Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1785 - 1792)

Oost-Indische Compagnie

Het stadsbestuur beraadslaagt op 8 april 1789 over de dag tevoren gehouden voordracht van de delegatie uit de Staten van Zeeland over de Oost-Indische Compagnie. Overwogen wordt ‘dat aan het behoud van de Oost-Indische Compagnie voor een zeer groot gedeelte de welvaart van de provincie afhangt’. Het stadsbestuur kan hieronder niet onverschillig blijven. Het voelt zich moreel verplicht voor het behoud van de compagnie mede bij te dragen. Echter de betrekking op de compagnie is zo direct niet als die van de Walcherse steden. Niettemin ‘zal de invordering van een algemeen onereus middel over de gehele provincie ook wel enigszins dienen tot voordeel van deze stad’. Zij het schoorvoetend kan het stadsbestuur wel instemmen met de heffing van de 25e penning, ‘bij aldien uit het provenu daarvan een zeker gedeelte, tenminste tot een som van £ 50.000 Vlaams, wierde geaffecteerd om te dienen ter verbetering van het Goese vaarwater’. Het stadsbestuur besluit daarom de gedeputeerden ter staatsvergadering te autoriseren ‘om in te brengen dat het stadsbestuur niet kan consenteren in de heffing van de 25e penning voor en aleer aan hun de verzekering gegeven wordt dat uit hetzelve ter verbetering van het Goese vaarwater tenminste een som van 3 tonnen goud ter beschikking wordt toegezegd’. Het stadsbestuur zal ondertussen dan werk maken om een aanmerkelijk plan te laten formeren en voor te brengen en zich engageren om hetgeen van vermelde som daartoe minder benodigd bevonden wordt in ’s lands kas te restitueren.

Het stadsbestuur bespreekt op 29 januari 1791 uitvoerig de bodemloze put van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie. Nu wordt in de Staten weer voorgesteld om, evenals de Hollandse Kamers, in evenredigheid de bewindhebbers van de Kamer Zeeland te autoriseren tot een geldlichting van drie en een derde miljoen gulden onder garantie van de provincie. De gedeputeerden ter statenvergadering krijgen opdracht in te brengen ‘dat men zich er niet over moet verwonderen dat het stadsbestuur van Goes tegen haar gewoonte zo traaglijk zich vertoont om op dit punt te adviseren, aangezien het stadsbestuur wel wil bekennen huiverig te zijn om in deze partij te trekken’. Het stadsbestuur van Goes vreest dat de compagnieën met onnoemelijk veel geld geholpen dienen te worden en dan is het nog maar de vraag of ze stand kunnen houden. Enerzijds is men er van overtuigd dat de compagnie zonder deze penningen niet staande zal kunnen blijven. Anderzijds ‘kan men niet zonder bekommering aangedaan zijn over de bijstand die de provincie tot heden toe misschien tevergeefs heeft toegebracht’. ‘Bij dit alles komt bij het stadsbestuur zeer gegrond in aanmerking dat, wanneer er onderstand van miljoenen en tonnen gouds gevraagd wordt van Oost- of West-Indische compagnieën, alle riemen als het ware te boord gelegd worden om zonder uitstel de leden en ook het stadsbestuur te permoveren daartoe te concurreren, gemeenlijk met dien aandrang alsof alle de ingezetenen en steden daar bij evenveel belang hadden, maar dat, als het aankomt op de behulpzame hand te bieden aan lichamen waarvan het stadsbestuur de behoeften van meer nabij kent, de bekrompenheid van ’s lands kas met geen levendiger couleuren genoeg afgeschilderd wordt om de spaarzaamheid te betrachten, getuige hiervan de deliberatiën over de subsidies aan de calamiteuze polders.

Getuigen hiervan de lauwheid waarmede het poinct van de verbetering van de haven der Stad Goes wordt behandeld, ten opzichte waarvan men een contenance bespeurd even of hun achtbaren met daartoe den bijstand van hun edelmogenden te vragen met de singulierse pretenties voor den dag kwamen, terwijl het meer dan zeker is dat, blijft de toegang naar de stad zoals dezelve nu is, alle communicatie eerlang zal zijn afgesneden en daarmede de bronnen van bestaan, die er nog zijn, zullen zijn toegestopt, dat daarentegen, indien de stad in dezen wierd geholpen, bij de tegenwoordige middelen van bestaan er geen minder voordelige zich aanbieden tot vermeerdering van haar welvaart, waarvan de invloed nooit prejudicieabel kan zijn voor de andere steden of voor ’s lands financiën. Dat al verder de stad geen vermogen heeft om enterprices van dien aard voor haar eigen rekening alleen te ondernemen en dat de ingezetenen der stad Goes evenveel recht als alle andere ingezetenen der provincie hebben om de hulp van den Soeverein in een geval als dit te reclameren’.
‘Dit alles in overweging genomen hebbende en ziende de inclinatie van de meeste leden zich aan derzelve gevoelen zodanig zullen submitteren, dat zij de conclusie van het rapport van de 13e december 1790 zullen aanzien zonder hetzelve tegen te houden, in die rechtmatige verwachting nochtans dat er meerder dispositie zal bevonden worden om gehoor te geven aan die menigvuldige representaties, waartoe het stadsbestuur, daar zij de onherstelbare ruïne van de stad ogenschijnlijk zien naderen, en daar hun edelmogenden de macht hebben om die voor te komen, zich genooddwangt vinden en dat in het bijzonder de heren van de rekenkamer worden gerecommandeerd om voorzover dit poinct aan hun tegenwoordig is gedemandeerd, daarop met den eerste zich te willen bekwamen’.

Azijnmakerij

Jean Francois Macon, laatst wonende te Vlissingen, deelt in juni 1792 mee dat hij zich graag in de stad wil vestigen. Hij verzoekt vergunning om in het pand Beestenmarkt nummer 9 een azijnfabrijk van fruiten op te richten, evenals een stijfselfabriek, en deze azijn en stijfsel te mogen verkopen.

In juli daarop delen Adrianus Spijk en Anthony Boilley mee dat ze van Gerrit Spijk gehuurd hebben een zeker gedeelte van een woonhuis en erve op de Beestenmarkt nummer 9. Dit is het woonhuis waar een zekere monseigneur Macon thans een stijfsel- en azijnfabriek heeft. Ze hebben het voornemen daar een destilleerfabriek aan te leggen voor het destilleren van brandewijn, het stoken van genever en van alle likeuren die tot een grossiersaffaire behoren. Ze verzoeken tevens daar de nodige vuurfornuizen te mogen laten zetten.

Kort hierna, in augustus 1792, schrijven Jean Francois Macon, Adrianus Spijk en Antoni Boilleij aan het stadsbestuur, dat ze toestemming hebben verkregen, de eerste om azijn van fruiten te maken en de twee anderen om een destilleerfabriek aan te leggen voor het destilleren van brandewijn, het stoken van genever en van alle likeuren die tot een grossiersaffaire behoren. Ze willen ‘beide fabrijken gaarne in compagnieschap met den anderen exerceren en tot voorkoming van schade indien er meer dergelijke fabrijken binnen de stad mochten worden opgericht met een seclutief octrooi worden begunstigd’. Ze verzoeken vergunning ‘om met zijn drieën in compagnie binnen de stad met seclusie van anderen azijn van fruiten te mogen maken alsmede om brandewijn, genever en alle liqeuren tot een grossiersaffaire behorende te mogen destilleren en stoken’.

Ook Frederik Zuidweg laat in oktober 1792 weten genegen te zijn tot meerdere voortzetting van zijn affaires om azijn bij de grosse en dus als grossier te verkopen. Hij verzoekt vergunning.

Brouwerijen en destilleerderijen

In maart 1789 verkoopt Jacobus Dominicus zijn brouwerij ‘de Klaver’ aan de Beestenmarkt nummer 1 aan Gerard Kodde. Overeengekomen is dat Dominicus het gedeelte aan de overzijde van de Brouwersgang en bestaande uit een pakhuis en erve, die hij van de brouwerij afneemt, voor zich in eigendom behoudt. De brouwerij vermindert daardoor in waarde. Er wordt een verschikking in de huisschatting toegestaan.
De brouwerij ‘de Gans’ wordt geëxploiteerd door monseigneur Willem de Jongh.

Graanhandel

Het stadsbestuur overweegt in augustus 1792 dat de boekweitmolenaar Nicolaas van der Hagen bij resolutie van 9 mei 1772 is toegestaan bij het inslaan van boekweit onder zekere bepalingen te gebruiken de ‘Rotterdamse korenmaat’. Met dat oogmerk is door Van der Hagen een slaper op het stadhuis gebracht, waarnaar jaarlijks de korenmaat geijkt is. Nu wordt door Van der Hagen, voorgevende dat dit zijn eigendom is, hierover gereclameerd. Hij verzoekt daarover de goedkeuring van het stadsbestuur tot afgifte daarvan. Het stadsbestuur besluit dit verzoek te accorderen en toe te staan dat daarvan de nodige afgifte geschiedt.

De stadsrekening van 1785 vermeldt een ontvangst van £ 258 met de volgende omschrijving: ‘Francois Oversluis den ouden heeft becollecteerd de vier stuivers per zak door het stadsbestuur in de plaats van de lepel of korenmaat, daaronder gerekend de taxatie van de molens en brouwerijen’.

Molens

Boekweitmolens

De boekweitmolenaar Anthoni Pieter op ’t Hof deelt mee dat hij het ongeluk heeft gehad dat zijn boekweitmolen enige tijd geleden voor een groot gedeelte is afgebrand. Daardoor is hij genoodzaakt ‘bij de tegenwoordige wederopbouwing van dezelve, den asch tot het drogen van boekweit benodigd te verplaatsen, hetgeen hij bewust is dat zonder speciaal consent niet vermag te geschieden’. Hij verzoekt zijn Droog Asch of vuurmachine tot het drogen van boekweit te mogen verplaatsen. Hij krijgt vergunning om onder het opzicht van de stadsfabriek zijn droogas te verplaatsen.
Bij deze gelegenheid oordeelt het stadsbestuur het raadzaam en noodzakelijk tot nut van het algemeen op de boekweit en het gortmeel een pas te stellen, zoals dit ook met succes in verscheidene steden van Zeeland wordt gedaan. De pasmeesters van den broode wordt verzocht daarover hun visie kenbaar te maken.

De andere boekweitmolenaar Nicolaas van der Hagen deelt in januari 1792 mee dat hij, naast Antonie Pieter op ’t Hof, op de 24e april 1779 heeft verkregen een octrooi om met uitsluiting van alle anderen de boekweit- en gortmaalderij te houden voor veertien jaren. Dit jaar is het 13e jaar. Hij is nu genegen zijn bedrijf publiek of uit de hand te verkopen. Het stadsbestuur verleent hem toestemming voor het verkopen van zijn boekweit- en gortmolen.

