verschijnt in de verte een zilveren waterstreep tussen twee akkers in. Er komen er meer en meer. De zilverglans wordt groter en groter en eindelijk strekt zich voor ons één grote wijde plas uit. Zover ’t oog reikt water, water, water. ’t Is een triest gezicht in vredestijd, maar nu denken wij er niet aan. ’t Is oorlog en zo is het goed. Daar blijft de vijand vôôr.

(Uit: Bommen in Zeeland,  pag. 18,19)

 

De Fransen

Pinksteren 14 mei 1940. Rond 14.00 uur kwamen uit de richting van Goes de eerste Franse soldaten in Kapelle. Honderden en honderden Franse soldaten. Altijd te voet en zwaar bepakt uit de richting Goes. Kleine mannetjes met een groot geweer. Aan de ransel bungelde een paar schoenen. Ik zag ze langs de Kapelse Postweg en Eliwerve. Ze waren fanatiek en hadden een hoog moreel. Zingend en lachend trokken ze naar het kanaal. Bij de boerderij van Wissen-Nijsse sliep een aantal Fransen in het hooi en op het erf waren enkele keukenwagens, Ik zag stafauto’s met officieren en keukenwagens in de colonnes, maar geen vrachtauto’s. In het dorp waren geen Nederlandse soldaten meer te zien.

De Duitse vliegtuigen kwamen laag over en ik had gehoord dat de Fransen in de Goessestraat er met hun geweren op schoten. Op50 meterachter ons huis schoten de Fransen ook op 2 laagvliegende Duitse vliegtuigen met een mitrailleur. We wisten heel weinig over de gang van zaken. Radio en krant gaven spaarzaam nieuws.

(Uit:Interview Vermaire)

 

Gewond

Meteen flitst het door mijn hoofd:’Kerel, je bent geraakt’. Dat is dus de verdoving geweest. Dat is dus het eigenaardige gevoel toen ik neerviel. Ik wentel mij om en ontdek een zeer grote bloedvlek op mijn rechterbeen ter hoogte van de knie. Een wilde angst grijpt mij aan. Met beide handen grijp ik mijn been aan de rechterkant vast. Het warme bloed loopt over mijn vingers en lekt op de grond. Het kleeft en plakt weer net als straks. Nu kleurt ook de linkerkant van mijn broek. Ook daar is ’n verwonding. Duizend gedachten flitsen mij door het hoofd. Is het been er zo goed als afgeschoten? Of zijn het alleen vleeswonden? Zijn de beenderen stuk. Zal ik nu hier doodbloeden?. Hoe lang zal het nog duren? Zal men mij bijtijds vinden? Vóórdat de vijand komt? Wat zal die met mij doen?

(Uit: Bommen op Zeeland, pag. 55)

 

Na de capitulatie

In Kapelle moesten we uitstappen. Negen autobussen stonden gereed om ons te brengen naar ’t station Kruiningen-Ierseke. In Kapelle moet er hard gevochten zijn, eenige woningen lagen tegen den grond, van de toren waren stukken muur weggeschoten en op het kerkhof zag men ongeveer 60 soldatengraven. Aan de Postbrug weer stukgeschoten gebouwen en reden over de reeds gemaakte brug langs het Kanaal van Zuid-Beveland naar Vlake. Op den dijk zagen we een soldatengraf met een kruis en helm, waar juist 2 menschen aankwamen, hun hoed afnamen en zagen hen front*) maken.

’t Leek wel een vader en broer van de gesneuvelde (Wat moet zich daar hebben afgespeeld in die harten? Vervuld met leed? En smart?). Aan den linkerkant zagen we bij een boerderij mooie graven alsook in een tuin bij de bewoners. Op den Zanddijk waren ze bezig de stellingen op de ruimen en toen we in den trein hadden plaats genomen zagen we het verdorde polderland van Kruiningen, dat voor den oorlog onder water gezet was. We reisden met gemengde gevoelens over den oorlog maar ook over ons kind waarvan wij niets wisten.

(Uit: Dagboek Wandel) 

 

*) front maken betekent eerbiedig salueren.

