Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1785 - 1792)

1785

Het notulenboek vermeldt onder de vergadering van 19 februari 1785 ‘Nihil Actum’.
Of er werkelijk niets is besproken, lijkt onwaarschijnlijk. Daarvoor is een té illuster gezelschap bij elkaar. Zelfs de secretaris van de provincie Zeeland, mr. Laurens Pieter van de Spiegel, is erbij. Ongetwijfeld is beraadslaagd over de oorlogsdreiging en de opstelling ten opzichte van de Erfstadhouder. Present zijn de regerend burgemeesters mr. D.C. Keetlaar en mr. W. Canisius, de oud-burgemeesters mr. L.P. van de Spiegel en mr. J.A. van Dorth, de raden Adriaan Ossewaarde, mr. A.W. van Citters, mr. Antoni Ossewaarde, Z.D. van der Bilt, Pieter Ossewaarde, mr. W.C. de Craane, C. van Citters van Bruelis, J.B. Petreus, D. de Meijer, J.A. Eversdijk en L.J. van de Spiegel en de pensionaris-honorair B. Verselewel van der Bilt.
Ook onder de vergaderingen van 25 juni 1785, 2 juli 1785, 3 september en 8 oktober vermeldt het notulenboek ‘Nihil Actum’.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op 24 juni wordt tot burgemeester verkoren mr. Johan Adriaan van Dorth en tot schepenen mr. A.W. van Citters, mr. Antony Ossewaarde, Johannis Stokmans, mr. Johannes Pols en mr. Cornelis Dominicus. Tot pensionaris honorair wordt aangesteld. De afgaande burgemeester mr. D.C. Keetlaar treedt aan als pensionaris-honorair. Ook Arnoldus van Tilburgh Mzoon wordt in augustus aangesteld als pensionaris-honorair.

Er ontstaat in augustus een scherpe tegenstelling in het stadsbestuur. De raadsleden P. Ossewaarde en mr. W.C. de Craane protesteren met grote klem tegen het besluit en de publicatie over de opheffing van de Exercitie Genootschappen.

Op de 28e september neemt het stadsbestuur kennis van een brief van mr. L.P. van de Spiegel. Hij schrijft vanuit Middelburg het volgende:

Edel Achtbare Heeren!

Door de eenparige resolutie van de Heeren Staaten, op de honorabelste wijze zijnde verkoren en aangesteld tot Raadpensionaris dezer Provincie, neem ik de vrijheid, terwijl de omstandigheden mij nog enige tijd zouden kunnen verhinderen in persoon mijn plicht te komen afleggen, Uw edelachtbaren bij deze schriftelijk te betuigen mijne oprechte dankbaarheid voor de gunstige reflexie, waarmede Uw edelachtbaren mij hebben gelieven te vereren: onder de plechtige verzekering, dat ik mij, met alle vermogens, zal toeleggen om de goedkeuring der Hoge Regering en het vertrouwen van een ijder van desselfs Leden, door een exacte nakoming mijner verplichtingen, te verdienen.
Ik heb de eer mij op het respectueuste in de protectie van uw edel achtbaren aan te bevelen en met alle verschuldigde eerbied te zijn.

Uw onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,
L.P. van de Spiegel.

1786

Het lid van het stadsbestuur Johannis Balduinus Petreus wordt in januari 1786 aangesteld tot Commies ter Griffie van Gecommitteerde Raden van Zeeland. In verband daarmee bedankt hij als raad en schepen van de stad en neemt afscheid van het stadsbestuur. Het stadsbestuur plaatst op de nominatie voor schepen Johan Hendrik Eversdijk en Cornelis Pieter Keetlaar en voor raad Michaël Constantijn van Dorth en Arnoldus van Tilburg. De Erfstadhouder benoemt J.H. Eversdijk tot schepen en M.C. van Dorth tot raad.
Omdat Van Dorth verkoren is tot raadslid krijgt hij op zijn verzoek ontslag als commissaris van het landrecht en derde klerk ter griffie. In zijn plaats als derde klerk ter griffie komt Willem van der Bilt Z.D.zoon.

In april overlijdt mr. Willem van der Bilt van Cloetinge. Vele jaren bekleedde hij een vooraanstaande plaats in de stad als advocaat en in het stadsbestuur als burgemeester, schepen en raad. Terwijl de doodsklok twee uur aaneen luidt, wordt de overleden burgemeester begraven in de kerk van Cloetinge.
In de ontstane vacature van raad van de stad plaatst het stadsbestuur Boudewijn Verselewel van der Bilt en mr. Cornelis Dominicus. Vanuit Middelburg stuurt Zijne Doorluchtige Hoogheid zijn besluit tot benoeming van Verselewel van der Bilt als raad toe. Verselewel betaalt hiervoor aan de stad een recognitie van £ 200.
In de plaats van de overleden mr. Willem van der Bilt van Cloetinge wordt tot buitenregent van het gasthuis aangesteld burgemeester mr. W. Canisius, tot schutter in de Handboog Willem van der Bilt, tot dijkgraaf van de Goese Polder de schepen, raad en secretaris mr. Antoni Ossewaarde, tot stadsdirecteur, kerkmeester en curator van de Latijnse school oud-burgemeester mr. W. Canisius en tot directeur van de haven, gecommitteerde tot het kloppen van de schepen en tot overdeken van het schippersgilde P.A. Boreel de Mauregnault.

De aanstelling van oudermannen tot vermaking van de magistraat geeft dit jaar aanleiding tot conflictstof. Het lid van het stadsbestuur Pieter Ossewaarde legt een schriftelijke verklaring over om op te nemen in het notulenboek. Hij meent dat het indienen van een nominatie bij de Erfstadhouder nergens is voorgeschreven en daarom onnodig is. Hij kan dan ook zijn toestemming niet geven dat de nominatie aan de tegenwoordige Stadhouder wordt toegezonden. In de vergadering van de 10e juni verklaart mr. W.C. de Craane, die bij de vorige vergadering niet aanwezig kon zijn, de verklaring van Ossewaarde ten volle te onderschrijven. Hij verzoekt hiervan aantekening te maken in de notulen.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op 24 juni 1786 bekrachtigt de Erfstadhouder de benoeming tot burgemeester van mr. Dignus Cornelis Keetlaar en tot schepenen Francois de Keijser, Zywert van der Bilt, mr. Wilhelmus Christianus de Craane en Petrus Alexander Boreel de Mauregnault. De afgegane burgemeester mr. Willem Canisius wordt pensionaris- honorair.

Op de 27e juli 1786 schrijft mr. Nicolaas Eversdijk, baljuw en schout van de stad, ‘dat hij nu ruim 35 jaren de eer heeft gehad deze ambten met alle genoegen te bedienen. Wegens jaren en lichaamstoestand gevoelt hij zich nu buiten staat om die post langer zo te blijven waarnemen als dit behoort’. Na overweging van dit alles voelt hij zich genoodzaakt deze ambten neer te leggen en verzoekt hem zijn ontslag te verlenen. Hij bedankt het stadsbestuur hartgrondig voor alle vriendschap en genoegen die hij gedurende deze lange tijd van het stadsbestuur heeft genoten.
Het stadsbestuur besluit hem het ontslag te verlenen ‘met behoud van de eer aan die waardigheden verknocht en onder betuiging dat aan het stadsbestuur de dienst van de baljuw gedurende de geruime tijd dat hij zijn ambten heeft waargenomen bijzonder aangenaam is geweest en dat het stadsbestuur daaraan altijd met genoegen zal gedenken gelijk het hun niet minder aangenaam zou geweest zijn indien hij zijn posten langer had kunnen continueren’.
De ambten van baljuw en schout worden vacant en impetrabel verklaard. De presiderende burgemeester neemt gedurende de vacature de functie van baljuw waar.