Jan Soutendam geeft in februari 1792 te kennen ‘dat hem in het zekere is geïnformeerd dat de boekweitmaalderstijl binnen de stad een ordentelijke burgerkostwinning oplevert’. Hij heeft ‘van tijd tot tijd zijn gedachten laten gaan om die stijl bij de hand te nemen’. Daartoe is hem geen beter en voor zijn huisgezin minder bezwarend middel voorgekomen dan om een nieuwe boekweitmaalderij op te richten in zijn pakhuis, genaamd ‘het Roode Pakhuis’, staande buiten de Bleekveldse poort. Tot nu toe is hij hierin verhinderd door de toegekende octrooien aan de twee boekweitmolens binnen de stad. Het is hem echter gebleken dat deze in 1793 staan te expireren. Daarom lijkt het hem nu de gunstige tijd om zich tot het stadsbestuur te richten. Hij verzoekt hem vergunning te verlenen om in zijn pakhuis een boekweitmolen te laten maken met de vuurmachine en andere noodwendigheden die daartoe behoren. Het stadsbestuur gaat akkoord met zijn verzoek. Hij moet er wel voor zorg dragen dat in deze op te richten molen ‘op generhande manier zal mogen worden gewerkt of grutten of meel gebroken of gemalen dan na expiratie van de lopende octrooien van de eigenaars van de twee bestaande boekweitmolens’. Soutendam koopt uiteindelijk de boekweitmolen van Nicolaas van der Hagen. Hij betaalt hiervoor aan de stad een recognitie van £ 200.

In februari 1792 verzoekt Gerrit Spijk een gunstige concessie voor het oprichten van een nieuwe (derde) boekweitmolen in ‘de Oude Fransche school’ aan de Beestenmarkt in de plaats van Jan Soutendam, ‘die een dergelijk verzoek geaccordeerd was, doch daar denkelijk geen gebruik van staat te maken, als hebbende onlangs de boekweitmolen van Nicolaas van der Hagen gekocht’. Het stadsbestuur besluit Spijk vergunning te verlenen voor het stichten van een nieuwe boekweitmolen in het geval dit door Jan Soutendam niet wordt gedaan. Dit op een zodanige plaats als de stadsdirecteuren en de stadsfabriek geschikt zullen oordelen en op de voorwaarde dat hij daarin geen enkel werk, de gruttersaffaire rakende, zal mogen verrichten.

In februari 1792 is er zelfs nog een initiatief voor het oprichten van een boekweitmolen. Isaac Matthijs Beijaard geeft namelijk te kennen dat hij sinds geruime tijd bij een van de huidige geoctrooieerde boekweitmaalders die stijl heeft beoefend met het voornemen om zich in de stad te vestigen. Hij verzoekt hem, in navolging van wat onlangs aan een ander is vergund, vergunning te verlenen om een boekweitmolen te mogen stichten. De plaats van de te stichten molen moet hij nog bepalen. Het stadsbestuur besluit echter dit verzoek van de hand te wijzen.

De boekweitmolenaars Antonie Pieter op ’t Hof, Jan Soutendam en Gerrit Spijk richten zich in mei 1792 gezamenlijk tot het stadsbestuur. Ze geven te kennen dat Soutendam vergunning is verleend om, naast de beide thans aanwezige boekweitmolens, waarvan de ene aan Op ’t Hof toebehoort en de andere aan Nicolaas van der Hagen doch waarvan Soutendam eigenaar is geworden, toestemming is verleend een derde boekweitmolen te stichten in ‘het Roode Pakhuis’ door Gerrit Spijk. Nu Spijk de herberg ‘het Schippershuis’ heeft gekocht is hij genegen van zijn vergunning voor de derde boekweitmolen af te zien op voorwaarde dat de octrooien van Soutendam en Op t Hof worden verlengd.

Soutendam geeft te kennen dat hij afziet van de aan hem verleende vergunning voor het stichten van een derde boekweitmolen. Ook Spijk, aan wie de boekweitmalerij werd toegestaan, wil daarvan afzien, in de hoop dat het stadsbestuur kan goedvinden de twee thans nog geoctrooieerde boekweitmolens hun octrooi te verlengen. De eigenaren van die twee molens wenden zich tot het stadsbestuur met het verzoek, onder aanbieding van een jaarlijkse recognitie, aan hen gunstig te verlenen octrooi voor een zodanige tijd als het stadsbestuur wenselijk zal oordelen, om met hen alleen en met uitsluiting van alle anderen boekweit tot meel en grutten te malen en dit te debiteren. Het stadsbestuur besluit hen toe te staan voor de tijd van veertien achtereenvolgende jaren en met uitsluiting van alle anderen binnen de stad de boekweitmalerij uit te oefenen. Tevens wordt tot voordeel van de stad geaccepteerd een som van £ 200 Vlaams die door Jan Soutendam is geoffreerd.

Houtzaagmolen

De weduwe van Marinus Harinck, Geertruid Boutens, geeft in januari 1792 te kennen dat wijlen haar man in 1775 de helft van de houtzaagmolen, als toen gemeen met wijlen zijn broeder Dignus Harinck, van zijn broeder heeft gekocht. Hij heeft toen octrooi voor veertien jaar verkregen om een zaagmolen binnen de stad gaande te houden. Tot haar schrik is ze ontwaar geworden dat het octrooi al verlopen is sinds 1 april 1790. Ze verzoekt haar alsnog verlenging te verlenen.

Het stadsbestuur besluit haar dit verzuim te vergeven. Ze krijgt weer voor veertien jaar octrooi ingaande 1 april 1790 tot eind maart 1804 om alleen en met uitsluiting van alle anderen in de stad en jurisdictie het zagen van hout op haar molen uit te oefenen. Ze moet wel een belasting betalen van £ 1.15 onder de benaming ‘voor het Ravelijn daar de schorsmolen op gestaan heeft’ en verder een cijns voor het leggen van haar hout in de zoute vest van £ 2. Tot 1792 vermelden de stadsrekeningen: ‘Monseigneur Marinus Harinck gebruikt het Ravelijn daar de schorsmolen op gestaan heeft voor £ 1.15’, ‘Monseigneur Marinus Harinck voor het gebruik van de zoute veste om zijn hout in te leggen £ 2’ en ‘Marinus Harinck heeft in pacht het zogenaamde Stoofweijtje voor 14 jaar ingaande 1773 voor £ 17.10’.

Chocolademolen

In mei 1791 betoogt Jacobus van Kleijnputte dat hij ingevolge de gunstige resolutie van het stadsbestuur van 25 januari 1777 voor de tijd van vijftien jaren octrooi heeft verkregen om op zijn toen nieuw gestichte chocolademolen chocolade te maken. Op zijn verzoek krijgt hij opnieuw octrooi voor het op zijn chocolademolen, staande op het Ravelijn de Grenadier bij de Koepoort, met uitsluiting van alle anderen binnen de stad, maken van chocolade. Nochtans is het aan alle burgers en winkeliers toegestaan om van andere plaatsen chocolade te ontbieden en te verkopen.

Pel- en gortmolens

Jacobus van Kleijnputte geeft in maart 1792 te kennen dat hij zijn pel- en gortmolen alsook zijn chocoladefabriek, staande op het Ravelijn de Grenadier bij de Koepoort, graag zou verkopen aan zijn zonen Pieter en Jacobus, dit met en onder het genot van de octrooien die hij voor zijn gortmolen en chocoladefabriek heeft verkregen. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.
Pieter en Jacobus van Kleijnputte junior, de nieuwe eigenaren van de gort- en pelmolen op het Ravelijn bij de Koepoort verzoeken daarop in juni 1792 continuatie van het octrooi voor hun molen op dezelfde voet als dit aan hun vader Jacobus van Kleijnputte was verleend. Het stadsbestuur besluit hen octrooi te verlenen om alleen en met uitsluiting van alle anderen de gort- en pelmolen gaande te houden voor veertien jaar, ‘reserverend nochtans het stadsbestuur nu en te allen tijde en speciaal wanneer het project van het graven van een nieuwe haven ter executie zal gebracht worden, om uit hoofde van deze goedgunstige concessie aan de verzoekers verleend deze te verplichten zodanige jaarlijkse recognitie ten voordele van de stad op te brengen als ze in redelijkheid nodig zullen oordelen’.

Overige molens

Molenaar Jacobus de Haas pacht de windkorenmolen ‘de Vijf Gebroeders’, liggend op het noordbolwerk (‘het Bastion’), voor zestig pond Vlaams van de stad. Arnoldus de Haas pacht de waterkorenmolen aan de Kleine Kade.
Pieter van Kleijnputte exploiteert de oliemolen ‘de Hoop’ op de Kattenberg, de zogenaamde Kattemolen, staande op de kop van de Westwal. De ‘Catte’ is een verhoging achter de wal, waardoor de daarop gebouwde molen hoog boven de wal uitsteekt.
Houtzaagmolenaar Marinus Harinck pacht van de stad het noordoostelijk van de stad gelegen Ravelijn daar de schorsmolen op gestaan heeft.
Jacobus Louwaart pacht het Ravelijn (de Groene Jager), waar eertijds de oliemolen op stond.
In september 1792 krijgen de heren Metzger en Gorsse opdracht van het stadsbestuur om te taxeren wat de molens ‘de Arend’ en ‘de Lelie’, nu genaamd ‘de Arend’ en ‘de Grenadier’, in jaarlijkse huur waard zijn om daarvan de 200e penning aan het land te betalen. De oliemolen ‘de Arend’ staat op het Ravelijn halverwege de Havendijk en behoort toe aan Dignus Dominicus. ‘De Grenadier’ is de pel- en gortmolen op het Ravelijn de Grenadier.
Ook buiten de Bleikveldse Poort staat een oliemolen.

Beurtveren
Beurtveer op Bergen op Zoom

In mei 1790 deelt het stadsbestuur van Bergen op Zoom mee dat tot beurtschipper op Goes is aangesteld Daan de Fouw in de plaats van Cornelis Heibeek met het verzoek deze te erkennen als beurtschipper en een behoorlijke legplaats te vergunnen. Hiermee wordt akkoord gegaan.

De beurtschipper van Goes op Bergen op Zoom geeft in maart 1791 te kennen dat hij een smalschip met paviljoen van 13 jaar oud en een grootte van ruim 18 lasten heeft gekocht. Hij krijgt toestemming om met dit smalschip zodanige veren en beurten te bedienen als bij de van hier varende smalschepen gebruikelijk is.

Beurtveer op Gouda

In augustus 1791 vraagt Jacobus d’ Ooge, beurtschipper van Goes op Gouda, ontslag. In zijn plaats wordt aangesteld Engel Hooglander. Na het overlijden van schipper Hoogelande in juni 1792 krijgt de weduwe Hoogelande toestemming het veer op Gouda waar te laten nemen, mits ze zorgt dat de zetschipper die voor dat doel gebruikt zal worden, naar het genoegen van het stadsbestuur zal zijn. De zetschipper wordt Wouter Visser.

Beurtveer op Haarlem, Amsterdam, Zaandam en Buiten de sluis

Schipper Joost van Sint Annaland vraagt in 1785 ontslag als beurtschipper op Haarlem, Amsterdam, Zaandam en Buiten de sluis. De nieuwe beurtschipper is Jan Visser.

Beurtveer op Middelburg

De schippers varende met poonschuiten vanaf Goes dienen in juli 1785 een verzoek in. Het komt er op neer dat, vanwege de continuele vrachten die er voor de schippers in het algemeen inzonderheid naar Holland voorvallen, het beurtveer op Middelburg, dat volgens het 12e artikel van het akkoord tussen het schippersgilde van Middelburg en Goes van 1651 aan de smalschepen is gelaten, zeer dikwijls zou hebben gestagneerd als de schippers van de poonschuiten sinds enige tijd dit niet hadden willen waarnemen. Ze wijzen ook op de frustratie bij deze schippers in tijden wanneer de vrachten op Middelburg van zodanig belang zijn dat deze voorrang krijgen boven een vracht op Holland. Tevens wijzen ze op het ongerief voor de burgerij indien het veer op Middelburg niet regelmatig wordt bediend. Het stadsbestuur besluit dat voortaan de schippers van poonschuiten na die van de smalschepen bij toerbeurten het veer op Middelburg zullen bedienen.

