Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1760 - 1765)

Openbare orde en veiligheid

Er doen zich allerlei uiteenlopende gevallen op het gebied van openbare orde en veiligheid voor. Zo krijgt Willem Zuidweg in 1760 toestemming om zijn zoon Adriaan, ‘laborerende aan de vallende ziekte en daar uit spruitende kwaadaardigheid, tot voorkoming van ongelukken, die daardoor zouden kunnen gebeuren, te bestellen in een verzekerd huis’.

De welgestelde burger en koopman Anthony van de Putte betoogt in 1761 ‘dat nu onlangs door enige kwalijk geintentioneerde lieden een defameus gerucht van hem is gedivergeerd alsof hij aan enige personen nog grote kapitalen schuldig was en binnenkort daarvoor stond te worden geëxecuteerd’. Hij verzoekt, ‘omdat door deze valse geruchten zijn credit zo in als buiten ’s lands merkelijk zou worden verminderd, dat het stadsbestuur tot handhaving van hetzelve hem machtigt om een iegelijk bij affictie van biljetten te waarschuwen zich voor dit soort devulgatiën directelijk of indirectelijk te wachten’. Het stadsbestuur geeft hem toestemming om bij biljetten publiekelijk een ieder te waarschuwen zich voor enige defamerende divulgatiën te wachten.

In 1763 komen er klachten bij het stadsbestuur over overlast van straathonden. Dit is aanleiding om het houden van doggen en bulhonden te verbieden.
Ook komen vele klachten binnen over de overlast die sommige burgers en ingezetenen lijden van de hoenders en duiven die bij menigte langs de straten lopen of op de daken zitten. Dit is tegen de teneur van de aloude loffelijke voorboden van de stad. Het stadsbestuur besluit de voorboden te herzien in die zin dat alle hoenderkotten buiten de huizen, hetzij op staat of op de stoepen staande, dienen te worden afgebroken zonder weer andere in de plaats te mogen stellen. Niemand mag zijn hoenders van nu af aan meer op straat laten lopen noch zijn duiven laten uitvliegen. Wel staat het een ieder, wonend aan de stadswal, vrij daar zijn hoenders te laten lopen, mits de kotten binnen hun erven houdende.

Voor een ordelijk verloop van de schaapskudde krijgt Leendert van Hoorn in 1765 toestemming om gedurende de maanden november, december, januari en februari ‘desselfs kooy schapen met seclusie van alle anderen onder de jurisdictie dezer stad te mogen wachten of doen wachten op alle bloote en onbezaaide landen, mits daartoe permissie van de eigenaars der voorzeide landen en weiden verkregen hebbende, zonder dat deze concessie verder of langer zal strekken als gedurende de boven bepaalde tijd’. Schaapherder Van Hoorn wordt nadrukkelijk gelast te beletten dat de singels en publieke wegen daardoor nadeel wordt toegebracht.

In september 1761 vragen de lijkdienaars om hun instructie te wijzigen in die zin ‘dat kinderen, die zonder enige ceremonie onder den arm ten grave worden besteld, door de lijkdienaars moeten worden gedragen, ten ware zulks door iemand der nabestaanden wordt verricht’. Het stadsbestuur besluit om, ter voorkoming van alle verdere disputen, te bepalen dat in het vervolg, wanneer ouders of voogden van het overlijden van hun kinderen of pupillen de bekendmaking door een lijkdienaar laten doen, deze dan ook verplicht zijn deze kinderen of pupillen door een lijkdienaar ter aarde te laten bestellen.
Kort daarop wordt deze Instructie voor de lijkdienaars nader geinterpreteerd in die zin dat:

  • wanneer ouders van het overlijden van hun kind geen bekendmaking laten doen, zij hun gestorven kinderen ten grave kunnen laten dragen door wie zij willen zonder dat de lijkdienaars iets daarvoor mogen eisen;
  • wanneer zij dit door een lijkdienaar laten doen, zij ook gehouden zijn voor het ter aarde bestellen van het kind aan een lijkdienaar te betalen het gewoon salaris van vijf schellingen.

Nòg een andere zaak van openbare orde doet zich voor in augustus 1765.
Gesproken wordt over de vraag waar het recht op het trouwen moet worden betaald door personen die in de stad hetzij voor heren schepenen of voor de kerkenraden van de Nederduitse of Waalse gemeenten zijn ondertrouwd, maar op een andere plaats wensen te trouwen. Het stadsbestuur besluit dat dit recht zal moeten worden betaald aan dat college daar ze ondertrouwd zijn, niettegenstaande ze naderhand op een andere plaats trouwen.