 

Yerseke

Met vader en mijn broer fietste ik naar Yerseke. We mochten niet over de dijk gaan, maar binnendoor via Kapelle waar we gerommel hoorden. Voor Kapelle was niets bijzonders te zien, maar bij het Kerkplein voor de zaak van Blok (nu De Jager) lagen enkele gesneuvelde Franse soldaten. Ik zag veel helmen, meestal met modder als camouflage, en andere uitrusting bezaaid over de straat. Bij een boerderij aan de Maalstede, dichtbij het theehuis in het plantsoen, zag ik drie graven met elk een Franse helm bovenop. (Later hoorde ik verhalen dat hier bajonetgevechten hebben plaatsgevonden). Bij een boerderij aan de rechterkant zag ik een gesneuvelde Fransman achter de struiken. Hij had nog een stuk brood in zijn mond en in zijn helm was een kogelgat. Ik had nog nooit een dode gezien. Het was een luguber gezicht en ik deed soms mijn ogen dicht (…)

 

In Yerseke was het een chaos. Het centrum was zwaar beschadigd, volgens zeggen door de

beschieting van het Franse oorlogsschip “Valentin”op de Westerschelde. De kerktoren was stuk.

Er was veel geplunderd en vernield in de huizen. Ook in ons huis in de Damstraat 73; het was vuil en vies, vooral in de wc doordat de waterspoeling op een gegeven moment niet meer functioneerde. Mijn moeder had de houten wc-bril met een schuurspons schoongemaakt. Met vooruitziende blik had mijn vader bij vertrek tegen mijn moeder gezegd geen deuren en kasten op slot te doen. Waar dat wel gebeurde, werden alle deuren geforceerd en de kostbaarheden meegenomen. Bij ons was veel weg, maar het ergste vond ik dat de postzegelalbums van mijn broer en mij gestolen waren. Bij de buren was een varken in de kamer geslacht.

(uit:Interview D.D. Bom)

 

 

Het dagelijkse leven tijdens de Duitse bezetting

 

Verduistering

Nadat de Duitsers de Bevelanden hadden bezet, keerde het gewone leven weer terug. Maar er waren toch wel duidelijke verschillen met de tijd ervoor. Een ervan was dat de mensen verplicht werden hun huizen te verduisteren. Dit betekende dat de ramen werden afgeplakt met rollen zwart papier, zodat er geen licht naar buiten kon schijnen. Dat gebeurde na zonsondergang, als het licht in de huiskamer werd aangestoken. De reden hiervoor was, dat overtrekkende vliegtuigen, zoals bommenwerpers en verkenningsvliegtuigen van de geallieerden*, ’s nachts niet zouden kunnen zien waar zij zich bevonden. De plicht om te verduisteren werd opgeheven als het ’s morgens weer licht werd.

Ook de straatverlichting mocht ’s nachts niet branden. Na zonsondergang was het in de dorpen op de Bevelanden aardedonker. Bovendien was het verboden om tussen zonsondergang en voor zonsopgang op straat te lopen. Dit noemde men “spertijd”. Wie niet verduisterde en toch op straat liep, kon door de bezetter worden gearresteerd of neergeschoten. Er verschenen dan ook regelmatig berichten in de krant om aandacht te schenken aan de verduistering. De auto’s die mochten rijden, zoals die van de dokter, mochten een klein streepje blauw licht laten branden in het donker.

 

*) Onder de geallieerden verstaan we de strijdkrachten van Engeland, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika, die tegen Duitsland, Italië en Japan vochten. Deze drie landen noemde men de As-mogendheden. Bij de Geallieerden sloten ook vrije Fransen, Belgen, Nederlanders, Polen en Noren zich aan.

 

Luchtalarm

In alle plaatsen op de Bevelanden werden al voor het begin van de oorlog zogenaamde luchtbeschermingsdiensten opgericht. Die hadden de taak om de bevolking op tijd te waarschuwen als er vliegtuigen in aantocht waren. Bij een luchtalarm reed er een auto of iemand met een fiets door het dorp met loeiende sirene of een scheepstoeter. Bij het eerste signaal probeerde iedereen zo snel mogelijk in de schuilkelder te komen. Deze schuilkelders bevonden zich onder de grond. De meeste huizen hadden zo’n kelder onder het huis omdat die gebruikt werd om het eten koel te houden. Van koelkasten en diepvrieskasten had men nog nooit gehoord.

 

Postduiven en vliegers.