Het schippersgilde beklaagt zich in februari 1786 over de onregelmatige en willekeurige handelwijze van de onlangs aangestelde beurtman van Middelburg, Cornelis Codde. De schippers van Goes zijn daardoor buiten staat om de beurt op Middelburg waar te nemen. Het stadsbestuur besluit de regering van Middelburg aan te schrijven dat weliswaar onlangs akkoord is gegaan met de verandering van de beurtman van Middelburg, maar het kan toch niet de bedoeling van Middelburg zijn dat ze zijn gedrag in deze goedkeuren. Middelburg wordt verzocht hun beurtman te gelasten om zich stipt te onderwerpen aan de instructies en de veroorzaakte schade aan de beurtschippers van Goes in redelijkheid te vergoeden.

Het beurtveer van Goes op Middelburg vice versa blijft voor problemen zorgen. Zo overweegt het stadsbestuur in augustus 1786 dat het veer van Goes op Middelburg, dat altijd bediend is geworden uit de brede beurt, door verscheidene omstandigheden al sinds enige jaren zeer onregelmatig wordt waargenomen. Dit kan niet anders zijn dan tot nadeel en ongerief van de burgerij en kooplieden. Het is wenselijk op dit veer weer een vaste beurtschipper aan te stellen. Het stadsbestuur besluit het veer van Goes op Middelburg ‘voor vacant en impetrabel’ te verklaren. Tot vaste beurtschipper op Middelburg wordt aangesteld Adriaan de Beste.

In februari 1790 blijkt dat Jan Le Cointre, de koopmansbode van Goes op Middelburg, van verscheidene ontvangers van ’s lands middelen en andere personen geld heeft meegenomen zonder dit op het goede adres te bezorgen. Het schijnt dat hij deze gelden voor geheel andere doelen heeft gebruikt. Door deze handelwijze heeft hij zich niet alleen op een grove wijze in zijn functie en tegen zijn eed misdragen, maar daarenboven zich alle vertrouwen onwaardig gemaakt. Het stadsbestuur besluit hem uit zijn functie van koopmansbode te ontzetten en te sommeren zich in gijzeling te begeven op de gijzelkamer van het Stadhuis. Hij moet verantwoording doen van zijn gedrag en verklaren waar hij met de penningen is gebleven.
In zijn plaats wordt tot koopmansbode op Middelburg aangesteld de beurtschipper op Middelburg, Adriaan den Beste. Hij is gehouden, als naar gewoonte, weer en wind dienende, iedere week op donderdag naar Middelburg te vertrekken en op zaterdag daarvan terug te keren.
Het stadsbestuur van Middelburg neemt genoegen met de aanstelling van Adriaan den Beste tot koopmansbode van Goes op Middelburg. Tegelijk deelt Middelburg mee dat de beurtschipper en koopmansbode van Middelburg op Goes, Cornelis Codde, ontslag is verleend en in zijn plaats is aangesteld J. Adriaanse. In mei 1792 stelt Middelburg tot beurtschipper op Goes aan Mattheus Bosman.

Overigens komt er bericht van Jan Le Cointre, de ontslagen koopmansbode van Goes op Middelburg, vanuit de stadhuistoren. Hij verzoekt ‘om redenen van zijn droevige omstandigheden zo ten aanzien van zijn wisselende gezondheid als voor het toekomende om aan een bestaan te geraken, uit zijn gijzeling te worden ontslagen’. Hij belooft zich niet buiten de stad te zullen begeven, maar zich te allen tijde in gereedheid te houden om op de eerste uitnodiging van het stadsbestuur onmiddellijk te verschijnen. Z’n verzoek wordt afgewezen. Maar na enkele weken besluit het stadsbestuur Jan Le Cointre op zijn herhaalde verzoeken uit zijn arrest te ontslaan, mits hij de nodige opening van zaken aan de heren commissarissen geeft.

Beurtveer op Rotterdam

In december 1785 overleggen de burgemeesters met de dekenen van het schippersgilde als ook met enige kooplieden over de brief van het stadsbestuur van Rotterdam van de 29e november over het beurtveer van Rotterdam op Goes. Mees Bruidegom, de beurtschipper van Rotterdam op Goes, heeft namelijk een verandering in de dagen van het afvaren van de beurtschippers van beide de steden van september tot half april voorgesteld aan het stadsbestuur van Rotterdam. Deze verandering is in alle opzichten zeer nadelig voor de winkeliers, de negotie en de passagiers. Ze sommen wel vijf nadelen op, te weten:

  • de winkeliers zullen daardoor een gelegenheid minder in de week hebben om hun verwachte waren te bekomen, behalve de kosten die daardoor veroorzaakt zullen worden wegens bergloon van goederen die zij van andere plaatsen over Rotterdam verwachten, waarvoor zij aan de commissaris in die stad bergloon moeten betalen;
  • de passagiers, die maar eens in de week gelegenheid zullen hebben om direct de reis te doen, zullen de meeste tijd hun reis over Middelburg of op een andere wijze tot hun nadeel en ongemak moeten nemen;
  • door deze verandering zou de negotie in eieren uit de stad geweerd en deze met de boerenschuiten verzonden moeten worden;
  • de tenen, waarvan de verzending tegenwoordig de tijd is, komen altijd op dinsdag in de stad en worden in de beurtman van woensdag geladen;
  • de verandering zal voor de stad zeker een groot nadeel met zich brengen. Voor de schippers zal het maar een ingebeeld voordeel wezen, omdat er zelden op vrijdag voor twee schepen vrachtgoed is, terwijl, indien er iets meer is als voor één schip, de tweede schipper zich al licht zou excuseren om met geen halve lading te vertrekken.

De dekenen van het schippersgilde verklaren bovendien dat het veer nooit zo slecht bediend is als tegenwoordig. Het stadsbestuur schrijft Rotterdam een brief over de nadelen van de voorgestelde verandering.

De overdeken van het schippersgilde deelt in maart 1787 mee dat volgens jaarlijkse gewoonte gesmakt is naar het beurtveer op Rotterdam. Dit is te beurt gevallen aan schipper Marinus Serly. Doch deze zou het liefst van het bedienen van het veer ontslagen zijn. Hij legt het stadsbestuur voor of er nu opnieuw naar het veer moet worden gesmakt of dat dit waargenomen mag worden door de persoon die na Serly de naaste daartoe was. Het stadsbestuur besluit opnieuw naar het veer te laten smakken.

Beurtveer op Utrecht

In juli 1789 erkent het stadsbestuur tot beurtschipper van Utrecht op Goes en vice versa Theunis van Hoek. Hiermee ‘wordt de sedert enige jaren vervallen correspondentie tussen de steden van de provincie Zeeland en de stad Utrecht’ weer door het stadsbestuur van Utrecht hersteld.

Beurtveer op Veere

In december 1791 krijgt Cornelis Reinhout, de beurtschipper op Veere, ontslag vanwege zijn slecht gedrag. In zijn plaats komt Jan Boogaard.

Beurtveer op Zierikzee

In mei 1787 dreigt nieuwe onrust door het geval van de beurtschipper op Zierikzee. In de afgelopen week is de tijding gekomen dat een zekere Hendrik de Mijter met schipper Zuidweg voor een reis als knecht naar Zierikzee is meegevaren en daar zonder reden is gevangen gezet op ’s Gravensteen. Deze tijding heeft zulke gisting in de gemoederen veroorzaakt, dat zonder tussenkomst van het stadsbestuur de stad gevaar loopt van nieuwe onheilen. Dit voorval wordt door vele en daaronder zeer goede burgers zeer hoog opgevat.
Het stadsbestuur verzoekt Gecommitteerde Raden van Zeeland met klem om tot voorkoming van nieuwe onheilen Zierikzee tot de orde te roepen. Wordt hieraan geen gevolg gegeven dan zal de eerste de beste burger van Zierikzee die binnen Goes komt, gevangen worden gezet. Op 26 mei wordt ‘vanwege de nog steeds bestaande gisting in de gemoederen der gemeente’ besloten bij publicatie kennis te geven van de maatregelen van het stadsbestuur, genomen om te effectueren dat De Mijter op vrije voeten wordt gesteld met ernstige aanmaning aan een ieder om daar in te berusten en zich van alle acties te onthouden. En zo er onverhoopt enige ongeregeldheden mochten plaatsvinden, dan is de burgemeester bevoegd om gebruik te maken van het garnizoen om alle geweld direct te beletten.

Coffyhuizen, herbergen en kroegen

Coffyhuizen

De weduwe Margaretha Fitsner-van der Marck geeft in februari 1788 te kennen dat ze van Leendert van de Weele het coffyhuis op de Grote Markt heeft gekocht. Ze krijgt toestemming om in dit huis coffyhuis te houden en een biljart te plaatsen.
Ook in februari 1788 vraagt Nicolaas Weyland, meester lootgieter en schaliedekker, toestemming ‘om tot gemak van de reizigers te mogen logement houden en vrij tappen en tevens ook een Bord met de inscriptie ‘Heeren Logement en Wijnhuis’ uit te hangen’.
In augustus 1790 krijgen de coffyhuishouders toestemming ‘om gedurende de aanstaande jaarmarkt aan burgers die verkiezen daar te zitten wijn te schenken, op voorwaarde echter dat in deze coffyhuizen niet zal mogen gedanst noch gespeeld worden’.

Op het verzoek van J.H. Fitsner’s weduwe, de coffiehuishoudster op de Grote Markt, besluit het stadsbestuur haar vergunning te verlenen om op de verjaardag van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prince Erfstadhouder op de 8e maart wijn te schenken.
Johan Ludwig Langhuth mag in april 1791 het coffyhuishouden uitoefenen in het coffyhuis op de Grote Markt nummer 22.
Izaac Stam, koekenbakker te Schoonhoven, deelt in augustus 1791 mee voornemens te zijn zich binnen de stad te vestigen. Hij heeft gekocht het Coffyhuis, staande aan de Turfkade nummer 13, om aldaar de affaire van koekenbakker en coffyhuishouder te doen, het eerste in een, zo hij meent, daartoe geschikte beneden kelderkeuken. Hij krijgt toestemming om in dat huis, dat hij van de erven van J.A. Weinrich heeft gekocht en waarin tot nu toe die nering is gedaan, koffiehuis te houden. Tevens mag hij, na inspectie door de generale brandmeesters en de stadsdirecteuren, een voor de affaire van koekenbakker benodigde oven laten aanbrengen.

Herbergen en logementen

Pieter Molhoek uit Capelle koopt in 1785 het huis ‘de Meermin’ op de Grote Kade en mag daarin herberg houden. Hier is in vorige tijd de tappersnering lange jaren gedaan. Hij wil van ’de Meermin’ nu een herberg maken.
Gerard Breker krijgt in maart 1788 vergunning om in het huis ‘de Grote Zoutkeet’ aan de Grote Markt nummer 1, dat hij van Pieter Proos heeft gekocht, herberg en logement te houden. Wel moet hij alle vreemdelingen en reizigers behoorlijk gerieven en bedienen.
Nicolaas Weijland mag in februari 1788 ‘tot gemak der reijzigers’ logement houden, vrij tappen en een uithangbord voor zijn huis plaatsen. Het stadsbestuur besluit hem tot wederopzegging te vergunnen ‘om fatsoenlijke luiden buiten deze stad woonagtig te spijzigen en te logeeren alsmede om aan dezelve wijn te schenken, dit met speciaal verbod om op geen andere wijze gelagen te zetten of wijn te tappen’.

