Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1747 - 1750)

Openbare orde

Het schoutambt van de stad is al vanaf 1738 vacant. Bij resolutie van 24 juni 1738 besloot het stadsbestuur Boudewijn Landschot met die functie voorlopig en tot wederopzegging te belasten. In 1748 wordt besloten Landschot te ontslaan en tot schout van de stad aan te stellen Hubertus Eversdijk, baljuw van de stad, op een tractement van zes ponden Vlaams per jaar.

Het komt regelmatig voor dat heiningen worden afgebroken en gestolen, zonder dat de daders ontdekt worden. Het stadsbestuur looft in april 1748 een premie van 20 Zeeuwse rijksdaalders uit aan degene die de daders kan aangeven.

In december 1748 geeft Cornelia Polderdijk, wonend aan de Voorstad, het stadsbestuur te kennen dat ze al zeven jaar getrouwd is met Pieter Betra. Hij is 'met een continuele quaadaardigheid en moedwil bezet, zo ver gaande dat hij haar menigmaal niet alleen op een hevige wijze attaqueert met slaan maar selfs wel niet ontziet haar bij het hayr langs de grond te sleepen sonder dat zij weet hem ooyt tot soodanige behandeling van haar enige de minste reden gegeven te hebben'. Ze verzoekt haar man op transport te zetten naar Oostindië om op die manier voor haar en haar drie kinderen te varen. Het gedrag van Betra is ook het stadsbestuur wel bekend. Besloten wordt hem gevangen te zetten en voor matroos naar Oostindië te zenden.

Vanaf 1749 mogen geen doggen of bulhonden in de stad op de straten meer loslopen dan alleen gemuilband.

Justitie

In oktober 1747 treedt de baljuw Hubertus Eversdijk op tegen Marinus Visscher, sergeant onder het regiment van brigadier Veltman. Hij heeft ‘met een blote sabel langs ‘s heren straten gelopen en diverse personen geattaqueerd’. Hij wordt veroordeeld om zes weken te water en te brood te worden gezet.

In juni 1748 treedt de baljuw op tegen Janna Wondergem, huisvrouw van Jan Moulin, oud 27 jaar, afkomstig van Sandijk. Ze heeft zich vier jaar in de stad opgehouden en daar verscheidene diefstallen begaan. Zo heeft ze drie hemden gestolen uit de hof van Jan Winterooy. Van achter het huis van Cornelis Harpe heeft ze te bleken gelegd wasgoed gestolen. Van Janis Baveco onder Cloetinge heeft ze gestolen een lakense trekmuts, in Heinkenszand twee manshemden, te ’s-Heer Arendskerke twee trekmutsen en verder nog vijf delicten. De eis van de baljuw is dat ze onder de galg met de strop om de hals strengelijk met roeden gegeseld en gebrandmerkt zal worden en daarna gebannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. De advocaat Dijkwel betoogt dat haar man is weggelopen met hun kind, ze van een zwak gestel is, ze altijd van een geringe en zeer arme conditie is geweest en groot berouw en leedwezen over haar daden heeft. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om onder een galg met de strop om de hals  strengelijk te worden gegeseld en gebrandmerkt en voor altoos verbannen uit de provincies Holland, Zeeland en Westfriesland.

In maart 1748 treedt de baljuw Hubertus Eversdijk op tegen het dode lichaam van Marinus den Engelsman. Op 7 maart is de brand gestoken in de schuur van de griffier Boudewijn Landschot, staande aan de stadsvest. Ook vijf koeien zijn verbrand. Bijna zijn drie kinderen en een echtpaar die in de schuur sliepen omgekomen. Een uur later is insgelijks brand gestoken in de schuur van Jan Babtist Winterooy op de dijk even buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort. Marinus den Engelsman heeft geholpen de brand te blussen maar is door zijn buren beschuldigd de branden te hebben aangestoken. Hij is verscheidene malen verhoord. Gisteren is hij gevonden ‘zich aan een koord hebbende opgehangen’. Hij wordt veroordeeld ‘om met een horde gesleept te worden naar het galgenveld en aldaar met een been aan de galg of in een mikke, met een brandhuisje boven het hoofd, opgehangen te worden en alzo te moeten blijven tot hetzelve verteerd zal zijn’. In april 1752 besluit het stadsbestuur om uit de ter griffie bewaarde opbrengst van het verkochte huis van de veroordeelde Marinus den Engelsman, ‘wiens dode lichaam bij sententie van burgemeesters en schepenen van 17 maart 1749 in een mikke is opgehangen’, aan de rentmeester te betalen de onkosten die bij die gelegenheid door de stad aan de scherprechter zijn betaald van £ 35.6.

