Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1766 - 1771)

Openbare orde en veiligheid

In november 1766 meldt de burgemeester het stadsbestuur dat op een van de deuren van de Koepoort godslasterlijke woorden staan geschreven. Hij heeft twee schepenen verzocht om samen met de baljuw en een stadsbode een onderzoek in te stellen en deze alsdan te doen uitwissen. De schepenen bevinden het bij het onderzoek ook zo en ‘hebben die woorden doen copiëren om de baljuw te kunnen tot bewijs verstrekken’. De burgemeester verzoekt ‘de heren van de wet’ niet na te laten naar de schrijver van die woorden te informeren. Er wordt een premie voor het vinden van de schrijver van deze godslasterlijke woorden uitgeloofd van £ 25 Vlaams ofwel 100 gulden.

In februari 1768 blijken er enige dolle honden rond te lopen in de stad. Gevreesd moet worden voor droevige ongelukken. Het loslopen van honden wordt tot 1 april verboden.
Ook wordt een ieder verboden allerhande vuilnis in de stadsachterhaven te werpen.

Maar er is ook ongenoegen over het onvoorzichtig hard rijden door de stad, het slepen van bomen, het overladen van wagens, het laten staan van paarden of wagens door de landluiden op ’s Heeren straten of markten (uitgezonderd alleen de Nieuwe Noordstraat en buiten de Oostpoort) en het buiten noodzaak door de stad voeren van stoofaarde, mest en andere vuilnis. Het stadsbestuur besluit dit nogmaals bij publicatie te verbieden.

Ook wordt een ordonnantie vastgesteld tegen het ontijdig klimmen over de stadspoorten, de havenboom of andere openbare werken.

Jacobus Burger, die gevangen gezet is wegens gedurige dronkenschap en hooggaande brutaliteiten en ter voorkoming van verdere door hem gedreigde onheilen, wordt in 1769 door de dienaars van de justitie uitgeleid buiten de stad en jurisdictie met verbod van nimmermeer daar binnen te komen dan met hun permissie.
Ook Karel Mulder gedraagt zich in oktober 1769 bij voortduur zeer slecht en is gedurig dronken. Hij wordt voor enige dagen op de wakerskamer van het stadhuis ‘te water en te brood gezet’.

In 1769 blijkt dat er nogal wat vreemde personen in de stad komen. Dit niettegenstaande bij verscheidene resoluties o.a. die van 7 november 1750 orders gesteld zijn ’voor het inkomen, ter nederzetten en verblijven alhier van vreemde personen, merendeels wezende onbekwaam om zich te kunnen onderhouden en naar behoren hun kost te winnen’. Echter verscheidene artikelen worden niet goed onderhouden tot groot bezwaar van de diaconie en het gecombineerde arm- en weeshuis. Dit is tot groot nadeel van de verarmde burgers en inwoners, voor wie de liefdegaven voornamelijk worden ingezameld. Het stadsbestuur besluit een nieuwe ‘Ordonnantie op het inkomen, ter nederzetten en verblijven van vreemde personen’ vast te stellen.

In maart 1770 kondigt het stadsbestuur een publicatie af tegen de verregaande moedwilligheden, straatschenderijen en dieverijen, die er sinds enige tijd binnen de stad aan de gang zijn. Er wordt een premie van honderd gulden uitgeloofd voor degene die een dader weet aan te brengen.

Huibregt Zoeteweij, winkelier in de Voorstad, wordt in 1770 vanwege zijn aanhoudende dronkenschap en verregaande brutaliteiten waaraan hij zich van tijd tot tijd te buiten gaat, waarom hij ook een en andermaal in bewaring is gesteld, bij de eerstvolgende gelegenheid en met het eerst vertrekkende schip naar Oostindië verzonden. Kort hierna bericht de heer Radermacher, bewindhebber van de Oostindische Compagnie ter Kamer Zeeland, over het in dienst nemen van Huibregt Zoeteweij op ‘’s Compagnies Bodem Blijdorp’.

Het blijkt in maart 1771 dat het bedelen langs de huizen, niettegenstaande verscheidene resoluties en publicaties daartegen zijn vastgesteld, meer en meer toeneemt. Besloten wordt een nieuwe publicatie tot het weren van bedelaars af te kondigen.