In 1789 krijgt Cornelis Codde vergunning om in het huis ‘de Prins’ aan de Nieuwstraat herberg te houden. Hetzelfde mag Jacobus Wilsen in 1789 in de herberg ‘de Soutensthuijn’. Nicolaas Weiland wordt in 1791 toegelaten als logementhouder en herbergier in het door hem thans bewoonde huis op voorwaarde dat hij voor het huis een bord of uiterlijk teken hangt. Mocht dit huis echter naar een andere eigenaar of bewoner overgaan, dan zal dit weer als een particulier huis worden beschouwd.
Johannis Rottier krijgt in 1791 vergunning om de herbergiernering uit te oefenen in de herberg op het einde van de haven in ‘de Westerschans’.
En in 1792 wordt het schippersgilde permissie verleend tot het verkopen van het woonhuis op de Grote Kade, genaamd ‘het Schippershuis’, met het voorrecht voor de koper om daarin herberg te houden. Marinus Modderkreeke wordt in 1792 herbergier. Ook in 1792 mag Hubregt Mol in het door hem gekochte woonhuis, staande tussen de twee waterpoorten, genaamd ‘de Frisse Roemer’, herberg houden.

In juli 1786 besluit het stadsbestuur de logementhouders bij de burgemeester te ontbieden en hen op het ernstigste voor te houden dat zij zullen hebben zorg te dragen dat er geen redenen van klachten meer zijn over hun handelwijs omtrent vreemdelingen van deze niet te willen logeren.

Kroegen

In deze jaren zijn er de volgende wisselingen in de kroegen.
In 1785 gaat Cornelis van den Ende uit Biezelinge de kroeghoudernering doen in ‘de Meyboom’ op de hoek van de Voorstad. In 1786 mag Lieven van Loo de tappernering uitoefenen in het zogenaamde ‘Appelhuis’ aan de oostzijde van de Grote Kade, zoals dat ook aan zijn voorganger Robertus Vermeer was toegestaan. Jan Pals mag dit doen in ‘de Walendans’ op het einde van de Nieuwstraat. Frans de Wijn in ‘Bomsté’ of ‘Bommestee’ in de Voorstad.

Maria de Gans weduwe van Jan van der Kam krijgt in 1787 vergunning om in het huis ‘de Laatste Stuiver’ kroeg te houden.
Hendrikus de Mijter mag in 1787 aan de westzijde van de Vlasmarkt de tabaknegotie uitoefenen en kroeg houden. In 1788 krijgen vergunning om kroeg te houden Joos Dankaart in het huis ‘de Laatste Stuiver’ in de Voorstad, Johannes Rottier in ‘de Bonte Koe’ aan de noordzijde van de Beestenmarkt en Johannes Paulusse in zijn woonhuis ‘de Koninck van Pruisen’ in de Sint Adriaanstraat.

Harman Dame van Veen, passagemeester en kroeghouder in het huis ‘’s Lands Welvaaren’ tussen de twee waterpoorten, krijgt in 1789 vergunning ‘om aan kooplieden en verkopers van kalveren die zich te zijnen huize bevinden, evenals dit voor kooplieden in Vriese turf en appels in de kroegen ‘de Zalm’ en ‘het Appelhuis’ is toegestaan, wijn te schenken’.
Jan Zandijk mag niet alleen paarden en rijtuigen verhuren, maar tevens kroeg houden in het huis ‘de Stad Veere’, gelegen tussen de twee waterpoorten. Cornelis Maartense mag dit in het huis ‘de drie Morianen’, staande tegen de Ganzepoort.
In 1790 krijgen Bastiaan Engelman vergunning om de kroeghoudernering te doen in het huis ‘Schuddebeurs’, staande aan de oostzijde van de Kade. Daar is al vele jaren kroeg gehouden. Guiljam Chavillier mag dit in het huis ‘de Walendans’ in de Nieuwstraat.

Huibregt de Mol geeft in september 1790 te kennen dat hij in ondertrouw is met Neeltje Klap, kroeghoudster in het huis ‘Koning William’. Na het voltrekken van zijn huwelijk is hij voornemens deze nering in dit huis te blijven uitoefenen. Hij verzoekt vergunning ‘voor het schenken van wijn aan enige kooplieden en verkopers van appelen, waarin veel negotie ten zelve huize wordt gedaan, evenals aan de kooplieden in Friese turf in de kroeg genaamd ‘de Zalm’, kooplieden in appelen in ‘het Appelhuis’ en kooplieden in kalvers in de kroeg ‘’s Lands Welvaaren’.

In 1791 mogen kroeg houden Joris Hoogewerve in de ‘de Blauwe Steen’ aan de Blauwe Steen, Adriaan Hollestelle in het huis ‘den Gouden Appel’ aan de zuidzijde van de Zusterstraat, Karel Bruschetto in het door hem gekochte huis ‘de Koning van Pruisen’ in de Sint Adriaanstraat, Pieter Wijk in ‘de Bontekoe’ op de Beestenmarkt, Cornelis Reinhout in het door hem gekochte woonhuis en erve ‘de Stad Veere’.
Pieter van Waarde krijgt in 1791 vergunning om tot gerief van de landlieden en passanten sterke drank en bier te schenken in zijn huis buiten de Oostpoort, zonder dat hij echter zal vermogen, gelijk als de kroeghoudernering meebrengt, gelagen te zetten.
In 1792 krijgen Jacob van Hoeke vergunning om de kroeghoudernering te doen in het huis op het einde van de Voorstad ‘de Laatste Stuiver’ en Quirijn Quist in het door hem bewoonde huis aan de oostzijde van de Kaaij en genaamd ‘het Appelhuis’.

Speciale kroegen

Sommige kroegen hebben een aparte positie. Ze fungeren tegelijk als ontmoetingsplaats voor handelaars in een bepaalde negotie.
Zo blijkt in 1786 dat de kroeg ‘het Appelhuis’ aan de appelnegotie ‘aan dat huis bijzonder eigen is’. Al lang is de bewoners de vrijheid vergund wijn te schenken aan degenen die daar over de appelnegotie onderhandelen en dit begeren. In 1792 koopt Quirijn Janse Quist ‘het Appelhuis’ van Lieven van Loo met het voornemen om de tappersnering als kroegier bij de hand te nemen alsook om aan de koopluiden in appelen wijn te schenken in de maanden september, oktober en november. Dit is door het stadsbestuur ook verleend aan Robertus Vermeer bij resolutie van 28 oktober 1768 en aan Lieven van Loo bij resolutie van 18 februari 1786.

Adriaan Bosdijk van de kroeg ‘de Salm’, staande naast het Appelhuis, betoogt in 1786 ‘dat van onheugelijke tijden af de kroeg, waarin hij woont, de verzamelplaats is geweest van de Vriese turfschippers, teneinde aldaar met degenen die gading hebben in de turf, die dezelve schippers alhier aanbrengen, tot het verkopen en kopen van dezelve te onderhandelen’.
Niet alleen de handelaars in Vriese turf maar ook in bomen hebben in deze kroeg hun ontmoetingsplaats. Bosdijk schrijft ‘dat, vermits de turfschippers ontladen zijnde, al veeltijds een vracht met bomen (waarin alhier een vrij sterke negotie plaats heeft) op hun terugreis mee nemen. De onderhandelingen tussen de houtkopers en voorzeide schippers over de vrachtlonen, ja ook niet zelden een houtcoopmanschap, schijnen hunne zetel ten zijnen huize mede gevestigd te hebben. Uit die onderhandelingen gebeurt het niet zelden dat de onderhandelaars zich geerne van een fles wijn zouden bedienen waarvan hij hun niet mag bedienen als alleen kroeghouder zijnde’.

Ook de kroeg ‘’s Lands Welvaaren’, gelegen tussen de twee waterpoorten, dient als trefpunt voor de handelaren in kalveren. Zo blijkt in 1789 als de kroeghouder Harmen Dame van Veen betoogt ‘dat er ten huize van hem veel negotie geschiedende in kalveren, dewelke van deze stad zo naar Veere als anderszins verzonden worden, waardoor van tijd tot tijd enige koopluiden, in- en verkopers van kalvers ten huize van hem bijeen komen, die, het getij des voordemiddags vallende, alsdan enige morgendrank nuttigen, doch het getij des nademiddags zijnde, gaarne met een fles wijn zouden worden geriefd evenals aan de kooplieden in Vriese turf in de kroeg de Zalm en in appels in ’t Appelhuis’. Hij zou graag deze koopluiden en passagiers van tijd tot tijd ‘met een fles wijn gerieven’.

Iets van die aard vindt ook plaats in de kroeg ‘het Paardestal’ aan de Voorstad. In 1790 deelt Aalbregt Janse de Jonge het stadsbestuur mee dat hij van wijlen Christiaan Pover’s weduwe heeft gekocht een woonhuis c.a. in de Voorstad. Hij heeft het voornemen, zoals hij al begonnen heeft te doen, om daar de landluiden met het stallen van paarden te gerieven. Daarbij wil hij ook gaarne tot meerder gerief van de landluiden, die in de winter veeltijds koud en nat arriveren, de kroeghoudernering doen, die aldaar in vroeger tijd is gehouden.

Slijterijen

In 1786 mag Lieven van Loo de tappernering uitoefenen in het zogenaamde ‘Appelhuis’ aan de oostzijde van de Grote Kade, zoals dat ook aan zijn voorganger Robertus Vermeer was toegestaan. Jan Pals mag dit doen in ‘de Walendans’ op het einde van de Nieuwstraat. Frans de Wijn in ‘Bomsté’ of ‘Bommestee’ in de Voorstad.
In 1787 krijgt Johannis Pouwelse vergunning voor het verkopen van sterke dranken en bieren bij de kleine maat. Pieter Proos wordt in 1788 vergund om in het huis in het Papegaaystraatje, dat hij gekocht heeft van Frans Duinkerke, brandewijn en andere sterke dranken bij de kleine maat te verkopen.
In 1792 krijgt Frans Duinkerke vergunning om in het door hem gekochte huis in de Lange Vorststraat allerhande soort van gedestilleerde wateren te verkopen bij de kleine maat als slijter. Ook in 1792 mag dit Bartholomeus Reinierse in zijn huis aan de Nieuwstraat allerhande soorten van gedestilleerde wateren en sterke dranken verkopen bij de kleine maat als slijter.