In januari 1750 speelt een rechtsgeding tegen Jan Hoogenboom. Hij heeft ‘menigvuldige fraudes en contraventiën omtrent den opheve van de gemene middelen gepleegd, maar inzonderheid tegen zodanige personen die de pachters of hun collecteurs kwalijk bejegenen met schelden ofte lasteren of deselve bedreijgen ofte smyten’. Zo heeft hij zich niet ontzien ‘om op woensdag 29 oktober 1749, leggende met zijn vaartuig in de haven van het veer genaamd Hanswest, monseigneur Jan de Klerk, medestander en collecteur van de gebrande wijnen en andere gedestilleerde wateren binnen stad en eiland, niet alleen te weigeren zijn vaartuig door de collecteur te laten visiteren, maar hem dit belet met kwaadaardige bedreigingen, onder het uitwerpen van vele en zware vloekwoorden en gedreigd de luitenant van de roode roede te beschieten met een vuurroer’. De baljuw eist dat hij op een schavot voor het stadhuis zal worden gebracht om aldaar strengelijk te worden gegeseld. Burgemeesters en schepenen vonnissen dat hij voor altoos verbannen wordt uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

Nog een andere zaak speelt in april 1750 tegen Anna Maria Mathus, oud 27 jaar, geboortig van Quaas in Deens Holsteijn. Ze heeft onderscheidene dieverijen begaan. Uit de winkel van Philip Vervenne heeft ze twee stukjes sis of patenant gestolen en deze in de bank van lening verpand voor 13 schellingen en 4 grooten. Uit dit huis heeft ze ook een bonte neusdoek gestolen en deze voor zeven stuivers verkocht aan de vrouw van Mattheus Cloosterman te Cloetinge. Ook heeft ze uit de winkel van Huibregt Visser gestolen een string rode sajet omtrent een pond zwaar, die nog bij haar is gevonden. De baljuw eist dat ze met roeden strengelijk gegeseld zal worden en met het gewone stadsteken gebrandmerkt en verder gebannen uit de provincies Zeeland, Holland en Westfriesland. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar overeenkomstig de eis van baljuw Eversdijk.

Veiligheid

Het stadsbestuur overweegt op 9 mei 1747 dat voor het maken van menigvuldige wacht- en schildwachthuizen, vuurbakens en andere zaken voor de landwachten, aanzienlijke penningen nodig zijn. Uit de lopende middelen kunnen de onkosten niet worden voldaan. Na deliberatie besluit men dat door ieder lid van de stedelijke raad op particuliere obligaties op een rente van 4% een bedrag van vijftig ponden Vlaams zal worden ingebracht, dus tezamen voor 21 leden £ 1050 Vlaams. De obligaties worden opgebracht door de stadsbestuurders Pieter Coomans, heer van Wemeldinge; mr. Adriaan Isebree; mr. Gillis Cornelis van der Nisse, heer van Nisse; Francois de Keijser; mr. Cornelis Keetlaar; Jacobus Coomans; doctor Cornelis Lopse; doctor Marinus Canisius; mr. Pieter Parker; mr. Francois Nicolaas Keetlaar; Pieter de Vroe; mr. Johan Lodewijk Vogel; mr. Jacobus Keetlaar; Pieter de Keijser; Willem Vogel, heer van Steenvliet; secretaris Cornelis Ossewaarde; mr. Jacobus Dominicus; Pieter Ossewaarde; Adriaan Gort; mr. Johan Willem van Roseveld en Johan Isebree. Uit de stadsrekening van 1747 blijkt dat in totaal voor het maken van wacht- en schildwachthuizen en het leveren van kaarsen voor de wacht is uitgegeven £ 678.19.9.

Op de 1e juli 1747 schrijven de Staten van Zeeland het stadsbestuur aan om alle landluiden in het eiland te gelasten 'om, in geval van alarm, met hun wagens en paarden aanstonds te komen om het volk van oorloge te voeren'. De landluiden van plaatsen die geen wacht aan de zeedijken houden worden gelast de wacht te houden binnen hun dorpen of op nader aan te wijzen posten. Op deze zelfde dag sturen de Staten van Zeeland hun orders toe, verstrekt aan de commanderende officieren te water en te land, om alle schepen uit vijandelijke Franse havens of van Franse kusten komende aan te vallen, te overmeesteren en op te brengen. Deze resolutie wordt in handen gesteld van luitenant-generaal Smissaard.