In juli 1771 is Elisabeth Franse, weduwe van Karel Blommaart, ondanks haar politieke uitzetting, weer in de stad gesignaleerd. Ze wordt door de baljuw gevangen gezet. Het stadsbestuur vindt het goed haar enige dagen op water en brood gevangen te houden en daarna naar elders te transporteren. Ook Job van der Maas, die sedert lange tijd geweigerd heeft zijn kinderen te alimenteren en zich bovendien in dronkenschap zeer ver te buiten gaat, wordt in oktober in bewaring genomen. Hij zal zodra mogelijk op een naar Oostindië gereed liggend schip worden gezet. En in september krijgen Karel Muller en zijn huisvrouw Anna Maria Kuiper de aanzegging om de stad en het eiland en de Heerlijkheid van Borsele binnen acht dagen te verlaten zonder daar weer in te komen.

Justitie

Het stadsbestuur besluit in 1771 om de beide gerechtsboden, de zogenaamde ’s Heeren dienaars, van nieuwe uniformen te voorzien en ‘in deselve zodanige verandering te maken als ze zullen goedvinden’. De baljuw Nicolaas Eversdijk voert in september 1766 een geding tegen Hendrik Roseniet, bediende van de extra-ordinaire compagnie of de zogenaamde roode roede. Roseniet heeft met zijn mede roode roede, Theunis Groeneweg, te Baarland in het parochiehuis gevonden ene Klaas van Dijke, verdacht van het frauderen van tabak. Hij heeft van deze Van Dijke vernomen dat hij zeven tonnen zoute vis te ter Neuzen had staan ‘welke hij geerne binnen dit eiland zou verkopen’. Van Dijke vreest dat Roseniet en zijn maat hem zullen aanbrengen. Ze verzekerden hem niet te zullen opbrengen tegen levering van tien ponden gekorven tabak. Op deze manier hebben ze Van Dijke misleid en omgekocht. Roseniet wordt beschuldigd arbeiders te hebben omgekocht en diverse sluikerijen en fraudes te hebben gepleegd. De baljuw eist dat hij zal worden gegeseld en verbannen uit Zeeland, Holland en Westfriesland. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om veertien dagen te water en te brood gezet te worden en verklaren hem eerloos en meinedig, ontslaan hem als roode roede en verbannen hem uit de provincies Zeeland, Holland en Westfriesland. Ook Klaas van Dijke wordt gestraft wegens het plegen van fraude met tabak. Hij wordt veroordeeld tot een boete van 1200 gulden met verbeurdverklaring van zijn tabak. Tot afschrik van anderen zal hij van de pui van het stadhuis worden afgelezen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem tot verbanning voor altoos uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

In november 1766 treedt de baljuw op tegen de gedetineerde Maria Brinkman, huisvrouw van Jan Reijs, woonachtig te Bergen in het land van Luik. Ze logeerde onlangs bij de varkensslachter Abraham Verschaar en heeft daar van zijn kleerzolder gestolen twee manshemden, twee vrouwshemden, een dasje, vier stropties en twee halsdoeken. Ze heeft deze in een zak gestoken en verborgen op een andere kamer met de bedoeling deze de andere dag mee naar Antwerpen te nemen. De baljuw eist dat ze strengelijk met roeden zal worden gegeseld, met het wapen van de stad gebrandmerkt en gebannen uit Zeeland, Holland en Westfriesland. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om binnenskamers te worden gegeseld en voor altoos verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

In oktober 1767 speelt er een geding tegen Maarten van Ottegem. Hij en Huibregt Schuite, in zijn functie van ’s Heeren dienaar, hebben zowel overdag als ‘s nachts moeten gadeslaan en bewaken in de herberg ‘de Gouden Leeuw’ de gedetineerde Jood Levi Salomons om te voorkomen dat Salomons gelegenheid mocht vinden om uit zijn detentie te ontvluchten. Hij heeft met de Jood onderhandeld en ‘voor een horologie, tgeen schoon van pinsbecq zijnde, bij gedetineerde voor goud ter waarde van 160 gulden aangenomen ter ontvluchting aan de hand te geven’. Hij heeft Salomons aangewezen hoe de voordeur van het huis wordt gesloten en aanwijzingen gegeven te ontvluchten als ‘s Heeren dienaar Schuite bij hem zou waken. Salomons heeft weten te ontvluchten en is naar de kaai gelopen. Van Ottegem’s broer heeft hem met een boot weggebracht. De baljuw eist dat hij met roeden zal worden gegeseld en voorgoed verbannen uit deze provincies. Burgemeesters en schepenen verklaren Van Ottegem voor eerloos, meinedig en infaam om binnen de provincie enige functies te vervullen, ontzetten hem uit zijn functie van ‘s Heeren dienaar en verbannen hem voor altoos uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