Justitie

Gedurende deze jaren zijn er slechts drie rechtszaken. In september 1760 treedt de baljuw Nicolaas Eversdijk op tegen Adriana Kemeling, oud 12 jaar, geboortig uit Sint Maartensdijk en woonachtig binnen de stad. Ze is gevangen gezet op de wakerskamer van het stadhuis. Ze wordt beschuldigd van: dieverij bij de smid Gideon Vervenne van enige hoefijzers; diefstal van de bleijk van Paulus Schuiling van een hemd; bij de weduwe van Bartel Kaasbeke in het huis aan de olijmolen op de dijk door een venster te klimmen en daaruit weg te nemen een koperen ketel en deze te verkopen aan Jan Rapholm. De baljuw eist dat ze strengelijk met roeden gegeseld zal worden, met het wapen van de stad gebrandmerkt en verder gebannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. De advocaat Roetering pleit voor verdachte en wijst op haar kinderlijke onbezonnen dwaasheid die door louter onkunde en onnozelheid is veroorzaakt. Hij verzoekt gratie gelet op haar onmondigheid gepaard met uiterste armoede. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om op de markt te worden gebracht voor de pui van het stadhuis en daar met roeden in de arm te pronken zal worden gezet. Voorts wordt zij voor haar leven lang verbannen uit de provincie Zeeland.

In juni 1760 treedt de baljuw op tegen Pieter Kakelaar, gedetineerde op de wakerskamer van het stadhuis. Hij is van Philippine gekomen met zijn schuit, hebbende een okshoofd met 60 stopen brandewijn, 12 ankers genever en een zak tabak van 80 à 90 pond aan boord met de bedoeling dit in Ellewoutsdijk aan wal te brengen. De commandeur Croonenburg heeft hem echter opgebracht en in de stad gebracht. Het is verboden om drank van buiten de provincie in te voeren van een mindere hoeveelheid dan okshoofden van 96 stopen. Dit valt onder het begrip sluikerijen. De baljuw eist een boete van 200 Carolus guldens. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem tot een boete van driemaal de waarde van de goederen en een boete van 400 gulden tot verbeuring van zijn goederen en schip.

In januari 1765 speelt een rechtsgeding tegen Geertie van der Huis, huisvrouw van Jan Blom. Ze wordt verdacht van diefstal van een zilveren naaldkoker van iemand die bij haar logeerde. Deze naaldkoker heeft ze verruild bij de zilversmid Thomas Snoep tegen geld. Ook nog andere diefstallen heeft ze gepleegd. Burgemeesters en schepenen verbannen haar voor 25 jaar uit de stad en het eiland Zuid-Beveland.

Jan Dirkse van Swol, dienaar van de baljuw ofwel ’s Heeren dienaar, wordt ontzet uit zijn functie wegens zijn aanhoudend kwaad gedrag. Hij wordt op de wakerskamer in hechtenis gehouden om verder op een gereed liggend schip naar Oostindië met de eerste de beste gelegenheid te worden getransporteerd.

Janna Goedertier wordt in 1765 wegens haar slecht gedrag door ’s Heeren dienaars uit de stad geleid en de stad en jurisdictie ontzegd. Ook Janna den Hollander krijgt de aanzegging om binnen tweemaal 24 uur de stad en jurisdictie te ruimen.

In hetzelfde jaar wordt Iman Herbert van Schreven door de baljuw wegens vechterij in hechtenis gesteld. Hij heeft op de 1e januari in het dorp Kloetinge een soldaat van het garnizoen te Goes zwaar gekwetst. Hij is op het territoir van ’s Gravenmannen van Zeeland Bewesten Schelde, en dus buiten ons stedelijk territoir, gevangen genomen en naar Goes in besloten hechtenis vervoerd. Hij wordt tot voordeel van zijn vrouw en kinderen naar Indië gezonden. Het weeshuis moet voor zijn uitrusting zorg dragen. De secretarissen schrijven hierover aan een van de heren bewindhebbers van de Oostindische Compagnie om permissie te bekomen om Van Schreven aan boord van een van de eerst vertrekkende schepen te zenden.

Garnizoen

In juli 1761 komt er bericht van Gecommitteerde Raden van Zeeland ‘dat de Heren van Vlissingen vertogen aan hen hebben gedaan wegens het ongerief hetgeen het garnizoen aldaar heeft door het detacheren van een officier met dertig man op patent van de Heren van den Rade naar herwaarts gezonden’. Ze verzoeken daarom, indien deze manschappen ten dienste van de stad Goes niet meer nodig zijn, dat deze mochten worden teruggezonden. Het stadsbestuur deelt Gecommitteerde Raden mee bereid te zijn de manschappen op een retourpatent van Gecommitteerde Raden terug te laten gaan en hen te bedanken voor hun attentie en voorziening.

Een van de sergeanten van de in de stad garnizoen houdende compagnie geeft in 1762 te kennen dat hij de functie van ‘Place Major’ waarneemt zonder daarvoor een vergoeding te genieten. In andere garnizoenen worden hiervoor enige emolumenten genoten. Het stadsbestuur besluit hem toe te kennen ‘een quartier, zijnde vijftien tonnen, turf en enige steenkaarsen’.