De Duitse bezetters waren bang dat de Nederlanders postduiven zouden gebruiken om berichten naar elkaar of naar Engeland en Frankrijk te sturen. Aan de poot van de duif werd dan een kokertje gebonden en in dat kokertje werd een berichtje gedaan. Daarom verboden de Duitsers om duiven te houden. Veel mensen deden hun duiven weg of aten ze op.

Ook het spelen met een vlieger mocht niet meer. Stel je voor dat je geheime boodschappen naar elkaar zou sturen!

 

Distributiebonnen

Distributie is het zo eerlijk mogelijk verdelen van zaken als voedsel, kleding en brandstof, op het moment dat er veel te weinig van is. Dat heet schaarste. Tijdens de oorlog waren voedingsmiddelen en goederen “op de bon”. Men kreeg van de overheid zogenaamde “distributiebonnen”. Als je in een winkel voedsel wilde kopen moest je niet alleen geld geven, maar ook distributiebonnen inleveren. Als men distributiebonnen had kon men op aangekondigde tijden de winkel bezoeken om de bonnen in te leveren. Deze tijden werden via de krant aangekondigd. Je begrijpt natuurlijk wel dat iedereen dan op dezelfde tijden naar de winkel moest, zodat er meestal lange rijen stonden. Suiker, Koffie, erwten, tabak, kleding, vlees, snoep en steenkool waren producten die in de oorlog op de bon waren.

 

De zwarte markt

Niet iedereen hield zich keurig aan de distributieregels. Er waren mensen die verkochten hun spullen in het geheim: “op de zwarte markt”. De prijzen waren absurd hoog. Zo verdienden sommigen van deze mensen in de oorlog veel geld.

 

Radio-toestellen inleveren.

In de periode van 31 mei tot 2 juni 1941 moesten alle radiotoestellen ingeleverd worden.

Er werden aanplakbiljetten opgehangen, wie, waar en hoe laat men een toestel moest inleveren. Ook stond het bericht in alle kranten. De mensen leverden vaak een oud toestel in en verstopten hun eigen goede toestel.

De straf die je kon krijgen was maximaal vijf jaar naar de gevangenis of een geldboete of nog een zwaardere straf. Toch leverden veel mensen hun toestel niet in. Ze wilden het nieuws van de Engelse radio en Radio Oranje blijven horen. Radio Oranje zond de nieuwsberichten uit van de Nederlandse regering, die naar Londen was uitgeweken.

 

Strandpret verboden.

Er mocht bijna niemand meer op het strand komen Dat was tijdens de oorlog tot militair terrein verklaard. De Duitsers bouwden bunkers in de duinen en plaatsten allerlei wapens bij de stranden zoals mitrailleurs, kannonnen en afweergeschut tegen vliegtuigen.

 

Vorderingen

De Duitsers namen dingen mee die zij belangrijk vonden. Dit noemde men vorderingen. Er werden bijvoorbeeld vissersschepen, fietsen, kerkklokken, paarden en radio’s meegenomen.

 

  • Schepen waren in 1940 nodig om naar Engeland te varen. Duitsland wilde dit land toen ook nog veroveren. In Yerseke, Colijnsplaat en Goes werden schepen in beslag genomen.
  • Fietsen waren nodig voor de Duitse soldaten om zich te verplaatsen. Als er niet genoeg fietsen waren werden er zogenaamde “razzia’s” gehouden. De wegen werden afgezet en iedereen moest zijn fiets afgeven.
  • De kerkklokken moesten worden omgesmolten om uit het metaal oorlogswapens te kunnen maken. Uit veel plaatsen verdwenen de klokken, maar gelukkig werden ze niet allemaal omgesmolten. Sommige klokken waren al eeuwenoud.
  • Veel paarden waren ook nodig voor het Duitse leger. Er waren wel auto’s, maar hele legereenheden maakten gebruik van paarden en wagens. Boeren moesten hun paarden inleveren en soms werden ook wagens meegenomen.
  • Mensen die niet nodig waren voor de voedselvoorziening of op de fabrieken werden meegenomen om te werken voor de bezetters. De grootste groep moest werken in Duitsland in de mijnen en fabrieken, omdat alle Duitse arbeiders in het leger dienst deden. En de oorlogsindustrie in Duitsland moest doordraaien. Een kleinere groep moest in Nederland werken aan de verdediging van ons land tegen de inval vanuit Engeland. Zij bouwden bunkers, groeven loopgraven en zetten palen op het strand om het landen van schepen te beletten.

