Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1747 - 1750)

Stadsscholen

In november 1749 overweegt het stadsbestuur dat de stadsschoolmeester Pieter du Flo al gedurende tien jaar met krankzinnigheid is bezocht en in een verzekerde plaats te Dordrecht is opgesloten. Tot nu toe heeft zijn vrouw met instemming van het stadsbestuur, in de hoop dat hij 'van die bezoeking mocht worden hersteld', de school door een ondermeester laten waarnemen. Gevreesd moet worden dat Du Flo nooit meer van zijn ziekte zal herstellen. Het blijkt nu ook dat de jeugd door de ondermeester Du Puy niet naar behoren wordt onderwezen. Het is zeer gewenst om een andere schoolmeester aan te stellen en Du Puy tot het beter waarnemen van de school aan te manen. En omdat Du Flo ook voorzanger van de Hervormde gemeente was en die dienst thans zeer gebrekkig en meestal tot ontstichting van de eredienst plaatsvindt, zal de kerkenraad worden gevraagd de voorzangerplaats vacant te verklaren. Daardoor is het mogelijk iemand aan te stellen die tegelijk schoolmeester en voorzanger is.

Het stadsbestuur benoemt tot schoolmeester Cornelis van der Weel. Hij krijgt het genot van de vrije bewoning van het huis waarin de vrouw van Du Flo nog woont. Wel moet hij haar gedurende het leven van haar man jaarlijks uitkeren een bedrag van honderd Carolus guldens. In mei 1749 overlijdt de schoolmeester Pieter Aytema. In 1737 kwam hij van Dokkum. Een zekere Gommert Klap solliciteert. Hij schrijft te Schore school te hebben gehouden 'tot contentement van de gansche gemeijnte aldaar'. Bij zijn brief voegt hij enkele staaltjes van z'n schrijfkunst.

Particuliere schooltjes

Crina Koorn, de vrouw van Gerard Jason, krijgt in 1749 vergunning kinderschool te houden. Ook Catharina Kets weduwe van Jan Blondeel, Dina van Noord, Maria de Soet en Susanna van Schuylen mogen kinderschool houden om de jonge jeugd te leren spellen, lezen en breien. Maria Slabber, de vrouw van de gewezen stadsschoolmeester Pieter du Flo, hield tot nu toe met assistentie van een ondermeester de stadsschool gaande. Ze verneemt nu dat het stadsbestuur voornemens is een andere schoolmeester te beroepen. Ze schrijft in 1750 geen ander middel van bestaan voor haar en haar twee kinderen te kunnen uitdenken dan om binnen de stad een lees- en schrijfschool voort te zetten. Ze krijgt alleen toestemming om de jonge jeugd te leren spellen, lezen en breien.

Duitse jufferschool

De 'juffrouwen' Deyts, die gevlucht zijn vanuit Ossendrecht en thans binnen de stad woonachtig zijn, krijgen in maart 1748 vergunning om een Duitse jufferschool te houden onder het genot van een jaarlijks traktement van vijftig Carolus guldens.