Bakkerijen

Pieter Goeree verzoekt in 1789 hem een voor de peperkoekbakkerij benodigde oven toe te staan. Het bakkersgilde wil hem kennelijk enkel een koekenbakkersoven toestaan. In een zeer uitvoerige brief lichten de dekenen van het bakkersgilde hun standpunt toe. Dit leidt er toe dat hij uitsluitend de koekenbakkernering mag uitoefenen. Hij mag in het huis, waarin hij thans woont, een voor de koekenbakkerij benodigde oven stichten.
Ook Bart van Hessel geeft in 1790 te kennen dat hij enige tijd geleden zijn proeve in het bakkersgilde heeft afgelegd en tot broodbakker in het gilde is toegelaten. Hij heeft nu van zijn moeder, de weduwe van Pieter van Hessel, de broodbakkerij in de Voorstad gekocht met het voornemen daarin de broodbakkernering uit te oefenen.
Boudewijn van Sprang betoogt in 1792 dat hij in 1758 bij nu wijlen Francois Zandijk, destijds peperkoekbakkersbaas, als leerling in dit ambacht gekomen zijnde, aan Zandijk heeft ter hand gesteld de benodigde penningen om hem als zodanig in het bakkersgildenboek te laten aantekenen. Hij vertrouwde er op dat zijn meester daaraan had voldaan. Hij heeft de peperkoekbakkerij in dat vertrouwen tot nu toe uitgeoefend. Maar onlangs heeft hij van Adriaan Visser gekocht een peperkoekbakkerij in het pand ‘’t Witte Hart’ aan de Ganzepoortstraat nummer 9 met het voornemen die nering als vrijbaas bij de hand te nemen. Hij heeft nu van de dekenen van het bakkersgilde met verwondering en leedwezen vernomen dat hij niet als leerling in het gildeboek is aangetekend en ze hem derhalve niet tot de proef kunnen toelaten. Intussen heeft hij de peperkoekbakkerij gekocht en de penningen geleend. Bovendien heeft hij nu 34 jaar bij vrije peperkoekbakkersbazen het ambacht gedaan.
Door dit abuis is hij nu zeer gedupeerd. Het stadsbestuur besluit hem tot de peperkoekbakkersproeve toe te laten.
De overleden bakker Cornelis Fitzner laat in 1792 een woonhuis met koekbakkerij na. De weduwe Fitzner krijgt toestemming om deze panden te verkopen.

Burgemeester Van Dorth geeft in maart 1790 in z’n kwaliteit van ‘pasmeester van den broode’ te kennen ‘dat enige bakkers zich niet ontzien om op een zeer onaangename wijze tegen te werken het Plakkaat van de Staten van Zeeland van 29 oktober 1789 tot vermijding van het gebrek aan graan, door op een andere wijze granen te kopen dan uit hetgeen de landlieden gehouden zijn aan de stad te leveren’. Het stadsbestuur besluit alle bakkers, zonder onderscheid, door een stadsbode te laten aanzeggen om voorlopig geen brood te verbakken dan van granen gekocht uit stadsmagazijn. Indien ze daaraan niet gehoorzamen, zullen ze hun winkels gedurende zes weken moeten sluiten.

Hoedenmakers

Hoedenmaker Pieter Machielse krijgt in januari 1785 vergunning om in het huis ‘de Gulden Valcke’ in de Ganzepoortstraat nummer 4, dat hij van juffrouw Johanna Jacoba Keetlaar heeft gekocht, voor zijn hoedenfabriek twee fornuizen in het achterkeukentje op te stellen.
Ook Johannis Heijnen mag in juli 1785 in zijn woonhuis aan de Zusterstraat nummer 3 een oventje of zogenaamd boetbekken laten zetten, geschikt om voor zijn werk als hoedenmaker te gebruiken. Hij betoogt dat hij als hoedenmakerknecht werkzaam is geweest bij zijn vader, Michiel Heijnen, hoedenfabriqueur alhier. In augustus 1791 krijgt hoedenmaker Johannes Heijnen vergunning om in het door hem gekochte woonhuis ‘de Dry Cramers’ aan de Ganzepoortstraat nummer 19 de nodige fornuizen te laten maken die hij nodig heeft voor zijn op te richten hoedenmakerij.

In september 1790 krijgen de onderscheidene hoedenfabrikanten binnen de stad vrijdom van de stedelijke impost voor de volgende speciën: tien schalen Schotse kolen, zes hoeden smeekolen, een last turf en zoveel vaten bier als ieder van hun hoeden smeekolen voor zijn fabriek nodig heeft, mits dat deze speciën binnen de huizen of werkhuizen van de hoedenfabrikanten zullen worden geconsumeerd.

Kaarsenmakers

Hendrikus Johannis van ’t Hoff geeft in 1785 te kennen dat hij voor zijn kaarsenmakerij een fornuis nodig heeft. Ook Pieter Goeree deelt in 1786 mee dat hij koper is geworden van het huis ‘de Hulck’ aan de Klokstraat nummer 9. Hij krijgt toestemming hierin een vetsmelterij voor het maken van kaarsen te vestigen.

Mailleniersnering

De glazenmaker Willem Musse geeft in september 1787 te kennen dat hij, in navolging van wat in andere steden geschiedt, graag binnen Goes een maillenierswinkel zou oprichten. Dit tot meerder gerief van een ieder en om zoveel mogelijk te voorkomen het ontbieden door timmermans- en andere bazen binnen de stad en het eiland van gemaakt ijzerwerk van buiten, wat thans door velen geschiedt. Dit zou tot merkelijke vermeerdering van de nering of negotie binnen de stad voorkomen kunnen worden indien er in de stad iemand was, die de maillenierswaren met grote kwantiteit uit de eerste hand kocht en daardoor in staat is om die waren voor mindere prijs te verkopen dan waarvoor deze tegenwoordig binnen de stad te bekomen zijn. Hij heeft al van diverse ambachtslieden de toezegging, dat zij dan geen maillenierswaren van buiten de stad meer zullen ontbieden.

De overdeken en de dekenen van het smedengilde en ook van het timmerluidengilde hebben het verzoek van Musse beoordeeld en geven hierover hun advies. Ze hebben daarbij tevens beoordeeld het ingekomen rekwest van de gezamenlijke slootmakers binnen de stad, Johannes Verwest, Gerard Steijns, de weduwe Dignus van de Hoeven en Nathanaël Visser. Ze kunnen geen enkel voorbeeld geven dat hier ook maillenierswinkels zijn toegelaten als alleen aan de slootmakers of slotsmeden tot wier ambacht die waren behoren. Ze wijzen er op dat dan ook de hoefsmeden, koperslagers en lootgieters niet kunnen worden betwist om eveneens maillenierswaren te verkopen en de slootsmeden om goud- en zilversmid-, koperslager-, lootgieter- en glazenmakerwerk te verkopen indien ze daar lust toe zouden krijgen. De ambachten zullen elkaar daardoor in de grond boren. Ze wijzen er op dat, als het verkopen van maillenierswaren niet gehecht blijft aan het slotenmakerambacht, geen slotenmaker hier bestaan kan en vooral niet in slappe tijden als er weinig getimmerd en gemetseld wordt, alzo het maak- en bestelwerk bij de slotensmeden dan veel te gering is om aan een klein huisgezin een bestaan te verschaffen. Het stadsbestuur besluit het verzoek van Musse af te wijzen.

Markten

Grote of Korenmarkt

Het stadsbestuur stelt in mei 1789 een Ordonnantie op de marktmeesters van de Grote of Korenmarkt vast. Enkele artikelen luiden:

 

  • De marktmeesters zullen gehouden zijn alle kramen, tenten, tafels, etc. te plaatsen op de Grote Markt, uitgezonderd die gene welke gewoon zijn op de kaai te staan.
  • Alle kramers, burgers van de stad zijnde, zullen moeten betalen voor marktgeld 8 groten Vlaams en vreemdelingen 10 groten Vlaams per voet, waartoe de meting zal moeten geschieden door een van de marktmeesters naar de lengte van de onderste voorleggers van de kramen.
  • Het zal echter de marktmeesters vrij staan om over alle spullen en kramen, die op de beurs zullen geplaatst worden, te mogen accorderen.
  • Van alle tafels of tenten, tien à twaalf voeten breed, zal voor marktgeld moeten worden betaald £ -.4.5 Vlaams en boven de 12 tot 16 of 18 voeten £ -.6.7 Vlaams en verder.
  • Alle leurders of leurderknechts zullen aan de marktmeesters moeten betalen ieder £ -.1.1; die van ieder tafeltje, draaibord etc. mede £ -.1.1. zullen genieten.
  • Alle doctors, doctoressen of zogenaamde kwakzalvers, die hun medicijnen openbaar op tafels, stellages of iets anders zullen veilen, zullen aan de marktmeesters moeten betalen ieder £ -.17.8 Vlaams doch die alleen aan de huizen praktijk doen £ -.8.10 ieder.

Vismarkt

Enige winkeldoende burgers die zich generen met de verkoop van gezouten vis en gerookte haring dienen in juni 1786 een verzoek in. Ze wijzen er o.a. op dat, niettegenstaande de orders van het stadsbestuur, niet alleen op dinsdag maar bijna dagelijks langs de straten van de stad met gezouten vis en gedroogde haring wordt geleurd, waarbij het door sommige inwoners niet wordt nagelaten dit zelfs door het gehele eiland te doen. Ook wordt dikwijls aan het visperk door vreemden ten afslag gebracht gezouten vis, kibbels en haring. Dit alles is tot groot nadeel en verloop van de nering, omdat daardoor en door het inbrengen in de haventjes op het platteland en door het gehele eiland uitleuren van gezouten vis, weinig zoute vis of haring door hun in hun winkels vooral aan de landlieden wordt verkocht omdat zij hun vis en haring zo goedkoop niet kunnen leveren dan de opgezetenen op het platteland deze aan hun huizen van de leurders kunnen kopen.

Naar aanleiding daarvan besluit het stadsbestuur om bij vernieuwing van de resolutie van 15 juni 1682 te verbieden ‘dat niemand op dinsdagen door de straten of voorstraten van de stad zal hebben te leuren, maar hetzelve alleen te doen op de vismarkt of aan hun huizen’. Tevens wordt besloten dat niemand met enige van deze vis op het platteland zal mogen leuren om deze daar te verkopen. Ook zal niemand aan het visperk ter afslag mogen brengen enige gezouten vis, pekelharing, droge haring of sprot en zal de droge haring door vreemden niet anders dan bij omlaag aan de winkeliers mogen worden verkocht.
De bedienden van de extra-ordinaire compagnie krijgen strenge opdracht om het leuren op het plattenland met zoute vis of haring door vreemde personen conform de plakkaten van het land nauwkeurig tegen te gaan en te beletten.

Op verzoek van de dekenen van het Sint Jansgilde en het Nassaugilde, uit naam van de gezamenlijke gildebroeders, besluit het stadsbestuur in augustus 1787 bij alteratie en ampliatie van de Ordonnantie op het visperk van de 8e november 1766, toe te staan ‘om op het visperk af te slaan zoute vis, kibbels, kuit, smout, droge haring en allerhande soort van gezouten of gedroogde vis, ook bij kleine partijtjes, teneinde deze voor een civiele prijs voor de goede burgerij te bekomen zijn’. De kibbels, kuit en smout worden vrijgesteld van wat door de winkeliers deswegens aan de afslager van de vis gewoonlijk wordt betaald. De resolutie van 18 oktober 1749, op grond waarvan geen droge haring door vreemden
mag worden ingebracht, wordt in zover ingetrokken.

Jaarmarkt

De presiderende burgemeester wordt jaarlijks toevertrouwd om naar goedvinden vertoningen op de aanstaande jaarmarkt al of niet toe te laten. De schippers van en op deze stad varende wordt aangezegd ‘om geen bedelaars tegen die tijd met zich herwaarts te voeren en de bedienden van de justitie te gelasten om deze dadelijk uit de stad te geleiden’. Ook zullen ‘generhande loterijkramen, hoegenaamd, of draaiborden op de jaarmarkt toegelaten worden’. Wel krijgen de koffiehuishouders toestemming om gedurende de aanstaande jaarmarkt ‘wijn uit te steken’ of uit te schenken.
Met het oog op de dreigende toestand in het land besluit het stadsbestuur in juli 1787 ‘uit hoofde van de omstandigheden der publieke zaken’ in navolging van andere steden de gewone jaarmarkt binnen de stad voor dit jaar op te schorten en dit in enige couranten via een advertentie bekend te maken.
‘s Heeren dienaars, Michaël Schogh en Jan Benjaminse, krijgen in augustus 1790 op hun verzoek toestemming om voortaan van iedere kraam voor het bewaken af te vorderen in plaats van een achtste rijksdaalder, een kwart rijksdaalder. Ze moeten dan wel zorg dragen dat tegen hen geen klachten binnen komen.
In 1791 wordt de jaarmarkt acht dagen vervroegd omdat deze op dezelfde tijd staat gehouden te worden als de Rotterdamse jaarmarkt.