Op de nominatie voor de benoeming van een nieuwe baljuw worden geplaatst mr. Johannis Pols, regerend schepen van de stad, mr. J.A. van Dorth, regerend burgemeester, en mr. D.C. Keetlaar, regerend burgemeester. Het drietal opposanten, Ossewaarde, De Craane en Boreel de Mauregnault, laat in de notulen aantekenen ‘dat zij niemand benoemd hebben’.
De Stadhouder benoemt tot baljuw mr. Johannis Pols. Het stadsbestuur besluit tot stedelijke schout aan te stellen op een jaarlijks traktement van zes ponden Vlaams de baljuw mr. Johannis Pols. Ter gelegenheid van deze benoemingen besluit het stadsbestuur dat ‘in het vervolg alle stedelijke resoluties, waarvan aan de baljuw extracten worden ter hand gesteld, bij diens overlijden of ontslag aan zijn opvolger moeten worden overhandigd’.
Eind mei 1787 overlijdt de oud-baljuw mr. Nicolaas Eversdijk.

1787

In de eerste vergadering van het nieuwe jaar feliciteert de voorzittende burgemeester het stadsbestuur bij gelegenheid van het aangevangen jaar. Gelezen worden de nieuwjaarswensen van het lid van Gecommitteerde Raden J.W. van Rosevelt, de raadpensionaris mr. L.P. van de Spiegel, het lid van de Raad van State C.J. van Lichtenbergh, de rekenmeester bij de provinciale rekenkamer Leydekker de Bruin en de commies ter Generaliteit J.B. Petreus.

De stadsboden, de conciërge van het stadhuis, de lijkdienaars, de stadsomroeper, de zegelaars van de bieren, de deurwaarders van het landrecht, de keurmeesters van de vis, de korenmeters en die van de extra-ordinaire compagnie verschijnen volgens jaarlijkse gewoonte voor het stadsbestuur met het verzoek in hun bedieningen te worden gecontinueerd. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.
Tevens wordt gunstig beschikt op de verzoeken om continuatie in hun bedieningen en neringen van de koffyhuishouders, de schoolmeesteressen, de bakker in de Voorstad, de zoutverkopers, de herbergiers, de kroeghouders en de drankverkopers.

In januari 1787 verzoekt mr. J. Pols, die gepromoveerd is tot baljuw en schout van de stad, zijn ontslag als schepen. In zijn plaats wordt benoemd Arnoldus van Tilburgh.

Op de 31e januari komt het stadsbestuur weer bijeen in een extra-ordinaire vergadering.
De heer Van Citters doet een voorstel naar aanleiding van een conversatie met het lid van het stadsbestuur Pieter Ossewaarde. Dit behelst in hoofdzaak ‘om in deze ongelukkige tijden van verwarring en bedreigde ruïne voor vele der ingezetenen de handen ineen te slaan en een associatie tussen die leden welke sedert enige tijd met de meerderheid van het stadsbestuur hebben gediffereerd, te bevorderen’. Ossewaarde ondersteunt dit voorstel. De aanwezige leden van het stadsbestuur ‘hebben elkander vriendelijk en welmenend de hand gegeven en beloofd voortaan met verzaking van alle partijdigheid, behoudens een ieder zijn gevoelen, en een betamelijke condescendance voor de gevoelens der meerderheid de een den ander oprecht te behandelen’. Volgens het stadsbestuur kan ‘hetzelve een voorname invloed hebben op de gemoederen van de goede burgerij’. Dit besluit wordt bij publicatie in het ordonnantieboek ingeschreven en bekend gemaakt.

In april overlijdt de schepen en raad van de stad, Francois de Keijser. Terwijl de doodsklok twee uren luidt wordt het oudgediende lid van het stadsbestuur in de nederkerk begraven. Voor de schepenplaats worden op de nominatie geplaatst Daniël de Meyer en Johan Hendrik Eversdijk en voor de raadsplaats Arnoldus van Tilburgh Mzoon en mr. Adriaan Francois Lammens. De Stadhouder benoemt De Meyer tot schepen en Van Tilburgh tot raad.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op 24 juni worden tot burgemeester benoemd mr. Willem Canisius en tot schepenen Cornelis van Citters van Bruelis, Johan Hendrik Eversdijk, Laurens Jan van de Spiegel, Jan Dominicus en Martinus Slabber. Tot pensionaris-honorair wordt aangesteld de afgegane burgemeester mr. J.A. van Dorth.

Op de 12e juli komt het stadsbestuur in buitengewone vergadering bijeen. De leden Ossewaarde, De Craane, Boreel de Mauregnault en Eversdijk, op wiens verzoek de vergadering is bijeengeroepen, dragen bij monde van Ossewaarde voor ‘dat, daar zij menen in verdenking te zijn dat zij met de overige leden van de Raad omtrent de publieke zaken en de regering het niet eens zijn, ze verzoeken of aan hun gelegenheid mocht worden gegeven om op het plechtigst als lieden van eer en onbewimpeld voor hun gevoelen te verklaren te zullen blijven aankleven en helpen handhaven de Staat, de Stadhouderlijke en Stads Regering met de Prins Erfstadhouder, bekleed met alle de voorrechten welke Zijne Hoogheid bij resoluties van 1747 en 1766 plechtig en permanent zijn opgedragen’. Ze verzoeken van deze hun verklaring bij publicatie kennis te geven. Het stadsbestuur neemt met deze verklaring genoegen en wil gaarne gebruik maken van het aanbod om hieraan bij publicatie kennis te geven.

In de plaats van mr. L.P. van de Spiegel, die vrijwillig afstand deed van zijn raadsplaats vanwege zijn aanstelling tot Raadpensionaris van Holland, benoemt de Stadhouder tot permanent raad van de stad Martinus Slabber.

1788

In april 1788 nemen de heren Pieter Ossewaarde en mr. Wilhelmus Christianus de Craane ontslag als raad en schepen. Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur in juni 1788 worden tot burgemeester verkoren mr. J.A. van Dorth en tot schepenen mr. Antoni Ossewaarde, B. Verselewel van der Bilt, A. van Tilburgh en C.P. Keetlaar. De afgegane burgemeester mr. D.C. Keetlaar wordt pensionaris-honorair.

Het is opmerkelijk dat het stadsbestuur in 1788 een aantal malen bijeen komt, maar er worden geen besluiten genomen. Zo staat bij de vergaderingen van 28 juni, 5 juli en 2 augustus aangetekend ‘Nihil Actum’.
Op 14 juli wordt speciaal een raadsvergadering bijeen geroepen voor het afleggen van de eed van trouw aan de constitutie. Voor het stadsbestuur verschijnen de leden van de drie schutterijen ieder afzonderlijk en corps. Ze leggen, voorzover present, de eed van getrouwheid aan de constitutie in handen van het stadsbestuur af. Ook wordt dit gedaan door de predikanten van de Nederduitse en Waalse gemeenten, de pastoor en kerkenraad van de rooms-katholieke gemeenten in stad en eiland, de rector van de Latijnse school, de Franse en Nederduitse schoolmeesters, de organist, de kosters van de Nederduitse en Waalse kerken, de medicine doctors, de stadsdrukker, de majoor van de klapperwacht, de vendumeesters, de bankier van de leenbank, de commissaris van de veren en de postmeester.

Ook op de 16e juli legt een aantal personen de eed van getrouwheid af, namelijk de vier gecommitteerden van het eiland, de absent geweest zijnde schutters in de schutterijen van de Busse en Voetboog, de krankenbezoeker Does, de drie lijkdienaars, de koopmansboden, de statendeurwaarder en de dekenen van alle gilden. Er gaat bericht naar Gecommitteerde Raden van Zeeland dat alle beambten de eed van getrouwheid aan de tegenwoordige constitutie en regeringsvorm hebben afgelegd.