Het blijkt dat 'vele van de goede borgers binnen de stad, wegens gedane leveranciën, van diverse regimenten militie, tegenwoordig in dit eiland liggende, aanmerkelijke penningen te vorderen hebben, en dat daaromtrent op een gemakkelijke wijze uit de zogenaamde servitiegelden, die van deze militie zijn toegelegd, voor deselve zou kunnen worden gezorgd'. Burgemeester Canisius wordt gemachtigd om daarover met doctor Johan Levendale, aan wie het betalen van de servitiegelden is gemandateerd, afspraken te maken.

 

Schutterijen

Het bestuur van de schutterij van de Handboog wijzigt in 1750. Verkoren wordt tot hoofdman Willem Vogel, heer van Steenvliet, en tot dekenen mr. Jacobus Dominicus, Johan Isebree en mr. Willem van der Bilt, allen stadsbestuurders. Ook dat van de schutterij van de Voetboog verandert. Verkoren worden tot hoofdman oud-burgemeester mr. Gillis Cornelis van der Nisse, heer van Nisse, en tot dekenen de stadsbestuurder Francois de Keijser, Willem Beijaart en Johan Bregt.

Klapperwacht

Het blijkt in mei 1749 dat de meeste aangestelde extra-ordinaire nachtwachten intussen tot vaste klapperlieden met traktement zijn verkoren, zonder dat weer nieuwe extra-ordinaire zijn benoemd. Bij absentie van de vaste klapperlieden zou de nachtwacht niet volgens de intentie van het stadsbestuur kunnen worden waargenomen. Daarom worden enkele extra-ordinaire klapperlieden aangesteld.

Burgerwacht

Op 26 oktober 1748 wordt het Traktaat van Vrede te Aken getekend. Daardoor vervalt de noodzaak om een burgerwacht in stand te houden. Het stadsbestuur besluit de burgerwacht van nu af niet meer voort te zetten. Hiervan wordt de burgerij dadelijk bij publicatie kennis gegeven. Degenen die met een geweer van de stad zijn voorzien, moeten dit zo spoedig mogelijk terug brengen.

Garnizoen

Begin 1748 is het onrustig op de Bevelanden. Door het wekelijks afzenden van een detachement ruiters binnen de stad blijken gedurig moeilijkheden veroorzaakt te worden. Het stadsbestuur verzoekt luitenant-generaal Bronkhorst 'deselve in te houden, behalve alleen een ruiter of dragonder voor ordonnantie, om bij alle gelegenheden depechet te kunnen afzenden en in de plaats derselve het detachement infanterie tot een man à vijftig te vermeerderen en, zonder wekelijks te veranderen, alhier voor enige tijd vast te doen blijven'.

Ook zijn er in februari 1748 sinds enige tijd tussen de burgerwacht en het garnizoen meningsverschillen. Het gaat over 'het geven van het woord, over het doen van de ronden over de wallen en het visiteren van de stadspoorten'. Om verdere disputen te voorkomen wordt een regeling gemaakt met bepalingen over:

  1. het overgeven van het wachtwoord bij het aflossen van de militaire wacht door de burgerwacht;
  2. het geven van het woord bij het passeren bij de hoofdronde van de burgerlijke wacht door de militie;
  3. het geven van het woord wanneer de hoofdronde van de burgerij zal passeren of komen aan de verdere of mindere wachten van de militie;
  4. het geven van het woord wanneer alle mindere rondes of patrouilles van de burgerij zullen passeren de hoofdwacht, hoofdronde en mindere wachten van de militie;
  5. het voortaan doen van de hoofdronde tussen 10 en 11 uur en de hoofdronde van de militie tussen 11 en 12 uur;
  6. het bij elkaar blijven van de burgerwacht tot dat de poortklok 's morgens zal hebben geluid, als wanneer de portier verplicht zal zijn de sleutels af te halen voor het openen van de poorten;
  7. de verplichting van de secretaris van de krijgsraad om elk jaar tijdens de eerste krijgsraad in de maand januari rekening te doen van wat door hem wegens compositie- en wachtpenningen zal zijn ontvangen.