Ook Levi Salomons ontgaat zijn straf niet. Hij heeft zich hier neergezet om de praktijk van doctor in de medicijnen uit te oefenen na vertoning van een bul van de Academie te Tubingen. Gebleken is dat deze vervalst was. Hij wordt veroordeeld tot verscheuring van zijn bul en voor altoos verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

De baljuw Nicolaas Eversdijk voert in december 1769 een geding tegen de gedetineerde Maria Maskeluijn. Ze heeft bij de winkelier Pieter Schoon enige stukken chitse gevraagd op naam van juffrouw Step zonder dat deze hier iets van wist. Ook heeft ze bij de zilversmid Zandijk op naam van juffrouw Miller zonder haar kennis drie zilveren tasbeugels geëist. De baljuw eist dat ze met roeden gegeseld, gebrandmerkt met het stadswapen en verbannen wordt. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om met roeden omhangen, tussen ‘s Heeren dienaars, driemaal achtereen om het marktveld zal worden omgeleid en verder voor altoos verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

In april 1770 treedt de baljuw Eversdijk op tegen de gedetineerde Paulus Meeusen. Hij heeft het bestaan des nachts te klimmen over de achtertuin op de erve van Cornelis de Jonge aan de stadssingel met de bedoeling om uit diens hof een rozemarijnboom te stelen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om gedurende acht dagen te water en te brood te worden gezet en voor altoos verbannen uit de stad en het eiland. Ook wordt dit jaar Cornelia Barendregt veroordeeld omdat ze overspel heeft gepleegd. Ze wordt voor altoos verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

In januari 1771 speelt een rechtsgeding tegen Cornelis Paradie. Hij is in 1770 clandestien uit de stad vertrokken met achterlating van zijn kinderen zonder voor hun alimentatie te zorgen. Ondanks alle waarschuwingen is hij tot nog toe in gebreke gebleven. Burgemeesters en schepenen verbannen hem uit de stad en het eiland. Ook treedt de baljuw op tegen Margaretha Assenbergh, huisvrouw van Jan Zuidweg. Ze is in het afgelopen jaar heimelijk uit de stad vertrokken en heeft haar man kwaadwillig verlaten. Burgemeesters en schepenen verbannen haar voor altoos uit de stad en het eiland. De baljuw treedt in juli 1771 ook op tegen de gedetineerde Michiel Wagenaar. Hij heeft zich vanaf het begin van zijn huwelijk aan het misbruik van sterke drank overgegeven en daardoor zijn vrouw en kinderen tot armoede gebracht. Herhaaldelijk heeft hij zijn vrouw geslagen, gevloekt en bedreigd. Hij heeft haar nu met een mes een snede in de hals toegebracht, kennelijk in een poging haar te vermoorden. De baljuw eist dat hij tot afschrik van anderen, aan de scherprechter overgeleverd zijnde, met een strop om de hals onder een daartoe opgerichte galg met het blote mes boven zijn hoofd strengelijk met roeden zal worden gegeseld en met het wapen van de stad  gebrandmerkt, om verder zijn leven lang in een tuchthuis te worden gezet. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem tot geseling en brandmerking en verder wordt hij voor altoos uit Holland, Zeeland en Westfriesland verbannen.

Brandweer

De tabakdroger Adriaan Coutsijn laat in 1766 zonder toestemming van de brandmeesters in zijn werkplaats aan de noordzijde van de Korte Nieuwstraat (de latere Pyntorenstraat) een fornuis plaatsen. Hij heeft hiervoor een boete gekregen. Uit een inspectie van de brandmeester blijkt echter dat dit fornuis minder ‘pericul heeft van brand te veroorzaken als het fournais hetgeen voorheen op die plaats heeft gestaan’. Het stadsbestuur besluit hem, boven de boete van vijftig gulden volgens de ordonnantie op de brand, nog ten profijte van het gecombineerde arm- en weeshuis te laten betalen een boete van twintig gulden inplaats van het fornuis te laten verwijderen.

Een van de brandspuiten is in 1766 ‘ontramponeerd’. De generale brandmeesters sturen de defecte brandspuit naar Amsterdam om te laten onderzoeken hoeveel deze aan reparatie zou kosten en alsdan naar bevind van zaken deze te laten repareren of wel te verkopen.