In november verzoekt de stadssecretaris mr. A.W. van Citters om, ingevolge zijn meermalen gedaan verzoek, in zijn post als secretaris te worden opgevolgd door zijn neef mr. Aarnout van Citters als hij daarvan ontslag zou vragen. Eenzelfde verzoek doet echter mr. Antoni Ossewaarde. Het stadsbestuur besluit eerst te bepalen op welke voet de opvolger van Van Citters zal worden aangesteld. Eerst zal een nieuwe instructie worden vastgesteld.
De regerende en oud-burgemeesters en de secretarissen herzien daarop de Instructie op het bedienen van het secretarisambt. Ze leggen het stadsbestuur een concept-instructie over, die wordt goedgekeurd en vastgesteld om bij de eerstvolgende vacature te worden toegepast.
Daarna beraadslaagt het stadsbestuur over het verzoek van mr. A.W. van Citters om ten voordele van zijn neef mr. Aarnout van Citters, raad van de stad, ontslag te nemen als secretaris van de stad, klerk van de weeskamer en griffier van het landrecht. Dit voorstel blijft echter buiten conclusie. Het stadsbestuur verzoekt secretaris Van Citters zijn functie met ‘desselfs gewone ijver en attentie’ te blijven waarnemen.

1789

Het stadsbestuur komt op dinsdag de 1e januari in extra-ordinaire zitting bijeen. ‘De vergadering wordt door den heer Burgemeester Canisius met een gepaste aanspraak bij gelegenheid van ’t nieuwe jaar geopend’. Zoals gebruikelijk worden nieuwjaarswensen ontvangen van de Goese vertegenwoordigers in hogere colleges Van Rosevelt, Leydekker de Bruin, Petreus en Van Lichtenbergh.

In verband met zijn benoeming tot baljuw verzoekt Boudewijn Verselewel van der Bilt ontslag als schepen. Dit mede in verband met het ‘Reglement op de regeringsvorm van de stad Goes’. Dit bepaalt : ‘Er zal geen Baljuw ooit tot Raad mogen worden verkoren’. Het stadsbestuur besluit om deze bepaling zo te interpreteren dat ‘een Raad, tot baljuw verkoren wordende, de eerste kwaliteit moet ter neder leggen’. Hiermee wordt Verselewel feitelijk gedwongen om, zij het met grote tegenzin, ontslag als raadslid te nemen. In zijn plaats benoemt de Stadhouder vanuit Bergen op Zoom tot schepen Zywert Diederik van der Bilt, raad van de stad.
Verselewel van der Bilt heeft echter geen vrede met de interpretatie van het stadsbestuur dat een benoemde baljuw moet ophouden lid van het stadsbestuur te zijn. Hij verzoekt een brief van zijn hand hierover in het notulenboek in te schrijven. Naar zijn oordeel dient de nadere interpretatie enkel voor de toekomst te gelden. Ten tijde van zijn benoeming gold dit nog niet en daarom behoort hij zitting te blijven houden als lid van het stadsbestuur. Hij is voornemens dit punt voor te leggen aan het oordeel van de Staten van Zeeland.
Op 4 juli stuurt de baljuw een verklaring aan het stadsbestuur waarom hij meent dat een gekozen baljuw geen afstand hoeft te doen van zijn raadsplaats. Deze wordt woordelijk ingeschreven in het notulenboek, dit in verband met de door de regenten Van Tilburg, Slabber en mr. A. van Citters gemaakte bezwaren tegen de wijze waarop Verselewel hier commotie over maakt. Kennelijk wordt de verklaring van de baljuw voor kennisgeving aangenomen, want er vindt geen besluitvorming over plaats. De drie regenten geven een zeer uitvoerig commentaar op de brief van de baljuw. Ook deze wordt woordelijk in het notulenboek ingeschreven en ook hierover wordt verder niets opgemerkt.

In mei verzoekt Cornelis Pieter Keetlaar ontslag als schepen. Voor de vervulling van de vacature plaatst het stadsbestuur op de nominatie Daniël de Meijer en Johan Stokmans.
Op 15 juni komt de baljuw ter vergadering en ‘plaatst zich aan het hooge einde van de Tafel’. Hij deelt mee dat Zijne Doorluchtige Hoogheid de heer Prins Erfstadhouder, geschreven te Soestdijk, uit de nominatie heeft verkoren tot schepen om te dienen tot Sint Jan 1790 Daniël de Meyer.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op de 24e juni worden verkoren tot burgemeester mr. D.C. Keetlaar en tot schepenen C. van Citters, P.A. Boreel de Mauregnault, J. Stokmans, mr. C. Dominicus en mr. C. van Erlach la Motthe. De heer Van Citters deelt mee voor deze reis graag van deze post te worden geëxcuseerd. Tot pensionaris-honorair wordt de afgegane burgemeester mr. W. Canisius benoemd.

In januari constateert het stadsbestuur dat het steeds meer voorkomt dat rekesten door anderen worden ingediend en zelf ondertekend. Deze zijn soms opgesteld in ongemanierde stijl. Bovendien wordt daardoor een deel van het bestaan van de procureurs en advocaten onthouden. Besloten wordt dat voortaan geen rekesten voor anderen mogen worden opgesteld of ondertekend op straffe van een boete van £ 1 ten bate van het weeshuis.

1790

Op de eerste vergadering in het nieuwe jaar komen nieuwjaarswensen binnen van het lid van Gecommitteerde Raden Van Rosevelt, het lid van de Rekenkamer Zeeland Leydekker de Bruin, het lid van de Raad van State Van Lichtenbergh en de commies ter Generaliteit Petreus. Alle vier hebben vele jaren deel uitgemaakt van het Goese stadsbestuur en zijn of gepromoveerd of op voordracht van het stadsbestuur in hogere colleges benoemd.

In mei verzoekt de heer C. van Citters van Bruelis ontslag als schepen. Voor het vervullen van deze vacature plaatst het stadsbestuur op de nominatie J.H. Eversdijk en mr. A. van Citters. Eversdijk wordt benoemd.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op 24 juni worden verkoren tot burgemeester mr. A.W. van Citters, heer van ’s- Gravenpolder, en tot schepenen mr. Anthony Ossewaarde, L.J. van de Spiegel, M. Slabber en M.C. van Dorth.
Pensionaris-honorair wordt de afgegane burgemeester mr. J.A. van Dorth.

1791

Burgemeester mr. W. Canisius stelt op de 8e april vanuit Middelburg het stadsbestuur in kennis van het overlijden van zijn schoonvader, mr. J.W. van Rosevelt, raad van de stad en namens Goes lid van Gecommitteerde Raden en Raad ter Admiraliteit van Zeeland. De brief luidt:
‘Alzo het den Almachtigen God naar Zijn onveranderlijk Raadsbesluit behaagd heeft mijn waarde en hooggeachte schoonvader, de weledelgestrenge Heer mr. Johan Willem van Roseveld, in desselfs leven Raad in uw edelachtbarens stad en wegens desselve Gecommitteerde Raad en Raad ter Admiraliteit van Zeeland, zeer subiet aan de gevolgen van een beroerte uit mijne liefdearmen in de ouderdom van 77 jaar en ruim 5 maanden deze avond door den Dood van mij weg te nemen. Zekerlijk zullen uw weledelachtbaren beseffen dat hoe zeer mijn overleden schoonvader de gewenste trap des ouderdoms bereikt heeft en daardoor zijne ontbindinge door mij van tijd tot tijd is vooruitgezien, dit verlies voor mij echter treffend is, aangemerkt de Vaderlijke Zorg en genegenheid van Hem genoten. Intussen troost ik mij met de hartelijke wensch en hoop dat de overledene verkregen hebbe het einde van desselfs verlangen voor een wereld vol moeite en kommer een Zalige rust bij God in Zijn Hemels Koninkrijk. W. Canisius.