Er is in 1748 sprake van het onderhouden van zogenaamde soldatenkinderen. Zo krijgt de vrouw van Frans van Brim voor het onderhouden van drie soldatenkinderen 'die uit het eiland over enige tijd in deze stad zijn gebracht' vijf schellingen per week voor ieder kind. Ook worden twee soldatenkinderen van het regiment van de luitenant-generaal Evertse in het weeshuis opgenomen en gealimenteerd. Daarvoor krijgt het weeshuis vijf schellingen per week voor ieder kind vergoed.

Er is in 1748 veel te doen over het in de stad gelegerde garnizoen, de 'militie' genaamd. Op 11 september 1748 verzoekt het stadsbestuur 'Sijne Hoogheid de Prins van Oranje en Nassau om zo goed te wezen om ten spoedigste doenelijk vier of vijf nationale compagnieën infanterie naar de stad te zenden om daarin garnizoen te houden'. Elf dagen daarna komt er bericht van Majoor De Salve, thans commanderende de troepen van de staat in het eiland, dat de Stadhouder hem heeft gelast het stadsbestuur de nodige assistentie met militie te geven, tot voorkoming van de disordres in het verpachten van de gemene middelen. Het stadsbestuur besluit, 'overwegende dat, schoon de gemoederen der borgers en opgezetenen tot de verpachting der gemeene middelen seer tranquil schijnen te zijn, echter door enige weinige kwaadwillige commotie tot het afschaffen of niet verpachten daarvan zouden kunnen worden aangericht, de Majoor De Salve te verzoeken om zoveel militie uit het eiland voor de verpachting naar deze stad te detacheren als de swakheid van deselve het sal kunnen toelaten'.

Op 26 september 1748 arriveert enige militie, zowel infanterie als cavalerie, in de stad. Voor de pui van het stadhuis worden de officieren in de eed van de stad genomen. Dit is niet voor z'n tijd, want het stadsbestuur maakt zich ongerust over het uitbreken van oproer in de stad op de dag van de verpachting van de gemene middelen van consumptie en over de onheilen die 'door eenige niet wel geintentioneerde bewegingen souden konnen werden aangerigt, die, indien ze bijtijds niet tegengegaan wierden, van sware gevolgen souden konnen wesen'. Het stadsbestuur besluit de commanderende officier van de militie, die thans in de stad garnizoen houdt, te gelasten 'om bij onverhoopte voorvallen van enig tumult, hetzij door vele of weinige personen aangevangen, zijn onderhebbende militie, zo voetvolk als ruiterij, aanstonds bij den anderen en in de wapenen te trekken, daarmee ter plaatse van het tumult te marcheren en alle mogelijke instantiën te doen om met sagtigheid en door reden de oproerigen tot bedaren en tot stilstand te brengen. Doch daar in niet kunnende slagen en jegens alle sijne bedaarde pogingen aan of jegens hem of zijn onderhebbende militie of aan enig huis, goederen of bijzonder persoon, publiek geweld gepleegd wordende, op sodanige geweldenaars met scherp te doen vuurgeven en op alle wijze geweld met geweld te keren en tegen te gaan en bij sodanige gelegenheid alle verdere militaire orders te stellen welke nodig zouden mogen oordelen, zo om het presente tumult tegen te gaan als enig nieuw te voorkomen'.

Het blijkt dat de naar de stad gezonden militie geen logies kan krijgen. Het stadsbestuur besluit dit door middel van inkwartiering te regelen. Niettemin wordt Majoor De Salve, de commandant van de troepen in het eiland, verzocht om de cavalerie binnen de stad weer naar elders in het eiland te laten marcheren. Maar op deze zelfde dag, de 19e oktober 1748, worden de ruiten in het huis van Jacob de Wolf, een van de voornaamste pachters, waarschijnlijk door enige jongens met stenen uitgegooid. Het stadsbestuur constateert 'dat aldaar of op andere plaatsen weliswaar geen verdere gewelddadigheden zijn gepleegd, maar dat het te duchten is dat die aanhang, indien deze bij tijds niet gestuit wordt, door de kwaadaardige opstoking van enigen van dag tot dag zal accresseren en waaruit vervolgens nadelige gevolgen zouden kunnen ontstaan'.