In juli 1768 blijken de drie brandspuiten in een slechte staat van onderhoud te verkeren. De generale brandmeesters rapporteren dat bij de jaarlijkse oefening bleek dat drie van de brandspuiten, de ene meer en de andere minder, hoogstnoodzakelijk moeten worden gerepareerd. Besloten wordt de brandmeesters te machtigen ‘om voor eerst het kleine spuitje als het defectueuste naar Middelburg te zenden om aldaar door de brandspuitmaker te worden hersteld en, teruggekomen zijnde, in tegenwoordigheid van de brandspuitmaker te proberen. Wanneer deze spuit zal worden bevonden volkomen hersteld te zijn, om alsdan de volgende die het meest nodig zal geoordeeld worden, insgelijks ter herstelling te verzenden en zoals de vorige te proberen en zo successievelijk totdat alle de spuiten in een behoorlijke staat zullen zijn gebracht’.

Schutterijen

In september 1770 staat het stadsbestuur stil bij ‘de omstandigheden van tijden en de oordelen die den Lande drukken en dreigen’. Na serieuze deliberatie wordt besloten de hoofdmannen en dekenen van de drie schutterijen te verzoeken ‘ieder in den haren het daar heen te dirigeren dat dit jaar geen blijde maaltijden onder de schutters worden gehouden’.
Ook in 1771 besluit het stadsbestuur de hoofdmannen van de schutterijen te verzoeken die directie te houden, dat, aangezien de duurte van de levensmiddelen niet toelaat festiviteiten en openlijke maaltijden aan te richten, ook voor dit jaar weer van het houden van blijde maaltijden wordt afgezien.

Garnizoen

De meeste soldaten van de in de stad garnizoen houdende compagnie liggen deze jaren in het voormalige oude manhuis ingekwartierd.

Huizen

In deze periode telt Goes circa 1000 woningen. Het aantal huizen te Middelburg wordt geschat op 4000, te Zierikzee op 2100, te Tholen op 400, te Vlissingen op 1600 en te Veere op 500 à 600.
Uit een opgave uit het jaar 1770 blijkt dat de huisschatting in Middelburg £ 3.500, in Zierikzee £ 1.166, in Vlissingen £ 2.000, in Tholen £ 250, in Veere £ 983 en in Goes £ 1.000 bedraagt.

Er vinden deze jaren heel wat mutaties in het huizenbestand plaats. Enkele willekeurige voorbeelden volgen hier.
Zo geeft mr. L.P. van de Spiegel in mei 1767 te kennen genoodzaakt te zijn een nieuwe heining te zetten aan de wal bij de Koepoort op de plaats daar de schuur van de voormalige brouwerij ’de Waereld’ heeft gestaan. Hij krijgt toestemming voor het uitspringen van twee à drie voeten op de wal van de ene hoek van de schuur tot de andere voor het recht trekken van deze heining. Van de Spiegel krijgt in september 1768 toestemming ‘om achter zijn erve bij de Koepoort de borstwering van stadswalle te doen uitnemen zo veel nodig zal zijn om uit zijn huis en tuin een ruim en onbelemmerd gezicht te hebben over de veste of stads cingel’. In december 1770 verzoekt Van de Spiegel ‘de 200e penning, staande op de gedempte brouwerij ‘de Waereld’ naast zijn woonhuis, te verdelen alsvolgt: dat het pakhuis zal worden belast met £ 2.10, het gewezen woonhuis van de brouwerij eveneens met £ 2.10 en het hofje leggende achter de Roomsche kerk met £ 1 en het overige op en tot last van zijn woonhuis’.

In juni 1770 geeft de kleermakersbaas Cornelis Briels, wonend in de Korte Kerkstraat, te kennen dat hij aan zijn knecht Laurens Weijt heeft verkocht een achterhuisje, komende aan het huis van hem, genaamd ‘de Drie Brabanders’, welk huisje hij van Abraham Verschaar heeft afgekocht van het tegenwoordige huis van de procureur Roeteringh ten tijde als juffrouw Ossewaarde dit heeft bezeten. Hij verzoekt een regeling voor de huisschatting.

In december 1771 verzoekt Jacob Almekinders op het plein buiten de Ganzepoort, waar hij een nieuwe schuur zou zetten, enige voeten te mogen uitspringen. Op advies van de stadsdirecteuren krijgt hij hiervoor vergunning.