In de plaats van de overleden raadsheer J.W. van Rosevelt worden genomineerd Isaac Cornelis Buteux en mr. Cornelis van Erlach La Motthe.

Mr. Antoni Ossewaarde verzoekt in mei 1791 ontslag als schepen. In zijn plaats als raad komt Izaac Cornelis Buteux en van schepen Zywert Diederik van der Bilt van Cloetinge.

Ook de baljuw Boudewijn Verselewel van der Bilt vraagt ontslag als raad, pensionaris-honorair en schutter in de Handboog. Wat betreft Verselewel van der Bilt verklaart het stadsbestuur ‘dat, daar hij van zijn ambten als niet strokende met de post van baljuw, afstand doet, zijn apparitie in die kwaliteiten het stadsbestuur bijzonder aangenaam is geweest’. Hij is in staat om in zijn gewichtige post van baljuw het stadsbestuur en de stad bij continuatie van het grootste nut te zijn. Het stadsbestuur wenst hem daarin alle satisfactie en genoegen toe. Als blijk van erkentenis stelt het stadsbestuur van nu af aan vast ‘dat, indien de heer Verselewel van der Bilt te eniger tijd om redenen van conveniënte mocht inclineren zijn post van baljuw te kwiteren, hij dan wederom zal invallen en toegelaten worden als pensionaris-honorair, zonder voor de admissie enige recognitie of onkosten hoegenaamd ook te betalen’.

Door het overlijden van Mattheus Ossewaarde in juni komt de plaats van derde klerk ter griffie vacant. In deze functie wordt aangesteld Pieter Adriaan Ossewaarde Pzoon.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op de 24e juni worden verkoren tot burgemeester mr. Antony Ossewaarde en tot schepenen D. de Meijer, C.P. Keetlaar, A. van Tilburgh, mr. A. van Citters en C. Buteux. Pensionaris-honorair wordt de afgegane burgemeester mr. D.C. Keetlaar.

Mr. Antoni Ossewaarde, secretaris, burgemeester en raad van de stad, overlijdt op de 6e augustus. Hij wordt in het koor van de Grote kerk begraven. Op de nominatie voor burgemeester worden geplaatst Zywert Diderik van der Bilt en Adolf Ossewaarde, op die voor schepen P.A. Boreel de Mauregnault en Johan Hendrik Eversdijk en op die voor raad mr. Cornelis van Erlach la Motthe en J. Kien van Citters. De stadhouder benoemt tot burgemeester Z.D. van der Bilt van Cloetinge, tot schepen P.A. Boreel de Mauregnault en tot raad mr. C. van Erlach la Motthe.
In de vacature van secretaris van de stad, klerk van de weeskamer en griffier van het landrecht benoemt het stadsbestuur de heer Laurens Jan van de Spiegel.

De heer Z.D. van der Bilt van Cloetinge vraagt in augustus ontslag als schepen.

In de plaats van de heer mr. Aarnout Willem van Citters, die zijn ontslag gevraagd heeft en waarvan de finale conclusie sinds 29 november 1788 is opgehouden, wordt aangesteld de heer mr. Aarnout van Citters.

1792

Opmerkelijk is dat in het notulenboek bij een aantal vergaderingen wordt vermeld ‘Nihil Actum’, onder meer op 25 februari, 26 maart, 14 april en 30 juni.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur op de 24e juni wordt verkoren tot burgemeester mr. J.A. van Dorth en tot schepenen C. van Citters van Bruelis, J. Stokmans, J.H. Eversdijk en mr. C. van Erlach la Motthe. Pensionaris-honorair wordt de afgegane burgemeester mr. A.W. van Citters.

In december overlijdt de schepen en raad J.H. Eversdijk. Op de nominatie voor schepen plaatst het stadsbestuur Petrus Alexander de Boreel de Mauregnault en Laurens Jan van de Spiegel, op die voor raad mr. Jan Kien van Citters en Johannes Nederveen.

Het stadsbestuur besluit op 4 augustus 1792 ‘alle essentiële stukken en papieren, welke voorheen plachten rondgezonden te worden ter lecture van de leden van de Raad, voortaan voor dat doel te leggen op de directeurskamer om daardoor door de heren, dit verkiezende, te kunnen worden gelezen’.

Contacten met Stadhouder Prins Willem V

Brief Stadhouder aan stadsbestuur van Goes
Op de 4e februari 1785 ontvangt het stadsbestuur een door ‘W. Pr. V. Orange’ ondertekende brief waarin hij kennis geeft geen mogelijkheden te zien middelen aan te reiken tot tegemoetkoming in de noden van de stad. De Stadhouder schrijft onder meer: ‘ter voldoening aan het verzoek door Ulieden aan ons gedaan bij derzelve missive van de 19e daar te voren, konnen wij niet afzijn Ulieden ter beantwoordinge van derzelve nadere missive van de 30e dier zelfde maand, te retireren de betuigingen van ons hartelijk leedwezen over de onmogelijkheid, waarin wij ons bevinden, om elk gedeelte van de Republiek compleet te beveiligen, en dus niet te kunnen voldoen aan ulieder verlangen om enige cavallerie in derzelver stad te mogen hebben’.
‘Wij wenschen uit den grond onzes harten, dat de zaaken van de Republiek nog eenen gunstigen keer moogen neemen en een oorlog op aanneemlijke en met ’s Lands belang overeenkomstige conditiën geprevenieerd worden, zonder welk Wij althans tot hier toe geenen kans zien om onze mesures zodanig in te richten, dat onder de Regeering dezer landen niemand gevonden worde, die zich niet verbeelde deswegens redenen van beklag te hebben: eene embarassante positie voor Ons, die niets meer verlangen zouden dan het Vaderland te bevestigen en aan een iegelijk zo veel doenlijk genoegen te geven’.

Uw goedwillige Vriend,
W. Pr. V.Orange.

Terzijde leggen verzoek Stadhouder
Stadssecretaris Van Citters rapporteert op 5 maart 1785 vanuit de statenvergadering over de positie van de Erfstadhouder Prins Willem V. Ter sprake kwam daar een brief van de Stadhouder van de 31e januari ‘houdende de waarachtige sentimenten van hoogstdesselfs hart en ingericht om alle ’s lands ingezetenen te vermanen tot rust, harmonie en gehoorzaamheid’, dit met het verzoek deze brief overal te publiceren.

Het stadsbestuur is het er niet mee dat deze brief wordt verspreid en bekend gemaakt. Het besluit de Goese gedeputeerden ter staatsvergadering mee te geven dat in antwoord op de brief van de Prins ‘behoorde te worden voorgehouden hoe heden door de gunstige Goedheid Gods binnen de provincie, in plaats van een geest van oproer en partijschappen, een gezegende tranquilliteit onder inwoners en burgers huisvest, zonder dat ergens door de Soeverein enige maatregelen tot bewaring van de inwendige rust of het tegengaan van kwade desseinen hebben behoeven genomen te worden en dat hun edelmogenden het daarom niet voeglijk en onnodig oordelen om met een stuk, als Zijne Hoogheid heeft toegezonden, vooruit te lopen en, door dit te laten publiceren, aan de goegemeente in te boezemen alsof hun edelmogenden zich omtrent hun gevoelens en gedrag wantrouwen en dat Zijne Hoogheid daaruit zal overtuigd zijn dat ze zijn verzoek moeten difficulteren’.