 

Inkwartiering

Soldaten werden bij mensen ingekwartierd. Dit betekende dat voorbij trekkende soldaten werden gehuisvest in een dorp of stad en dat de burgers moesten zorgen voor deze soldaten. De soldaten werden niet alleen ondergebracht in woonhuizen, maar ook in scholen, in ziekenhuizen en fabrieksloodsen. In 1939 werden de Nederlandse soldaten tijdens de mobilisatie in gezinnen ondergebracht. Niet alleen de Duitse soldaten werden tijdens de oorlogsjaren zo ondergebracht, maar na de bevrijding ook de Engelsen en de Canadezen. Omdat de scholen in beslag waren genomen door soldaten, werd het heel moeilijk om tijdens de oorlog onderwijs te geven. Ook gingen steeds meer kinderen niet naar school omdat ze geen kleding en schoenen meer hadden en omdat er geen fietsbanden meer te krijgen waren voor de fiets. Toen de soldaten weer uit de scholen weg waren, waren die in slechte staat omdat men jaren niets meer aan onderhoud had gedaan.

 

Postzegels

Ook gewone zaken als geld en postzegels veranderden. Want daar stonden immers afbeeldingen van koningin Wilhelmina op. Dus kwam er ander geld en andere postzegels.

 

Persoonsbewijs

Je moest altijd een persoonsbewijs (een soort paspoort) bij  je hebben. Daarin stond wie je was en waar je woonde.

 

 

 

 

 

Dagboekfragmenten: het dagelijks leven gedurende de oorlog

 

Op de bon
“Alles kwam dan ook binnen de kortste keren op de bon. Eten, drinken, kleding en alle gebruiksvoorwerpen, waren maar mondjesmaat en enkel op bonnen te krijgen. Distributiekantoren, stamkaarten, bonkaarten, de mensen die op die kantoren zaten, zijn vier jaar lang een grote ergernis geweest voor de bevolking. Voor werkelijk alles moest je bonnen hebben of een vergunning. Wanneer bijvoorbeeld je broek versleten was, of je had een paar schoenen nodig, moest een ander (paar) middels een formulier aangevraagd worden. Dit formulier kon je halen bij de plaatselijke bureauhouder en moest daarvoor netjes ingeleverd.(….) Op elk formulier stond de vraag:’redenen van verzoek’. Het meest voor de hand liggende antwoord daarop is: ‘mijn broek is versleten’. De bureauhouder vond dat lang niet voldoende. Ik heb het zelf ervaren dat hij vroeg: wat is er dan versleten”?. Ik zei dan, ’hij is kapot’’; wedervraag, ‘wat is er dan kapot?’. Zo werd je als kind gekleineerd. Je moest op het formulier vermelden dat als je de broek aantrok, vanachter de volle maan erdoor scheen of allebei je knieën er doorstaken. Het formulier werd dan opgestuurd naar Middelburg met een advies van de plaatselijke bureauhouder. Afhankelijk van zijn stemming kreeg je enkele weken later de vergunning of een kaartje met daarop de tekst: “afgewezen.”

(Uit: Dagboek jongen Schore)

 

Vorderingen

Wij waren nog maar net opgestaan toen er driftig aan de gesloten deur werd gerammeld. Vader zei tegen mij, laat mij maar even naar buiten en doe dan die deur maar weer op de grendel, want ik hoef die paar angstige gefrustreerde Duitse soldaten niet binnen te hebben. De twee soldaten hadden één fiets, maar de band was lek en nu wilden ze die inruilen voor een fiets met twee berijdbare banden. Vader vond dat niet zo’n goede ruil en weigerde. Maar onder bedreiging met een revolver kwam hij gauw tot andere gedachten. Ik moest de deur snel ontgrendelen en de mannen zijn er met onze fiets vandoor gegaan.

(Uit: Dagboek jongen Schore)

 

 

Vanmorgen zijn er bij ons twee om een vrachtwagen geweest, maar die hebben wij niet, dus kunnen we die moeilijk geven. Nu staat de auto van de veearts altijd bij ons en die zagen ze staan. De enen knul had nogal veel praats (= deed nogal flink) en die trok de deur van de auto open. Vervolgens wou hij er doodkalm in gaan zitten, maar pa verhinderde hem dat. Hij (pa) trok die knul er aan zijn schouder uit, zodat hij helemaal door de garage draaide. Toen werd die mof natuurlijk woest, maar dat ging gelukkig nogal gauw over. Ze zetten wel allebei grote monden op hoor! Want ik zat in de keuken en zij waren in de garage en ik kon het goed horen. Die lui vroegen toen nog op een zeer beleefde manier (!) of wij een auto hadden, maar pa zei nee. Ze weten de auto toch niet te staan.