Steenhouwerijen

Op voorstel van de overdeken en dekenen van het gecombineerde timmerluiden- en metselaarsgilde, waaronder ook de steenhouwers ressorteren, besluit het stadsbestuur in september 1789 dat geen bewerkte steen binnen de stad zal mogen worden ingebracht voor rekening van iemand, maar alleen onbewerkte steen, zoals dit bij resolutie van 13 juni 1778 al aan de metselaars werd verboden. Hiervan is uitgenomen binnenwerk zoals stenen schoorstenen of soortgelijke, die binnen de stad niet te bekomen zijn en waarvan de bewerking niet behoorlijk geschieden kan, welk steenwerk als vanouds door een ieder kan worden ontboden en ingebracht.

Stijfselmakerij

In deze jaren is er een stijfselfabriek van Josephus Pinaer in de stad. Hij krijgt in mei 1791 vergunning om een gedeelte van stadsgrond bij de Koepoort in te nemen tot gebruik voor zijn stijfselfabriek. Op zijn verzoek krijgt Pinaer in 1791 vrijdom van stadsimpost van vier stuivers per zak van zodanige granen die in zijn stijfselfabriek gebruikt worden.

In juni 1792 krijgt ook Jean Francois Macon vergunning om binnen de stad een stijfselfabriek op te richten. Hij ontvangt vrijdom van stadsimpost van de vier stuivers per zak van de granen, die in zijn stijfselfabriek gebruikt worden voor een zodanige termijn als hem door Gecommitteerde Raden zal worden geaccordeerd.

Er zijn dan vier stijfselfabriekjes in de stad.
De vier ondernemers, Josephus Pinar, Francois Macon, Adrianus Spijk en Antony Boilleij, geven in september 1792 te kennen dat door Pinar en Macon, ingevolge de concessie van het stadsbestuur, ieder een stijfselfabriek is opgericht. Macon wil zijn stijfselmakerij graag in compagnieschap met die van Spijk en Boilleij voortzetten. Ze verzoeken of het stadsbestuur een octrooi voor deze twee fabrieken wil verlenen voor een zodanige termijn van jaren als ze zullen goedvinden. Het stadsbestuur besluit octrooi te verlenen aan Pinar afzonderlijk en aan Macon, Spijk en Boilley gezamenlijk om binnen de stad, met uitsluiting van alle anderen, ieder zijn fabriek voor te zetten voor de tijd van 14 jaren.
Tevens wordt besloten aan de twee opgerichte stijfselfabrieken dezelfde vrijdommen op de voor die fabrieken benodigde speciën te vergunnen als deze over het lopende seizoen genoten hebben.

Tabaknering

Opmerkelijk is dat deze jaren veel tabakfabriekjes worden opgericht. Niet minder dan dertien kleine ondernemers leggen zich toe op de tabakdrogerij en -kerverij.
Zo krijgt Anthonie Molhoek in 1785 vergunning om in zijn huis ‘de Reijger’ aan de Lange Kerkstraat nummer 9 een fornuis voor het bereiden van zijn tabak op te stellen. Ook Frederik Zuidweg mag in 1787 op de aangewezen plaats in zijn pakhuis in het Ossenhoofdstraatje een fornuis of droogast voor het snijden van tabak plaatsen. In oktober 1787 wordt Marinus Bouterse toegelaten om zich in de stad te vestigen als ‘Fabriqueur van Carotten en Snuyftabak’ in het door hem van Johannes Pieterse gekochte huis met snuifmolen ‘de Wolsack’ aan de Lange Vorststraat nummer 53/55. Hij mag voor zijn snuifnegotie snuif maken.
Pieter Zitters krijgt in 1788 vergunning om in zijn huis aan de Ganzepoortstraat een droogast te plaatsen voor het drogen van tabak. Ook Jacobus Bouterse krijgt in 1788 vergunning om in zijn huis ‘de Zonne’ aan de Papegaaystraat nummer 6 een droogas voor de tabakfabricage te plaatsen. Maar ook Jacob Johannis Pieterse mag in 1790 op een door de stadsfabriek aan te wijzen plaats een vuurmachine zetten voor het drogen van tabak. En Cornelis van de Velde krijgt in 1791 vergunning om in zijn woonhuis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat nummer 22/24 een vuuras te stellen voor het drogen van tabak, evenals Nicolaas Vervenne. Deze krijgt in 1791 vergunning om in zijn van Marinus van Baalen gekochte huis ‘de Samson’ aan de oostzijde van de Grote Kade nummer 40zuid een droogas te plaatsen voor de tabak- en snuifnegotie. In 1792 is dit het geval met Jan van Wesel. Hij mag in zijn huis aan de westzijde van de Nieuwstraat nummer 6/8 een droogas plaatsen geschikt voor de tabaknegotie.
In 1792 krijgt Lieven van Loo vergunning om in het pakhuis achter zijn huis ‘’t Haeswindeke’ aan de Sint Jacobstraat nummer 10, uitkomende op de stadswal, te plaatsen een droogas voor de tabaknegotie. Tevens mag hij in dit huis allerlei soorten van sterke dranken verkopen als slijter. Ook George Rosee krijgt in 1792 vergunning om in zijn huis op de Beestenmarkt een droogas voor de tabaknegotie te plaatsen. Dit mag ook Abraham Groenendijk in 1792 in zijn huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, als ook Antonie Soutewelle. Hij krijgt in 1792 vergunning om voor het drogen en bereiden van tabak in zijn woonhuis een droogas te stellen.
Hij heeft dit huis gekocht uit de boedel van wijlen Jonkvrouw Maria Coomans van Wemeldinge.

Touwslagerijen

De touwslager Bastiaan Engelman deelt het stadsbestuur in 1789 mee genegen te zijn een touwslagerij op te richten indien hem daarvoor een geschikte plaats wordt vergund. Hij verzoekt hiervoor toe te staan de plaats aan de westzijde van de stad op de dijk of stadswal achter de schutterij de Edele Busse ‘om aldaar een Loge met een fournuis te mogen stichten tot de voorzeide touwfabriek benodigd’.
Het stadsbestuur besluit Engelman toe te staan om, voor het oprichten van een touwslagerij, de plaats aan de westzijde van de stad op de stadswal achter de schutterij van de Busse, te gebruiken en aldaar onder het opzicht van de stadsfabriek een loge met daarin een fornuis te stichten. De stadsdirecteuren krijgen opdracht om deze plaats zoveel te laten verbreden, te applaneren en met schelpen te voorzien dat de wandeling en passage onbelemmerd kan blijven.

Ook in 1789 deelt Arij de Bruijn mee dat hij van de vader van zijn eerste vrouw, Pieter van Strien, de touw- en lijndraaiersaffaire heeft overgenomen. Hij vertrouwt er op dat hem voor het verrichten van zijn affaire een gedeelte van de stadswallen, genaamd de Lijndraaiersdijk, wordt toegestaan. Het stadsbestuur verleent hem toestemming om het gedeelte van de stadswallen, genaamd de Lijndraaiersdijk, op dezelfde voet als dit Van Strien was vergund, voor zijn affaire te gebruiken.

In november 1790 betogen Bastiaan Engelman en Arij de Bruijn, ingezetenen van de stad, dat hun door een favorabele concessie van het stadsbestuur vergund is op een gedeelte van de stadswallen het touwslaan te mogen uitoefenen. Ze zullen zich nog meer verplicht vinden ‘indien zij boven het aan hun nu verleende faveur nog mochten worden in staat gesteld om tot een volkomen gerief van alle de ingezetenen, ja tot een volkomen gerief van de opgezetenen in dit ganse eiland de stijl naar vereiste te kunnen uitbreiden. Dit kan niet wel geschieden zo lang het de Brabanders en anderen vrij staat touwwerk in de stad te koop te brengen of aan de ingezetenen te verzorgen, alzo zij iets boven de prijs waarvoor de Brabanders hun touwwerken verkopen, dienen te hebben, zullen zij hun voorzeide trafiek tot enig voordeel kunnen gaande houden (wegens het duurder materiaal en de hogere daggelden alhier boven in Brabant)’. Als hun verzoek wordt toegestaan, willen ze zich wel laten brengen onder de verplichting om hun touwwerk alhier niet hoger te verkopen als volgens de prijscourant daarvan in de andere steden van Zeeland van tijd tot tijd plaats hebbende. Ze zijn bereid in het schoenmakersgilde of enig ander gilde opgenomen te worden, mits dan echter de bevoegdheid om geslagen touwwerk en geslagen garens te verkopen daardoor niet overgaat naar de andere gildenbroeders, zo min als het verkopen van de producten tot de actuele stijl van zodanige andere gildenbroeders behorende, aan hen zou vrij staan.
Ze verzoeken hen octrooi te verlenen om met uitsluiting van alle anderen binnen de stad en jurisdictie geslagen nieuw touwwerk van wat natuur ook te mogen verkopen met verlening van vrijheid om, nadat een daartoe betrekkelijk verbod door het stadsbestuur zal zijn gedaan, affigeren en annonceren alle nieuw geslagen touwwerk wat van buiten hier wordt ingekocht als verbeurt te mogen aanslaan, mits zij de waarde van dien voldoen en mits dat hier van zullen uitgezonderd zijn de schippers die zij in de noodzakelijkheid hebben bevonden om hun reis zich van het een of ander nieuw touwwerk te voorzien.

Oude kleerkopersnering en lorrenhandel

In deze jaren gaan verscheidene burgers zich bezig houden met de oude kleerkopersnering of de oud ijzer- en voddenhandel.
In 1786 krijgt Jan Francis Mol vergunning tot het houden van een oude kleerkoperswinkel en voor het kopen en verkopen van oude vodden, oud ijzer, oud koper en oud lood. In 1787 krijgt ook Jacobus Schout toestemming om de oude kleerkopersnering te doen. Ook Jacobus Vermaas mag in 1788 de oude kleerkopersnering binnen de stad uitoefenen. En in 1789 is het Jacobus Dom, die vergunning krijgt om de negotie in oud ijzer, koper, lood en tin te mogen uitoefenen, dit op voorwaarde dat hij zijn gekochte waren tenminste acht dagen op een slagvenster aan de straat ten toon zal moeten stellen. In 1790 krijgt Antoni de Keijser vergunning om binnen de stad de oude kleerkopersnering te doen, mits zich regulerende naar de resoluties ten opzichte van het veilen en verkopen van goederen. Hetzelfde mag Dingenis Vermaas doen binnen de stad. Machiel Taine krijgt in 1790 vergunning om oud ijzer, koper, lood, tin en vodden en wat daar verder toe behoort te verkopen en in te kopen.

In oktober 1790 komen er klachten binnen over bepaalde misbruiken waarvan de oude kleerkopers zich veroorloven te bedienen. Ze ontbieden en verkopen nieuw werk, inzonderheid kabinet- of schrijnwerkerswerk, ten enemaal aanlopende tegen het oogmerk van hun vergunning. Het stadsbestuur besluit het derde artikel van de Ordonnantie omtrent het verkopen van oud ijzer van 3 januari 1767 te wijzigen ten aanzien van de oude kleerkopers tot het invoeren van alle nieuw werk.