Bezoek Stadhouder Prins Willem V aan Zuid-Beveland op 5 augustus 1785
Burgemeester Canisius deelt het stadsbestuur op 4 augustus 1785 mee dat hij van terzijde is geïnformeerd ‘dat een aanzienlijk gezelschap morgen een toer zou komen doen door het Eiland en te Baarland enige verversingen zou gebruiken en dat het waarschijnlijk om Zijne Doorluchtige Hoogheid, de heer Prince van Orange, gaat’. Het stadsbestuur besluit de burgemeesters Canisius en Van Dorth en secretaris Van Citters af te vaardigen om Zijne Hoogheid uit naam van het stadsbestuur te complimenteren en te verwelkomen.
Op de 6e augustus rapporteert burgemeester Canisius, mede uit naam van burgemeester Van Dorth en secretaris Van Citters, ‘dat zij gistermiddag uit naam van het stadsbestuur hun opwachting hebben gemaakt bij Zijne Hoogheid de Prins van Orange, die zich op die tijd te Baarland bevond. Dat de aanspraak die de secretaris Van Citters in termen ter materie dienende aan Zijne Hoogheid had gedaan, door Hoogst Dezelve op de gracieuste en beleefdste wijze onder betuiging van sensibel te zijn voor de attentie die Hun Edelachtbaren ten opzichte van zijn Persoon bewezen, was beantwoord. En dat voorts de receptie van en de behandeling omtrent hen als gedeputeerden aller gedistingeerdst was geweest’.

Bezoek Stadhouder Prins Willem V aan Zeeland op 10 juni 1786
Secretaris Ossewaarde rapporteert omstandig ‘over de arrangementen die gedaan worden ter gelegenheid van het arrivement van Zijne Hoogheid en hare Koninklijke Hoogheid binnen de provincie’. De heren van Middelburg, Vlissingen en Veere sturen particuliere deputaties om hunne Hoogheden te verwelkomen. Hij weet niet of de steden Zierikzee en Tholen dit ook voornemens zijn te doen. Het stadsbestuur besluit de beide burgemeesters naar Middelburg af te vaardigen om met de gedeputeerden van Zierikzee en Tholen te overleggen over het deputeren van dergelijke commissies aan hunne Hoogheden.

Bezoek Stadhouder Prins Willem V aan Goes op 11/12 juli 1786
Op 1 juli 1786 komt er een bericht bij het stadsbestuur over een waarschijnlijk bezoek van de stadhouderlijke familie aan de stad en het eiland. Naar aanleiding van dit bericht besluit het stadsbestuur de burgemeesters en secretarissen te verzoeken ‘de nodige arrangementen te maken om dat illuster gezelschap op een convenabele wijze te ontvangen en zodra zij in het zekere geïnformeerd zijn van de dag waarop Hunne Hoogheden voornemens zijn herwaarts te komen, hoogstdeselve als dan een diner binnen deze stad aan te bieden’.

De regerende en oud-burgemeesters en een van de secretarissen worden afgevaardigd ‘om Hunne Doorluchtige en Koninklijke Hoogheden bij Hoogstdezelve aanstaande arrivement binnen deze stad te complimenteren’. Tevens besluit het stadsbestuur ‘aan Zijne Doorluchtige Hoogheid, de Heer Prins van Oranje en Nassau, gedurende zijn verblijf binnen de stad te defereren het geven van het wachtwoord aan de militie die hier garnizoen houdt’. Zijne Hoogheid zal hiervan kennis worden gegeven.
In de vergadering van de kerkenraad van de Nederduitse gemeente op de 8e juli 1786 ‘geeft de aannaderende komst van Zijne Doorluchtige Hoogheid, den Heer Prins van Oranje, de vergadering aanleiding om de drie moderators en twee ouderlingen te committeren ter begroeting van het Vorstelijk Huisgezin’. Van deze commissie doet de preses ds. Kaas op 15 juli verslag.
De stadsrekening van 1786 vermeldt over het bezoek van de Stadhouder uitgaven aan:

  • Klaas Bosdijk voor kamerhuur en gedane vertering door de officieren van de wacht gedurende het verblijf van Zijne Hoogheid alhier op 11 en 12 juli 1786 £ 8.18;

  • Hendrik van Sprang voor vacatie en verschot aan reis- en teergeld in het gaan naar Nooten in het Land van Axel tot het halen van baars £ 2.4.7;
  • Johannes Bossi voor het gereed maken van een diner op de 11e juli aan Zijne Hoogheid den Heere Prince van Orange en Nassau £ 61.9;
  • de stadsfabriek Metzger voor verschotten tot het zelve diner aan groenten, fruit, brood, vleesch, etc. £ 43.9.11;
  • de conciërge van het stadhuis Paulus Verbeek ter zelver oorzaak £ 8.10.4;
  • Jan van Kogelenberg’s weduwe voor vleesch tot voornoemd diner £ 13.19.4;
  • Pieter Zitters voor levering van boter, eieren, ham, etc. voor hetzelve diner £ 8.17.5;
  • de heer J. Tellinck le Grand voor het gebruik van een tafel- en dessertservies tot voorzeide diner gediend hebbende £ 15.19.10;
  • de heer Van Citters en compagnon voor wijn tot hetzelve diner £ 25.12.5;
  • J. de Feijter junior voor het dessert £ 25.17;
  • Cornelis Bakker’s weduwe voor het gebruiken van tafelgoed £ 2.5.8;
  • J. Diephuizen’s weduwe ter zelver oorzaak £ 1.16.8.

Ordeverstoring door Jan Caduy bij bezoek Stadhouder
Het stadsbestuur overweegt ‘dat zodanige zaken niet ongemerkt kunnen worden gepasseerd en anderen ten exempel moeten worden gestraft’. De vier getuigen worden staande de vergadering ontboden om over dit voorval opening van zaken te geven. Het viertal verklaart ‘dat Jan Caduy zich gepasseerde donderdagochtend in dier voege zou hebben uitgelaten dat er vier statenboden waren gekomen om de Prins te ontbieden en dat, als hij de Staten was, hij de vent na de Donder zou schoppen’.
Daarop wordt Jan Caduy gelast om aanstonds in gijzeling te gaan op de gijzelkamer van het Stadhuis en daar op zijn kosten gijzeling te houden. Alleen die van zijn huisgezin mogen hem af en toe bezoeken tot de tijd en wijle dat het stadsbestuur hierover nader zal hebben besloten.

Jan Caduy gevangen in de gijzelkamer van het Stadhuis
De verklaring over het uiten van oproerige taal door Jan Caduy ter gelegenheid van het bezoek van Prins Willem V is vermeerderd met de handtekeningen van nog enige personen. Daardoor is ten klaarste gebleken dat Jan Caduy zich schuldig heeft gemaakt aan de daad, welke anderen ten exempel dient te worden gestraft. Het stadsbestuur besluit de zaak in handen te stellen van de baljuw om tegen Caduy crimineel te procederen. In een uitvoerige brief verklaart Jan Caduy dat hij het allemaal niet zo scherp bedoeld heeft. Hij verzoekt op 22 juli 1786 hem vanwege z’n hoge leeftijd van 75 jaar te ontzien. Deze brief wordt in handen gesteld van de heren van de wet.

Als hij bijna drie maanden op de gijzelkamer van het Stadhuis heeft doorgebracht betoogt Jan Caduy op 7 oktober 1786 ‘dat hij door de handelingen van Prins Willem V wel gelijk heeft gekregen in zijn uitdrukkingen. De Prins heeft de inwoners van Elburg en Hattem volgens hem zeer onrechtvaardig behandeld en heeft daarvoor nu de schop gekregen’. Hij verzoekt om eerherstel. Het stadsbestuur wijst dit in meerderheid van de hand. Het is opmerkelijk dat hetzelfde drietal, dat enige tijd terug opponeerde, te weten P. Ossewaarde, mr. W.C. de Crane en P. Boreel de Mauregnault, nu ook met de meerderheid niet meegaan maar van mening zijn dat Jan Caduy eerherstel moet krijgen.
In september 1787 vernemen we nog iets over Jan Caduy. Het stadsbestuur machtigt dan de stadsdirecteuren om over de invordering van het recht van exue van de goederen van Jan Caduy, die metterwoon naar Haarlem zal vertrekken, zodanig te accorderen als zij naar redelijkheid en tot het meeste voordeel van de stad zullen oordelen.