(Uit: Dagboek Kortgene, 5 september 1944).

 

Distributie van water in Goes.

Tengevolge van bombardementen op de Kreekrakdam en de Sloedam zitten we opeens zonder waterleiding en electrische stroom. Aanvankelijk is dit merkwaardig, we draaien telkens weer aan het kraantje, oudergewoonte, doch geen druppel water komt tevoorschijn; geleidelijk aan wordt het lastig, we raken kribbig dat we almaar voor niets naar de kraan grijpen, doch tenslotte is het een ramp. Een vriendelijke buurman geeft ons gelegenheid, uit z’n regenbak te tanken. Een ander is weer gebaat met de hulp van een tante die een welput bezit, maar van wie de hulp ook komt, en welk water er wordt verstrekt, het wordt een gesleep met emmers en kannen waar het eind van weg is.”Zuinig met water” is alles wat de klok slaat. Op de Beestenmarkt, naast de grote pomp, was een grote tank op betonnen palen aangebracht, Middels een chloor-kool installatie werd nu het aangevoerde water in deze tank gepompt, zodat het, na koken, voor consumptie geschikt is.

(Uit: Vissers, pag. 30)

 

 

 

 

 

 

Schaarste aan benzine

Tegen het eind van 1940 werd benzine schaars, de meeste auto’s die beroepsmatig op de weg moesten zijn, werden omgebouwd voor gebruik op gas. In ons dorp werden de autobussen van Leendertse en de vrachtauto van de bode uitgerust met een gasgenerator. Door het stoken van houtblokjes ontstond gas, dat in een ketel werd opgevangen. Als ik uit school kwam en de auto van de vrachtrijder stond voor z’n huis, bleef ik altijd even staan om te kijken hoe de gasproductie precies in z’n werk ging. De verbranding van het geurige, harsrijke dennenhout rook altijd lekker. De enorme ketel was bij de vrachtauto tussen de cabine van de bestuurder en de laadbak geplaatst. De autobus voerde de gasgenerator op een aanhanger mee

(Uit: Harrie Kaufman, Rilland-Bath 1940-1945, herinneringen van een schooljongen in oorlogstijd)

 

Inleveren van de radio

Het inleveren moest plaats vinden tussen 5 augustus en 18 december 1943. Toen vader met verlof was heeft hij op een ochtend met grote tegenzin zijn geliefd toestel op het gemeentehuis afgegeven. Hij had het toestel wel kunnen houden en verstoppen, maar het stond bij de PTT geregistreerd, bovendien waren m’n ouders bang dat het toch uit zou komen. “Je verraders slapen niet”, zeiden ze altijd. Géén radio Oranje en geen kinderuurtje meer…

(Uit: Harrie Kaufman, Rilland-Bath 1940-1945, herinneringen van een schooljongen in oorlogstijd)

 

Verduistering

Al sinds 1940 moest verduisterd worden. Alles, wat ’s avonds licht naar buiten zou kunnen uitstralen, moest met zwart papier worden afgeplakt. Wie niet voldoende aan die order gehoor gaf, werd door de moffen stevig gemaand. Nog sterker uitgedrukt; wanneer niet snel en afdoende werd gereageerd, schoten de Duitsers de lamp uit! Die verduistering was nodig om te voorkomen, dat overvliegende Engelse bommenwerpers op weg naar Duitsland zich konden oriënteren. Na het afleveren van hun ‘cadeautje” keerden ze diezelfde nacht weer terug. Ik was kennelijk een keer vergeten het licht van mijn slaapkamer uit te doen en had bovendien verzuimd de gordijnen te sluiten. Ik schrok wakker van het geschreeuw op straat. “Licht aus, verdammt noch mal. Licht aus!”. Klonk het allerminst vriendelijk. Ik heb nog nooit zo snel aan het touwtje van de trekschakelaar boven m’n bed getrokken.

(Uit: Harrie Kaufman, Rilland-Bath 1940-1945, herinneringen van een schooljongen in oorlogstijd)