Er komt in maart 1764 een missive van Gecommitteerde Raden over het verleende patent voor de thans in de stad garnizoen houdende militie. Deze zal door een compagnie van het Eerste battaljon van Orange Nassau worden afgelost. Het stadsbestuur geeft de nodige orders voor het in- en uittrekken van deze manschappen.

Schutterijen en burgerwacht

Van de schutterijen is over deze jaren weinig te melden.
Jaarlijks vinden de mutaties in de officieren van de schutterijen van de Handboog, de Voetboog en de Busse plaats. Deze functies worden doorgaans vervuld door leden van het stadsbestuur of andere notabelen. Ter illustratie volgt hier een overzicht van enkele jaren.

Schutterij van de Handboog

1761: Hoofdman mr. Willem van der Bilt. Dekenen: dokter Adriaan Isebree, dokter Coenraad Coenraads en dokter Cornelis Canisius.
1762: Hoofdman Johan Isebree. Dekenen: dokter Kornelis Lopsse, Marinus de Meyer en Adriaan Step.
1765: Hoofdman burgemeester Kornelis Lopsse. Dekenen: Adriaan Isebree, Cornelis Canisius en Zacharias Coenraads.

Schutterij van de Voetboog:

1761: Hoofdman Francois de Keijser. Dekenen oud-burgemeester Pieter Ossewaarde, Francois Oversuis en mr. Johan Adriaan van Dorth.
1762: Hoofdman Pieter Ossewaarde. Dekenen Jan Willem Boddaert, Bernardus Rimmens en Gerardus Johan Boon.
1765: Hoofdman Bernardus Rimmens. Dekenen Willem Beyaard, Ary Krekelenberg en mr. Zacharias Maximilliaan Rimmers.

Schutterij van de Busse of de kolveniers:

1761: Hoofdman Johan Sautijn. Dekenen Quirijn de Lasabel, mr. Daniël Canisius en Cornelis Dijkwel.
1762: Hoofdman Quirijn de Lasabel. Dekenen mr. Francois Nicolaas Keetlaar, mr. Jan Boogmaker en Carel Johan van Lichtenbergh.
1765: Hoofdman mr. Jan Boogmaker. Dekenen Carel Johan van Lichtenbergh, Arend Willem van Kerchem, heer van Baarland, en Harmanus Tobias de Lasabel.

Extra-ordinaire compagnie

Om de bedienden van de baljuw en van de extra-ordinaire compagnie beter gereed te houden voor de uitvoering en executie van de resoluties van het stadsbestuur wordt in 1764 bij publicatie bepaald dat geen tappers en kroeghouders binnen de stad en jurisdictie enige sterke drank aan ’s Heeren dienaars of de bedienden van de extra-ordinaire compagnie mogen schenken of hen in hun huizen in gelagen toe te laten.

Het stadsbestuur besluit in 1765 te ordonneren dat, wanneer die van de extra-ordinaire compagnie schepen of schuiten met gefraudeerde goederen aanhalen, deze aan de ketting, die  onder ’s Heeren dienaars berust, zullen mogen leggen. De daartoe staande penningen zullen in die gevallen worden verdeeld worden over de extra-ordinaire compagnie en ’s Heeren dienaars.

Brandweer

Na rijpe deliberatie en op advies van de brandmeesters besluit het stadsbestuur in juni 1763 een ‘Ordonnantie op den Brand’ vast te stellen.
Bij die gelegenheid komt tevens ter sprake dat Mahieu Rijkaart, meester timmerman en particulier brandmeester, sinds lange tijden de sleutels van de Oostpoort en de Bleekveldse Poort onder zich heeft om zich in zijn functie in geval van brand daarvan te kunnen bedienen. Hij heeft nu de burgemeesters verzocht van de bewaring van de sleutel ontheven te worden. De voorzittende burgemeester heeft deze sleutel inmiddels onder zich genomen. Het stadsbestuur overweegt of het niet beter is de sleutel van de Bleekveldse poort onder bewaring van de brugophaalder Jan de la Fontaine te laten op voorwaarde deze niet te gebruiken als uitsluitend in geval van brand, in geval een doctor of vroedvrouw in de zoutkeeten wordt ontboden en ten dienste van de nachtwerkers. Besloten wordt de sleutels van deze poorten onder de brugophaalder De la Fontaine te laten berusten.

In november 1765 ontvangt het stadsbestuur de prijzen van onderscheidene soorten nieuwe brandspuiten. De generale brandmeesters krijgen machtiging om de oude brandspuiten te laten nazien en, indien deze niet meer behoorlijk kunnen worden gerepareerd, nieuwe te kopen van de grootste soort.