Viering verjaardagen stadhouderlijke familie
Begin augustus 1787 blijkt dat de verjaardag van Hare Koninklijke Hoogheid, de Princesse van Orange en Nassau, in andere steden min of meer luisterrijk zal worden gevierd op aanstaande dinsdag. Het stadsbestuur besluit op deze dag op dezelfde wijze te handelen als op de gepasseerde 8e maart, de verjaardag van de Stadhouder Prins Willem V. Met grote nadruk wordt voor die dag verboden het rondlopen langs de huizen tot het eisen van drank.
De overdekenen van het schippersgilde, het Nassaugilde van de bierdragers en het Sint Jansgilde van de arbeiders worden verzocht door hun dekenen te laten gelasten dat deze dag niet tegen de intentie van het stadsbestuur wordt doorgebracht.

Staatscommissie tot herstelling van de rust in het land

Gecommitteerde Raden van Zeeland schrijven op 22 oktober 1787 ‘dat de Heren, door Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins gemachtigd tot herstelling van de rust, daar de Stadhouder zich zelf in ongelegenheid bevindt om zich in persoon naar deze provincie te begeven, zijn gearriveerd’. Afgevaardigd zijn mr. Coenraad Le Leu de Wilhem, Gerard van Minnighem en Pieter Alexander Baron van Boetselaar, raden in den Hove Provinciaal. Gecommitteerde Raden geven in overweging, ‘wanneer de nood zulks vereist’, deze gemachtigden van Zijne Doorluchtige Hoogheid uit te nodigen en hun commissie ook binnen de stad Goes werkstellig te maken. Het stadsbestuur besluit daarop deze Heren te verzoeken zich ook naar Goes te begeven om de klachten en bezwaren van de ingezetenen te horen en, als ze deze gegrond bevinden, op een billijke wijze te redresseren.

De gecommitteerden van Zijne Doorluchtige Hoogheid schrijven op 29 november 1787 vanuit Vlissingen dat ze voornemens zijn op vrijdag of uiterlijk zaterdag aanstaande ter aflegging van hun commissie zich naar de stad Goes te begeven. Het stadsbestuur besluit de regerende burgemeesters en een van de secretarissen aan te wijzen om de Heren bij hun aankomst uit naam van het stadsbestuur te complimenteren en hen tot voldoening van hun commissie een van de vertrekken van het Stadhuis en een stadsbode aan te bieden. Verder wordt de voorzittende burgemeester verzocht de commandant van het garnizoen te gelasten dat de Heren dagelijks de gewone rapporten worden overhandigd en verder zodanige honneurs worden gegeven als men aan een Staatscommissie gewoon is te doen. Ook wordt besloten dat bij de aankomst en het vertrek van de Heren, indien dit op de dag geschiedt, ‘deze telkens met 21 schoten van de stadswal zullen worden gesalueerd’.

Bezoek Staatscommissie op 2 december 1787

De burgemeesters en secretaris Van Citters rapporteren op 8 december 1787 over hun bezoek aan de gedeputeerden van de Stadhouder bij hun aankomst te Goes. Ze hebben de heren gecomplimenteerd en op hun verzoek overhandigd alle de boeken en papieren, gevonden bij het plunderen van het huis van Abraham Staal en in handen van het stadsbestuur gekomen, alsmede enige extracten uit resoluties van het stadsbestuur met betrekking tot de voorgevallen beroeringen binnen de stad.
Ook is er een gesprek met een deputatie uit de kerkenraad van de Nederduitse gemeente. Ds. Kaas rapporteert op de 8e december dat, ingevolge de resolutie van de kerkenraad, hij met zijn medegedeputeerden ds. Lotchius, ds. Van der Grijp en ds. De Stoppelaar, en de ouderlingen Stokmans en de Jongh, ‘den 2e dezer opgewacht en met zegenwensch begroet heeft de edelmogende heren gedeputeerden van Zijne Doorluchtige Hoogheid, den Heere Prince van Orange, afgezonden ter herstelling van de ruste in deze Zeeuwsche Provincie’.

Opmerkelijk verzoek van Walcherse landlieden

Enige landheren binnen Walcheren verzoeken begin januari 1788 dat ‘de Staat van Eerste Edele worde verklaard erfelijk in de afstammelingen van het Huis van Orange, thans bekleed met de waardigheid van Erfstadhouder’. Het stadsbestuur wil over deze actie eerst afstemmen met de andere Zeeuwse steden.

Viering verjaardag Stadhouder op 8 maart 1788

Op 23 februari 1788 blijkt het stadsbestuur dat bij gelegenheid van de aanstaande verjaardag van de Erfstadhouder Prins Willem V in verscheidene plaatsen en steden van Zeeland zal worden geïllumineerd. ‘Bespeurd is het verlangen van vele burgers en ingezetenen bij de gelukkige omwenteling van zaken in de Republiek in vorige jaren om deswegens hun genoegen door het aansteken van illuminaties te kennen te geven’. Het stadsbestuur besluit ter gelegenheid van de verjaardag van Zijne Doorluchtige Hoogheid op de 8e maart te bepalen, dat een ieder zijn genoegen over deze gebeurtenis te kennen geve met het aansteken van illuminaties van ‘s avonds 9 uur tot ’s nachts 12 uur, terwijl aan een ieder wordt toegestaan voetzoekers en andere vuurwerken op deze dag af te steken tot ‘s avonds half negen op de Grote Markt, op een behoorlijke afstand van de militaire wacht, op de Vlasmarkt en op de Beestenmarkt. De burgerij wordt hiervan bij publicatie kennis gegeven.

Hernieuwde trouw aan Stadhouder Prins Willem V

De Staten van Zeeland schrijven op 1 maart 1788 een algemene dank-, vast- en bededag uit tegen woensdag de 19e maart. Hiervan wordt aan de predikanten in de stad en het eiland kennis gegeven.
Alle bedienden en degenen die in relatie staan tot het stadsbestuur moeten in juli 1788 de eed van getrouwheid aan de Stadhouder afleggen.

Ter gelegenheid van het huwelijk van de Erfprins van Oranje met de Prinses van Pruisen besluit het stadsbestuur op 1 november 1791 de dag van morgen te bepalen tot viering met het gewone teken van vreugde, het uitsteken van de vlaggen van de stadhuistoren en met het spelen van de klokken des morgens om 8 uur, des voormiddags om 11 uur en des namiddags om 4 uur. De organist Heinrichs wordt hiervan kennis gegeven. De predikanten wordt verzocht te bidden voor mevrouw de Prinses Gemalinne van de Erfprins in de Nederduitse en Waalse kerken.

Op 15 december 1792 komt bericht van de Staten van Zeeland dat de gebeden die in de publieke kerken voor de gelukkige verlossing van Hare Koninklijke Hoogheid de Princesse, gemalin van de Erfprins van Orange en Nassau zijn gedaan, in dankzeggingen zullen worden veranderd en voorts om een spoedige herstelling van de vorstin zal worden gebeden.

Hogere overheden

Ter gelegenheid van een nieuw jaar sturen de gecommitteerden in hogere overheden als naar gewoonte hun nieuwjaarswensen. Het gebeurt doorgaans in hoogdravende taal zoals in 1788.