Het stadsbestuur besluit de Prins van Oranje van de ongeregeldheden dadelijk per expresse kennis te geven. Daarbij wordt de Stadhouder onderdanig verzocht 'om ten spoedigste vier à vijf nationale compagnieën infanterie naar de stad te zenden, opdat de publieke rust alhier zou kunnen worden bewaard, de pachters gemainteneerd en in hun goederen tegen alle geweld beschermd'. Ook zal Majoor De Salve worden verzocht om niet alleen de cavalerie in de stad te laten blijven, maar om ook de infanterie met 25 à 30 man te versterken om zoveel mogelijk alle verdere wanordelijkheden te beletten. Op 27 oktober 1748 toont een daartoe afgezonden officier burgemeester Canisius het patent van Zijne Hoogheid voor vier compagnieën van het regiment van luitenant-generaal Evertse om binnen de stad garnizoen te houden. Deze zullen vermoedelijk nog deze zelfde namiddag of morgen arriveren. Besloten wordt deze compagnieën te beëdigen. Majoor De Salve, commandant van de troepen in het eiland, wordt verzocht orders te geven dat de infanterie, die zich thans hier bevindt, morgen weer naar het eiland zal marcheren.

In oktober 1748 verzoeken Gecommitteerde Raden het stadsbestuur na te gaan welke hoeveelheid turf en kolen in de magazijnen van de stad en op het platteland nog in voorraad is en wat in de aanstaande winter, naar gissing, nodig zal zijn. Het blijkt dat er nog maar voor enkele dagen brandstof voor de militie in de stad is. Gevraagd wordt met de meeste spoed tien lasten turf naar de stad te zenden. Er arriveren weldra twee schepen met turf voor de militie in de stad. Overigens krijgt het stadsbestuur informatie dat Majoor De Salve Gecommitteerde Raden intussen al bericht heeft voor hoeveel weken er nog brandstof op het platteland is. Het stadsbestuur overweegt dat sinds die tijd de gewenste tijding van een getekende vrede binnen is gekomen en het daarom niet waarschijnlijk is dat er veel militie in het eiland zal blijven, veel min dat deze in de wachthuizen wacht zal moeten houden.

Op 2 november 1748 deelt burgemeester Van der Nisse het stadsbestuur mee 'met de uiterste verwondering geïnformeerd te zijn geworden dat een rekwest, dat door een groot getal burgers was ontworpen en getekend, geadresseerd aan Zijne Hoogheid en tenderende om de gemene middelen te doen cesseren (ophouden), met die bijvoeging dat hetzelve geschiedt op prealabel advies en raad van hem, burgemeester Van der Nisse. Dat het opstellen en ondertekenen van dat rekwest met veel bewegingen vergezeld was geweest en dat het dus zou schijnen alsof hij niet alleen aanleiding daartoe had gegeven, maar daarvan ook de oorzaak was. Dat hij zich verplicht vond voor het stadsbestuur te verklaren part noch deel daaraan te hebben, verhalende te dien einde het antwoord dat hij aan enige burgers, die over hun neringloosheid aan hem hadden geklaagd, had gegeven en vervolgens in overweging gevende of het niet dienstig was dat Zijne Hoogheid daarvan, evenals van de buitengewone comparities der burgers en in wat voege derselver tekening geschied was, werd kennis gegeven'. Na deliberatie verklaren alle leden van het stadsbestuur zich met dit voorstel akkoord. Besloten wordt Zijne Hoogheid van het een en ander bij brief kennis te geven.

Begin januari 1749 geven de Staten van Zeeland de commanderende officier in het eiland opdracht vijftig fournituren aan het stadsbestuur over te dragen. Het stadsbestuur neemt deze graag over. Immers het regiment van generaal Eck van Pantaleon is op 3 januari in de stad gearriveerd om daar in garnizoen te liggen. Van de fournituren zal zeker gebruik gemaakt kunnen worden. Om het regiment van behoorlijke ligging en deksel te voorzien wordt besloten de soldaten bij de burgers en ingezetenen in te kwartieren en daarvan dadelijk aan de burgerij kennis te geven. Een commissie uit het stadsbestuur, bestaande uit secretaris Cornelis Ossewaarde en de schepenen mr. Johan Lodewijk Vogel, Johan Isebree en mr. Francois Nicolaas Keetlaar zal de inkwartiering regelen. Er wordt een geschikte plaats gezocht waar de officier van de militaire wacht dagelijks zijn verblijf kan houden. De commissie kan geen beter onderkomen vinden als het huis van kapitein Wildschut aan de Grote Markt en dus dicht bij de hoofdwacht.