Smederijen

De smidsbaas Gerard Steijns verzoekt in augustus 1785 toestemming om voor het huis en de slotenmakersmidse van wijlen Jan Mus aan de ‘s -Heer Hendrikskinderenstraat, dat hij gehuurd heeft voor het hoefsmeden, een of twee travailles te mogen plaatsen. Hij wil hier het ambacht van hoefsmid, waarvoor hij al sinds enige jaren als vrijmeester is toegelaten, gaan uitoefenen.

De drie andere hoefsmeden, Abraham Meytak, Jacob Filius en Pieter Fabrij, beklagen zich bij het stadsbestuur. Ze hebben vernomen dat Steijns ‘daar niet alleen het slootsmeden en de mailleniersaffaire, zoals deze daar sedert onheugelijke tijden hebben plaats gevonden, wil exerceren, maar daarenboven in dezelve ook een hoefsmederij wil maken’. Ze betogen ‘dat er slechts een zeer bezwaarlijk bestaan binnen deze stad voor drie hoefsmeden te bekomen is. Voorheen zijn er in Goes altijd slechts twee hoefsmeden geweest, terwijl er toen geen hoefsmid was te Wissekerke’. Ze verzoeken Steijns te beletten de hoefsmederij uit te oefenen in een hoefsmidse. Het stadsbestuur wijst het verzoek van Steijns af.

In januari 1787 krijgt Nathanaël Visser vergunning om in het huis aan de Lange Vorststraat nummer 45 een oven of smidse op te richten.
De koperslagerbaas Leendert van de Weele krijgt in maart 1788 vergunning om in zijn huis ‘Sint Sebastiaen’ aan de Opril Grote Markt nummer 9 een smidse in te richten voor het uitoefenen van zijn beroep als koperslager.
De koper- en blikslager Johan Fraser heeft in mei 1789 het huis en erve van Matthijs van Cromvliet in de Klokstraat nummer 11 gekocht. Hij heeft voor zijn affaire nodig een smidse om vuur te hebben tot het maken van allerlei koper- en blikgoed. Hiervoor krijgt hij toestemming.

In maart 1789 stelt het stadsbestuur een ordonnantie vast voor het gecombineerde smedengilde. Dit wordt met de druk gemeen gemaakt en in het ordonnantieboek ingeschreven.

Verhuur van paarden en rijtuigen

Abraham Groenendijk, Frans de Wijn en Jan Zandijk krijgen in 1787 vergunning om binnen de stad rijtuigen en paarden te verhuren. Ook Cornelis Codde mag in 1789 binnen de stad paarden en rijtuigen gaan verhuren. In 1790 mag Marinus Zegers, wonend even buiten de Ganzepoort, in de plaats van z’n overleden schoonvader faëtons en chaisen verhuren.

Jacob Goudzwaard krijgt in 1791 vergunning om rijtuigen en paarden te verhuren binnen de stad, dit op voorwaarde dat hij burger wordt en een uithangbord voor zijn deur zet.
Ook Jodocus van Heese mag in 1791 rijtuigen en paarden verhuren, mits hij een uithangbord voor zijn deur zet. Hetzelfde mag Huibregt Laurusse, wonend onder de stad. Hij krijgt toestemming om in de plaats van wijlen Jacobus Schout rijtuigen en paarden te verhuren.

Warmoezeniers

De warmoezeniers, wonende binnen de stad, verzoeken in februari 1791 om een verbod tegen het leuren met groenten door anderen. Ze betogen dat ze met leedwezen ondervinden ‘dat dagelijks door differente landlieden en andere personen, geen warmoezenier zijnde, binnen de stad worden ingebracht en publiek aan de huizen uitgevent en verkocht allerlei soorten van groenten en aardappelen, hetgeen tot groot nadeel van hen strekt.' Die andere personen betalen geen gilderechten en kunnen hun land voor veel minder prijs dan hen pachten. Ze stellen een aantal maatregelen voor. Het stadsbestuur besluit vast te stellen:

  • dat niemand dan de warmoezeniers alhier en zodanige andere personen, buiten de stadsjurisdictie wonende, welke eigenlijk deze warmoezenieringen cultiveren, met enige groenten of aardappelen binnen de stad zullen mogen leuren, doch dat het echter aan een ieder vrij zal staan om te mogen leuren met allerlei fruit als appelen, peren, kersen, noten en dergelijke;
  • dat alle vreemdelingen, geen warmoezeniers zijnde, die enige groenten of aardappelen binnen de stad inbrengen, deze niet dan op de afslag of aan de warmoezeniers alhier zullen mogen verkopen, uitgezonderd de aardappelen indien deze met een zak of meer tegelijk geleverd worden, wanneer die aan een ieder zonder de afslag zullen mogen worden verkocht;
  • dat alle burgers of ingezetenen alhier, die geen groenten of aardappelen hetzij uit dit land of van andere plaatsen binnen deze stad inbrengen, deze met zodanige kwantiteit zullen mogen verkopen als zij zullen goedvinden, doch niet anders dan aan hun huizen en winkels of op de afslag zonder met deze van buiten ingebrachte groenten of aardappelen te mogen leuren.

Wijnnering

Wijnkooplieden

In juni 1787 wordt Adrianus Johannis Step toegelaten als wijnhandelaar binnen de stad. Hij heeft het huis en pakhuis ‘de Schaelge’ aan de Wijngaardstraat nummer 20 gekocht van Nicolaas van Steveninck met het oogmerk om de voor lange jaren daarin bestaande wijnnegotie te vervolgen. Ook Cornelis van de Vaarde, tot nu toe grossier in sterke drank, mag vanaf juli 1787 optreden als koopman in wijnen in het pand Grote Kade 28 met het daarbij behorende wijnpakhuis.
Jacobus Dominicus krijgt op zijn verzoek in juni 1789 vergunning om de negotie in wijn binnen de stad uit te oefenen. Jan Boogaard mag in 1790 een winkel van gedestilleerde dranken oprichten.
In augustus 1792 deelt Gerrit Spijk het stadsbestuur mee dat hij van de wijnkoopman Jacobus Willem de Jongh heeft gekocht diens woonhuis en erve met pakhuis aan de Koningstraat nummer 1, genaamd ‘de Drie Coningen’ op de Haven. Hij heeft het voornemen om de wijnkopernering en de verkoop van sterke drank in dit pand uit te oefenen. Deze nering is door De Jongh in dit pand bedreven en doet hij nog als grossier. Spijk krijgt vergunning om in het pand ‘de Drie Coningen’ de wijnkopernegotie te doen alsook de sterke dranknering als grossier.

Grossiers in wijnen

Verscheidene personen krijgen deze jaren vergunning om op te treden als grossier in sterke dranken.
In oktober 1785 valt er een grossiersplaats open door het vertrek van de wijngrossier Sem Pronck. In zijn plaats wordt Jacobus Willem de Jongh toegelaten als grossier in sterke dranken binnen de stad om deze bij de grosse te verkopen.
Ook Catharina op ’t Hof deelt in november 1785 mee voornemens te zijn als grossierster in sterke dranken ermee uit te scheiden. Op haar verzoek krijgt ze vergunning om sterke dranken bij de kleine maat te verkopen. Jacobus de Wijs wordt toegelaten tot grossier in sterke dranken.
In januari 1786 doet Elisabeth de Munck weduwe van Adriaan Jasperse afstand van haar bediening als grossier in sterke dranken. In haar plaats wordt als grossier aangesteld Cornelis van de Vaarde. Ook Esaias Zwart doet in oktober 1786 afstand van zijn grossierschap van de sterke dranken. In zijn plaats mag Christiaan Bootsgezel als grossier optreden.
Cornelis Vervenne krijgt in maart 1787 vergunning voor het verkopen van brandewijn, genever en andere gedestilleerde wateren als grossier.
Ook Frederik Zuidweg mag in de plaats van Johan Baaden de oude optreden als grossier in brandewijn, genever en andere sterke dranken.
Jacobus Dominicus krijgt in 1790 vergunning voor het grossierschap in sterke dranken in de plaats van de weduwe van Anthony de Broekert, door wiens dood een grossiersplaats is vacant geworden. Eveneens besluit het stadsbestuur in dit singuliere geval mede vergunning te verlenen aan Anthony de Broekert om in het woonhuis van zijn overleden moeder de aldaar gedane grossiersnegotie in allerhande gedestilleerde wateren uit te oefenen, ‘niettegenstaande het getal van grossiers in sterke dranken voltallig is en zonder consequentie voor het vervolg’.
In 1791 geeft Marinus van Velsen te kennen dat hij in ondertrouw is met Janna Schuiling, grossierster in allerhande soort van gedestilleerde wateren. Hij krijgt vergunning om na het voltrekken van zijn huwelijk deze nering te continueren. Ook wordt in 1791 Nicolaas Vervenne Pzoon aangesteld tot grossier in sterke dranken in de plaats van Marinus van Baalen Lzoon, die daarvan afstand doet.

Verkoop sterke drank bij de kleine maat

Johan Coenraad Koch krijgt in 1785 vergunning om te verkopen sterke dranken bij de kleine maat. Francois Duinkerke mag vanaf 1787 brandewijn, genever en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat verkopen. Jacobus Bouterse krijgt in 1788 vergunning om in zijn woonhuis ‘de Zonne’ in de Papegaaystraat nummer 6 te verkopen sterke dranken en bier bij de kleine maat.

Zeepnering

Vele inwoners, vooral kleine winkeliers, leggen zich toe op het verkopen van harde en zachte zeep in de stad. Er komen zeer veel verzoeken binnen, vooral ook van kleine middenstanders en winkeliers, die ook zeep erbij willen gaan verkopen. Het stadsbestuur verleent deze jaren vergunning aan de volgende personen:
Philippus Hartog, Jozias van de Velde, Andries van der Weijden, Pieter Goeree, Adriaan van Fraasen, Matthijs Schuiling, Joris Hoogewerve, Catharina Weije, Jan Wellens, Jacobus Schout, Dingena Franse, Gerardus Rapholm, Huibregt Cooman, Pieter Lanooy, Govert Klemkerke, Adriaan Groenendijk, Jan van Mechelen in de Voorstad, Jan Paassen, Cornelis van de Velde, Hermanus Staal, Adriaan Verelst, Jacob Ockstee, Engel de Jonge, Cornelis Catsman, Klaas Westhoeve, Jan van der Poel, Jacobus Ponse, Jacobus Benjaminse, Paulus Schuiling, Christiaan van Kleijnenbrugel, Janis Witte, Dina Bouwens huisvrouw van Andries Du Quere, Frans Schoonderwalt, Cornelia Mange weduwe van Pieter van Hessel, Jannetje Bokstal, Hendrik Reijnhoud, Jan Boogaard, P. Laurusse, Aalbregt Janse de Jonge, Jan Polderman, Jacoba Sandijk weduwe van Johan Eduard Steiner, Frederik Hafner in de Voorstad, Jacob Brand, Laurus Pieterse Traas, de weduwe van Barend Luurman, Maria Rentvoort, Johannes Arnoldus Leijssen, Abraham Groenendijk, Magdalena Cornelisse Bliek, Anna Adriana en Johanna Bronkhorst, Cornelis Fitzner, Laurus de Hond en Jan van Wesel.