De gecommitteerde Leijdekker de Bruijn schrijft vanuit Middelburg: ‘Indien mijn wenschen vervuld, mijn gebeeden verhoord worden, dan zal de keure van ’s Hemels beste Zegeningen vermits de gelukkige omwenteling der publieke zaaken, soveel als ooit op de persoonen en familiën van uw edelen bestendig rusten’. En gecommitteerde J.W. van Roseveld schrijft vanuit Middelburg: ‘… dat Uw edelachtbaren door des Heeren Voorsienigheid in staat zijt, ten beste van het Lieve Vaderland, in deese hachelijke en veruytsiende dagen, wel moge gelukken. En dewijl wij het geluk weder hebben mogen genieten, niettegenstaande de gevreesde vooruitzichten, van zo een onverwagte en schielijke omwenteling van zaaken, de oude constitutie te zien hersteld en Zijn Doorluchtige Hoogheid, onze dierbare Erfstadhouder daardoor in zijn ambten hersteld…’. En J.B. Petreus uit ’s Hage hoopt en wenst ‘dat uw agtbaren met de vernieuwing van hetselve een ruimen overvloed van vernieuwde Zegeningen ondervinden, dat de herkomene rust en eensgezindheid bestendig mag gevestigd blijven door alle de wentelende eeuwen, dat de stille en weldenkende ingesetenen uwer plaats bij voortduring alle hare wettige voorregten mogen blijven genieten….’. Ook C.J. van Lichtenbergh uit ’s Hage wenst alle goed toe ’tot herstel van alles wat herstel vordert, tot behoud en welzijn van het eertijds zoo bloeijend doch in de laatste afgelopene jaren zoo deerlijk gefolterd en zo jammerlijk geteisterd Vaderland’.

De nieuwjaarswensen ter gelegenheid van het nieuwe jaar 1790 geven uiting aan de zorgvolle tijdsomstandigheden. Zo schrijft gecommitteerde C.J. van Lichtenbergh uit ’s Hage: ‘De algenoegzame God, Die naar het voorschrift Zijner oneindige Wijsheid het lot der Volken rigt, bewaare ons lieve Vaderland in de criticque tijden die wij beleeven, waarin bijkans geheel Europa in tweedragt zijnde, het niet te voorzien is wat er gebeuren kan; het vuur ontstoken zijnde, aan alle onze Frontieren: de Hemel zegene de maatregelen van wijsheid en voorzichtigheid die bereids genomen zijn en nog verder staan genomen te worden…’.

Op de 7e april 1789 komt er bij het stadsbestuur een brief van de Staten van Zeeland binnen met de wens om een delegatie uit hun midden in audiëntie te ontvangen en om met het stadsbestuur te spreken over de invoering van de 25e penning om de Oost-Indische Compagnie te ondersteunen. De delegatie zal bestaan uit de heren mr. Jacob Hendrik Schorer, pensionaris van de stad Middelburg, mr. Frederik Frans Lodewijk Pessel, pensionaris van de stad Vlissingen, en mr. Daniël Pieter de Mauregnault, burgemeester en pensionaris van de stad Veere, benevens de raadpensionaris mr. Willem Aarnout van Citters.
De heren arriveren ’s daags tevoren met een ’s Lands jacht. De beide regerende burgemeesters en secretaris Van Citters verwelkomen de heren.
De heren Canisius, Van Dorth, Keetlaar en Van Citters, gezeten in vier koetsen, voorafgegaan en gevolgd door een detachement grenadiers, begeven zich naar het jacht. Iedere heer van de Statencommissie neemt plaats aan de rechter zijde van de gedeputeerden van het stadsbestuur. Gereden wordt langs het paraderende garnizoen op de Markt en de hoofdwacht op het Stadhuis. ‘Daarna wordt de delegatie in de vergadering van het stadsbestuur geleid, waar hun edelmogenden gezeten op het hoogeinde van de tafel bij monde van Raadpensionaris Van Citters, nadat hun edelmogenden en hun edelachtbaren zich alvorens hadden gedekt, hebben voorgedragen hun commissiën, behelzende in het brede een aandrang van redenen en argumenten om het stadsbestuur nogmaals over te halen tot consent in de heffing van de 25e penning en de zekere verwachting van het onherstelbaar verlies, bij aldien door het gemis van assistentie de Oost-Indische Compagnie moet verloren gaan. Daarna zijn de gedeputeerden weer naar het jacht geleid’.

Functies en bedieningen

In maart 1785 overlijdt de Fiscaal van het landrecht Zacharias Coenraats. Terwijl de doodsklok anderhalf uur luidt wordt hij begraven in de nederkerk. Het stadsbestuur besluit dat de nieuw aan te stellen Fiscaal borgen dient te stellen voor de administratie van de penningen die hij onder zijn beheer zal krijgen. Tevens wordt besloten de resolutie van 15 februari 1755, waarbij de Fiscaal van het landrecht is vrijgesteld van de impost van koets- en paardegeld, in te trekken. Tot nieuwe Fiscaal van het landrecht wordt aangesteld Jacobus Dominicus.

Het stadsbestuur besluit in mei 1785 de procureur Cornelis Dijkwel op zijn verzoek ontheffing te verlenen ‘om ten allen tijde, wanneer hij geen zaken ter Rolle van de vierschaar en het landrecht zal hebben, te moeten compareren en dit om zijn klimmende jaren en zwakke lichaamsgesteldheid en omdat het stadsbestuur, prijs stellende op zijn merites, de continuatie van zijn dienst in deze post noodzakelijk oordeelt’.

Van bijzondere betekenis voor Goes is de aanstelling in augustus 1785 van mr. Laurens Pieter van de Spiegel, thans secretaris van het land ofwel van de Staten van Zeeland, tot het ambt van raadpensionaris van Zeeland in de plaats van mr. Johan Marinus Chalmers. Dit levert nog een dissonant op. Het stadsbestuur komt in september extra-ordinair bijeen om te overleggen over een brief van secretaris Ossewaarde uit de statenvergadering. Het gaat om de wijze van aanstelling van Van de Spiegel. De gedeputeerden van Middelburg zijn voornemens voor te stellen, uit hoofde van de personele kwaliteiten van Van de Spiegel, hem enig meerder traktement toe te leggen zodra de provinciale financiën in betere staat zijn of wanneer men ontheven is van het pensioen van de vorige raadpensionaris Chalmers. Eenparig wordt hiermee akkoord gegaan.
Mr. Aarnout Wilhelm van Beveren, pensionaris van de stad Middelburg, volgt Van de Spiegel op als secretaris van de provincie Zeeland.
Als mr. L.P. van de Spiegel in april 1788 promoveert tot Raadpensionaris van Holland, draagt het stadsbestuur stadgenoot mr. W.A. van Citters, oud-burgemeester en raad van de stad Middelburg, voor als Raadpensionaris van Zeeland.

Eind december 1785 deelt de heer J.B. Petreus het stadsbestuur mee dat hij voornemens is om bij Gecommitteerde Raden en ter Admiraliteit zijn ontslag te vragen als Ontvanger van de tol en de konvooien en licenten. Dit houdt verband met zijn benoeming tot Commies ter griffie van Gecommitteerde Raden van Zeeland. In de plaats van Petreus beveelt het stadsbestuur als Ontvanger van de tol en de konvooien en licenten aan de heer Daniël de Meyer. Raadsheer Van Rosevelt wordt verzocht het daarheen te leiden dat De Meijer bij Gecommitteerde Raden en ter Admiraliteit in die posten wordt aangesteld. Dit gebeurt ook. Maar in november 1791 verzoekt De Meijer ontslag als licentmeester en ontvanger van de grafelijke tol. In zijn plaats komt Michaël Constantijn van Dorth.

Vanaf 1786 worden tot stadsrentmeesters aangesteld Jan de Fouw Lzoon tot administrerend rentmeester en Jacobus Willem de Jonghe tot toeziend rentmeester.