Het blijkt dat de brandstof voor de militaire wachten in de stad en het eiland gedurende deze winter niet toereikend zal zijn. Gecommitteerde Raden worden verzocht maatregelen te nemen om nog 40 à 50 schalen kolen naar de stad te zenden. Op verzoek van majoor Vink van het regiment van generaal Eck van Pantaleon, dat in de stad garnizoen houdt, wordt een plaats gezocht waarop het regiment kan exerceren.

In juni 1749 ontstaan er problemen tussen de burgers waarbij soldaten zijn ingekwartierd en de soldaten van de militie. De oorzaak daarvan is de vermindering van de logiesgelden, die door de Staten van Zeeland gedurende de oorlog aan de militie zijn toegekend, en de weigering van de soldaten om zelf op eigen kosten boven het logiesgeld zoveel bij te leggen als tot een behoorlijk kwartiergeld wordt vereist. Het stadsbestuur besluit de militairen te verplichten het alsnog genoten logiesgeld tot een schelling per week voor kwartiergeld te betalen. De burgers waar soldaten zijn ingekwartierd moeten daarmee genoegen nemen. Burgemeester Parker deelt dit de commanderende officier mee en drukt hem wel op het hart dat het stadsbestuur verwacht dat deze order door de soldaten behoorlijk zal worden nagekomen.

Burgerlijke stand

In 1747 worden in het koor van de Grote Kerk begraven in het predikantengraf ds. Johannis Andriessen, ds. Lambertus Te Winkel, een kind van de rector van de Latijnse school Voyer en de weduwe van ds. Willem Lamotte. Verder worden in de preekkerk begraven Martha Verton echtgenote van Kleeuwert Leene en Maria Hoogenhoed. In de nederkerk of wandelkerk worden begraven kapitein Joost de Jonge, Geertruid van Damme echtgenote van Francois de Keijser, captein Jan Snoep, Vrouwe Pieternella Levina van der Bilt echtgenote van mr. Adolf Westerwijk, Maria Beto, juffrouw Ooyé weduwe van Willem Hoogenhoed, ds. Harmanus van Luyne, Adriaan de Leeuw, majoor Gerlacius, de stadsrentmeester Hubertus Craen en Jacobus de Jongh. Vele eenvoudigen worden op het kerkhof rond de Grote Kerk begraven.

Vanaf juli 1747 overlijden verscheidene zieke en gekwetste soldaten die in het hospitaal zijn gebracht. Deze zullen niet langer op het kerkhof kunnen worden begraven. Het stadsbestuur besluit dat 'zodanige doden in het vervolg zullen moeten worden begraven op het Stoofweitje, ter plaatse daar de Manestove placht te staan'.

Huizen

In december 1748 blijken verscheidene gevels van huizen in en onder de stad zeer bouwvallig te zijn. Hierdoor kunnen gemakkelijk ongelukken ontstaan. Het stadsbestuur draagt de stadsarchitect op om de gevels in de stad en de voorstad te inspecteren en die panden op te tekenen die wegens hun bouwvalligheid ongelukken zouden kunnen veroorzaken. Ook constateert het stadsbestuur dat bij resolutie van 17 juli 1745 alle reparaties aan de luifels van de huizen zijn verboden, maar dat dit verbod niet behoorlijk wordt nageleefd. Besloten wordt de dekenen van het timmerliedengilde een kopie van deze resolutie toe te zenden met bijvoeging dat het de timmerluiden verboden wordt om enige reparatie aan de luifels binnen de stad en onder haar jurisdictie te doen of te laten doen.

Van andere orde is de constatering in 1750 'dat in vorige tijden orders zijn gesteld tegen het verkopen en verhuren van huizen aan vreemde personen of ook dat zodanigen zich alhier metterwoon niet mogen nederzetten zonder permissie van het stadsbestuur'. Thans blijkt dat een groot aantal vreemdelingen sinds enige tijd zich in en onder de stad heimelijk en zonder kennis van het stadsbestuur heeft gevestigd. Dit zonder dat van hun goed gedrag enigszins is gebleken. Tot voorkoming van verdere aanwas besluit het stadsbestuur een ordonnantie op te stellen en orders te stellen tegen het verkopen en verhuren van huizen aan vreemdelingen en het wonen in de stad zonder permissie.

In 1750 krijgt Jan de Fouw toestemming om 'op de ledige en deze stad gansch onnutte en spatieuse grond tegen de zogenaamde Donkere Poort een schuur of pakhuis te bouwen'. Het onderhoud van de kaaiingen ter breedte van het te maken pakhuis zal voor zijn rekening komen.