Zoutnering

Zoutgrossiers

Het stadsbestuur besluit in januari 1788 op het verzoek van de dekenen van het panneluidengilde aan de winkeliers, die alleen bij de kleine maat zout verkopen, te verbieden om ergens anders hun zout in te slaan dan alleen bij de grossiers in zout. Tegelijk worden de eigenaren van de zoutketen met de meeste klem gelast zorg te dragen om aan geen kleine winkeliers in zout binnen de stad zout te leveren maar deze te verwijzen naar de grossiers in zout.
Het aantal zoutgrossiers wordt bepaald op maximaal acht.
Als Joosje Rooymans, de weduwe van Jan Briel, verzoekt om wit geraffineerd zout te mogen verkopen als grossierster, overweegt het stadsbestuur dat het tegenwoordig getal van acht grossiers tot gerief van de burgerij genoegzaam is. Haar verzoek wordt aangehouden totdat een van de toegelaten grossiers het verkopen van zout beëindigt.

Zoutketen

Maria Coomans, ambachtsvrouwe van Wemeldinge, en Jan Zeevaart, boekverkoper, betogen in december 1787 dat ze met elkaar in gemeenschap hebben een zoutkeet met drie zoutpannen aan de oostzijde van de haven. Maria Coomans bezit 2/3 gedeelte en Zeevaart 1/3 gedeelte van de zoutkeet. Ze hebben het ongeluk gehad dat de zoutkeet zodanig is afgebrand dat ze niet meer gaande kan worden gehouden. Tot het opnieuw opbouwen kunnen ze niet besluiten vanwege de grote kostbaarheid daarvan en het verloop van de zoutnegotie. Ook andere zoutketen kunnen niet meer ‘aan de man geholpen worden’ vanwege het verval van de zoutnering. Ze verzoeken tot afbraak te mogen overgaan.

In januari 1788 krijgt de compagnieschap in enige zoutketen, bekend onder de naam van ‘Firma J. van Kleijnputte en compagnon’, toestemming om voor het bouwen van een turfschuur aan een van de zoutketen een gedeelte van stadsgrond te gebruiken.
Ook ontvangt de Firma Van Kleijnputte voor haar zoutketen vrijdom van de stedelijke impost op de voor de zoutketen benodigde Schotse kolen, maar ook voor de Luikse, Sunderlandse of andere soorten van kolen.

In november 1791 geeft Abel van Kogelenberg te kennen dat hij met een compagnon heeft gekocht de zoutkeet van de erven van mejuffrouw Couwens. Na die koop is hij ‘bij examinatie en informatie onderricht geworden, niet alleen van de enorme zware kosten welke tot in gang brenging van gemelde zoutkeet zouden moeten worden gespendeerd, maar ook van het alles verdervend inconvenient waaraan dezelve zoutkeet door het onderlopen der turfhokken en ovens onder de pannen bijna de ganse winter en bij hoge vloeden door het inlopen der zoutdennen als anderszins is geëxponeerd, en het daardoor geboren staat te worden dat ingeval hij met zijn mede portionarissen dezelve keet in werking zou moeten brengen, zij deels wegens de zware reparaties en dan nog deels door de verwoestende gevolgen van het winterwater en hoge vloeden in zeer ongelukkige inconvenienten zouden worden gebracht’.
Hij verzoekt toestemming deze zoutkeet (met instandhouding van het woonhuis) te mogen afbreken ‘mits de onderhouding van de kaai ten eeuwigen dage op hetzelve woonhuis blijve geconstitueerd’. Het stadsbestuur wijst dit verzoek echter af.

Jan Zeevaart, boekhouder van een zekere zoutkeet die toebehoort aan de heer Aart Bunnik en Compagnie, geeft in juli 1789 te kennen ‘dat hij lange tijd boekhouder geweest zijnde van zijn principalens keete met twee pannen aan de overzijde van de haven, dezelve keet door het staken van de zoutnegotie daarmede uit oorzaak van verlies daarbij niet langer voordelig heeft kunnen gaande gehouden worden, zodat ze, na dat het werken tot raffinering van zout daarin al enige tijd stil gestaan of opgehouden had, eindelijk ter voorkoming van verder verval daarvan, in januari laatstleden door hem, op order van zijn principalen alhier publiek te koop gepresenteerd is, doch niets heeft mogen gelden en voorts geen liefhebbers tot het kopen daarvan zich opdoen. En dewijl zijn principalen er dus geen employ meer van wetende te maken, wel genegen zouden zijn om dezelve, teneinde geen verdere schade daarvan te lijden, publiek of uit de hand, zoals er best occasie toe mocht zijn, ter afbreking te verkopen’. Op zijn verzoek verleent het stadsbestuur de eigenaren van deze zoutkeet toe te staan om deze af te breken.

Ook Francois de Keijser exploiteert een zoutkeet. De stadsrekeningen in deze periode vermelden: ‘Huur van Francois de Keijser junior, baant bij de oude havensluis 150 roeden land daar zijn keet op staat’.

Zoutnering

In mei 1791 betogen de beëdigde zoutmeters Jacobus Proos, Adriaan Groenendijk, Arij van den Hoven en Lieven van Loo ‘dat ze gaarne hun loon als meters van de zilte, namelijk van het Allemattische zout, met enig meerder loon zouden geogementeerd zien om reden van desselfs extra zwaarte en dus bijna een derde meerder arbeid dan aan andere zilten te doen is’. Het loon van de zilte is voor hen thans veertig stuivers per honderd vat. Ze verzoeken om dit loon met dertien stuivers te vermeerderen.
Op het gunstige advies van de dekenen van het panneliedengilde besluit het stadsbestuur in 1791 ermee in te stemmen dat hun loon van het Allemattische zout per honderd vat met dertig procent zal worden verhoogd.

De Heren van de Sociëteit van de zoutketen verzoeken het stadsbestuur in 1791 om, daar er tegenwoordig gebrek is aan ‘bekwame gewrogten’, in een van hun keten als zodanig te mogen inzetten een zekere Cornelis Soutewelle. Deze was voorheen knecht in een zoutkeet die is afgebrand. Het stadsbestuur gaat daarmee akkoord.
In mei 1792 legt het stadsbestuur van Veere bij hen ingebrachte klachten over van Cornelis Kroonenburgh, beurtschipper van Veere op Goes, over die van de zoutnering te Goes. Deze weigeren de aan hem (zo hij vermeent) verschuldigde vrachtpenningen, die hij heeft geëist voor de vijf eerste hoeden smeekolen, te betalen. Volgens hem zijn de vrachtpenningen vastgesteld op grond van het Reglement op het bedienen van het Goese veer van 23 februari 1769 op een gulden en de overige hoeden op twee schellingen per hoed. Die van de zoutnering schijnen deze ordonnantie op een andere manier te interpreteren. Ze zijn van oordeel dat, zodra er meer dan vijf hoeden geladen zijn, ze niet verplicht zijn meer dan 2/3 per hoed te betalen. In overweging wordt gegeven om de vracht van de smeekolen te bepalen op een gulden per hoed, dit in aanmerking genomen de moeite en tijd die er aan het laden en lossen besteed wordt.

Overige bedrijvigheid

In 1785 deelt Anthonie Bakker uit Middelburg mee dat hij zich graag in Goes zou willen vestigen als burger van de stad en om hier zijn ambacht van scharen- en messenslijper uit te uitoefenen. Hij krijgt vergunning om zich als scharen- en messenslijper in de stad te generen.

De wagenmakers Samuel Vertregt, Marinus van Leeuwen en Adamus Meijler betogen in 1787 ‘dat in vroeger tijd meestal twee wagenmakers in de stad zijn toegelaten, als wanneer dezelve stiel een tamelijke broodwinning is geweest, doch sedert het getal tot drie is aangegroeid ze op den duur voor zichzelf geen werk hebben, veel min in staat zijn een knecht bij continuatie te emploieren’. Nu hebben ze vernomen dat een vierde wagenmaker zich hier schijnt te vestigen, namelijk Melchior Limbert. Ze verzoeken dit te beletten, tenzij door afsterven of inkoop een van de drie wagenmakerwinkels buiten de Ganzepoort te bekomen of verkrijgbaar is. Uit overweging dat Limbert al zijn inkomstgeld in het gilde heeft betaald en dat bovendien het wagenmaken binnen de stad geen proefdoende stijl is, besluit het stadsbestuur het verzoek van de drie wagenmakers af te wijzen.

Jacob Muckli deelt in januari 1787 mee van mr. W.C. de Crane gekocht te hebben het woonhuis ‘de Blaauwe Hand’, staande aan de oostzijde van de Lange Vorststraat nummer 50. Hij heeft het voornemen daar een looierij en leerverkoperswinkel op te richten. Tevens verzoekt hij gebruik te mogen maken van de stadsvest voor het wassen van zijn huiden ter plaatse daar de bewoners van dit huis daarvan voor het wassen van hun geverfde goederen vele jaren gebruik hebben gemaakt.
Daarop schrijven 25 bewoners van de Lange Vosstraat in een brief aan het stadsbestuur dat ze hier met ontzetting van kennis hebben genomen. Een looierij op die plaats is vanwege de onaangename geur tot groot nadeel van hun woonhuizen en van de wekelijkse botermarkt op dit gedeelte van de Lange Vorst en dus ook van de winkels. De brief is ondertekend door o.a.
Francois Breekpot, Cornelis van der Heijden, Johannes Swartenbroeck, M. van Cromvliet, Laurens Boeren, Philip de Brune, Pieter van den Berge, David de Klerk, Johannes Verdonck en Matthijs Katsman. Het stadsbestuur besluit het verzoek af te wijzen.

In november 1787 geeft het stadsbestuur Johan Fitzner van de leerlooierij aan de Nieuwstraat nummer 28 kennis dat de tijd, die hem is vergund om zich te ontdoen van de materialen van zijn looierij en om zijn zaken te arrangeren conform de aanzegging van het stadsbestuur van eind oktober, verstreken is. Het stadsbestuur verbiedt hem de looierij langer of voor of door zichzelf gaande te houden of de looierij in de stad uit te oefenen. Hij dient derhalve die affaire van nu af aan finaal op te laten houden.

Adriaan Bosdijk en Pieter den Boer krijgen in 1787 vergunning om, met uitsluiting van alle anderen, in de stad of onder haar jurisdictie zakken voor kolen en turf te verhuren. Voor het gebruiken van zakken voor turf zal als vanouds betaald moeten worden: voor de 15 zakken met een wagen door de arbeiders £ -.2.6 en de schippers £ -.-.10, tezamen £ -.3.4 per dag. Voor het verwerken van kolen zal voortaan betaald moeten worden 9 duiten per zak, te verdelen in 3 duiten voor de voerman, 5 duiten voor de arbeider en 1 duit voor de zakhuur. Bosdijk en den Boer dienen wel zorg te dragen dat de burgerij en de schippers behoorlijk met zakken kunnen worden geriefd.

In november 1787 krijgt Petrus Lambertus Eekhout op zijn verzoek vergunning om als horlogemaker binnen de stad op te treden, dit tot meerder gerief van de burgerij.

In december 1788 geeft Pieter van Klink te kennen dat hij zich graag ‘tot meerdere bevordering van zijn Wolle Trafiek en Verwerije’ zou willen bedienen van een fornuis in zijn woonhuis.

In november 1791 krijgt Hendrik Verhoef vergunning om onder opzicht van de stadsfabriek te stellen de vereiste fornuizen, nodig voor zijn op te richten ververij evenals het leggen van een plank in de stadsvest om zijn goed te spoelen.