Stadgenoot Adrianus de Jongh krijgt in februari 1787 ‘favorabele’ brieven van voorschrijving aan de Staten van Zeeland om te worden toegelaten tot notaris. Hij heeft zich sinds een geruime tijd op het kantoor van notaris Jan de Fouw Lzoon geoefend in de notariële praktijk. Een maand later geeft het stadsbestuur hem toestemming om het notarisambt binnen Goes uit te oefenen. In september 1790 wordt ook Franciscus Henricus Wagenaar aangesteld tot procureur voor de gerechten en het landrecht van de stad. Tevens mag hij het ambt van notaris uitoefenen in de stad.
Het stadsbestuur overweegt in december 1792 ‘het geringe getal van practisijns, tegenwoordig voor de gerechten en het landrecht van de stad postulerende, terwijl daar noodzakelijk op de een of andere wijze in dient te worden voorzien’. Besloten wordt bij publieke advertentie in enige couranten bekend te maken ‘dat iemand, de vereiste bekwaamheid en genegenheid hebbende, mits van goede getuigenissen voorzien om als procureur te postuleren, zich in persoon of bij missive kan adresseren bij de regerende burgemeesters van de stad’.
Als procureurs treden deze jaren op C. Dijkwel, J. de Windt, G. van der Hoek en H. Roeff.

In juli 1787 krijgt de heer A. van Tilburgh op zijn verzoek ontslag als gecommitteerde van het eiland. In zijn plaats wordt benoemd de heer Martinus Slabber. De andere gecommitteerden van het eiland zijn Q. Dominicus en W. de Fouw. Slabber wordt in mei 1788 benoemd tot lid van het stadsbestuur en bedankt daardoor als gecommitteerde van het eiland. In zijn plaats wordt aangesteld de heer Adrianus de Jongh, secretaris van ’s Gravenpolder.

In september 1787 komt de functie van President in de Hoge Raad vacant door het overlijden van mr. W. Paauw. Er gaat een staatscommissie namens de provincie Zeeland naar ’s Hage om met de Staten van Holland te formeren een nominatie tot het verkiezen van een nieuwe President in de Hoge Raad. Namens Goes zal aan de staatscommissie deelnemen de voorzittende burgemeester van de stad, mr. D.C. Keetlaar.
Door het overlijden van Francois de Keijser in november 1787 komt de functie van ontvanger voor de 100e en 200e penning vacant. Het stadsbestuur beveelt bij Gecommitteerde Raden voor benoeming aan de heer P.A. Boreel de Mauregnault, schepen en raad van de stad.

Van andere orde is in september 1787 de aanstelling van een conciërge van het stadhuis. De stadsbode Johannis van Sieberge en de conciërge van het stadhuis tevens stadsbode Paulus Verbeeke zijn met elkaar, onder goedkeuring van het stadsbestuur, overeengekomen dat Van Sieberge aan Verbeeke afstaat zijn functie van stadsbode. Van Sieberge wordt derhalve ontslag verleend als stadsbode en Verbeeke wordt tot stadsbode aangesteld. Verbeeke zal daardoor profiteren alle voordelen en emolumenten die Van Sieberge genoot. Daaronder is ook begrepen een derde gedeelte voor de uitdeling van de vivres aan het garnizoen en de helft van het derde gedeelte van het marktmeesterschap. Verbeeke is wel verplicht aan Van Sieberge een uitkering van £ 50 Vlaams per jaar te doen. Verder bepaalt het stadsbestuur dat, als een van de stadsboden mocht komen te overlijden of op andere wijze uit zijn post wordt ontzet, Verbeeke op de voet van aanstelling direct zal vallen in het volle genot van die vacature. Bij het overlijden van stadsbode Cornelis van der Heiden in 1788 komt dan ook het volle genot van de emolumenten van zijn ambten als stadsbode en conciërge van het Stadhuis aan Verbeeke toe. De twee andere stadsboden zullen voortaan tevens fungeren als marktmeesters.

Op de 8e december 1787 besluit het stadsbestuur Gecommitteerde Raden te verzoeken om voor het garnizoen ‘binnen de stad te doen maken een Provoost en aan te stellen een geweldige provoost op een sortabel traktement’. Gecommitteerde Raden dragen ’s Lands Fabriek op de plaats op te nemen die tot een Provoost ingericht kan worden en de verbeteringen die zowel aan de hoofd- als officierswacht zijn gedaan. Het stadsbestuur draagt de stadsdirecteuren op met ’s Lands Fabriek te overleggen over de plaats en op hoedanige wijze deze Provoost het beste zal kunnen worden tot stand gebracht.

Gecommitteerde Raden berichten in juni 1788 op het ingediende verzoek van het stadsbestuur ‘dat ze, vanwege de onzekerheid dat een zo groot garnizoen als sedert de laatste differenten met de Keizer binnen deze stad zal blijven, moeten difficulteren het vervaardigen van een bekwaam gebouw om tot een Provoost te worden gebruikt’. Ook kunnen ze niet voldoen aan het verzoek tot aanstelling van een persoon tot provoost ‘als zijnde eigener autoriteit onbevoegd nieuwe ambten te creëren’. En wat betreft het verzoek tot restitutie van de kosten tot vergroting van de hoofdwacht en het bouwen van de officierswacht ‘kunnen zij niet nalaten op te merken dat dit zonder hun voorkennis niet had behoren te geschieden, maar ze willen dit verzuim wel toeschrijven aan de confuse tijdsomstandigheden en zijn derhalve bereid een bedrag van £ 159.10 te vergoeden’. Het stadsbestuur besluit zich over het bouwen van een Provoost en de aanstelling van een Provoost geweldiger tot de Staten te richten.
In augustus delibereert het stadsbestuur opnieuw over het voor het garnizoen oprichten van een Provoost en het aanstellen van een persoon tot ‘geweldige Provoost’. De gedeputeerden naar de staatsvergadering worden gelast deze zaak nogmaals te bepleiten ‘en dit om redenen dat het garnizoen, dat jaren achtereen uit een zeer klein getal militie heeft bestaan, sedert drie à vier jaren van tijd tot tijd en toen, gelijk nog tegenwoordig, behalve een klein detachement artilleristen tot een geheel bataljon infanterie is vermeerderd. En dat het stadsbestuur, om aan het dagelijks defect van een Provoost te remediëren, al dikwijls geleend hebben een van de stads gevangenvertrekken, doch deze kunnen op den duur voor het eigen gebruik niet gemist worden’.

Dat Gecommitteerde Raden op dit verzoek provisioneel disponeerden ’s lands Fabriek ter plaatse hebben doen opnemen op hoedanige wijze binnen de stad gevoeglijk een bekwame plaats tot een provoost zou kunnen worden gesticht, hetzij daartoe een bekwaam gebouw voor handen was, hetgeen bij inkoop of huur kan gebruikt worden, hetzij desnoods een gebouw moest worden gesteld met specifieke opgave van kosten. Dat Gecommitteerde Raden dit verzoek hebben afgewezen vanwege de onzekerheid over de vraag of er in de toekomst ook zo’n groot getal garnizoen zal benodigd zijn. Het stadsbestuur is van dit argument niet overtuigd. Immers Zijne Hoogheid heeft bij zijn aangenaam aanwezen binnen de stad in conversaties met voorname leden der regering niet onduister doen blijken dat sinds de evacuatie van Lillo en Liefkenshoek, hij deze stad beschouwt als een Frontier en dienvolgens noodzakelijk om met een garnizoen meer of min sterk als toen voorzien te worden. Op welke grond dan ook, ten einde eens voor al uit de weg te ruimen de mogelijkheid om de burgerij met inkwartieren te bezwaren, het stadsbestuur zich kort daarna voor een gedeelte bij inkoop meester heeft gemaakt van een gebouw en dit zodanig heeft laten geschikt maken dat daarin een geheel bataljon kan worden gehuisvest. Het garnizoen is sinds enige jaren ook op dezelfde sterkte gebleven, ja zelfs kort na de gelukkige omwending vermeerdert met een klein detachement artillerie.
Zoals dat gebrek tegenwoordig wordt vervuld, is dit aan zoveel inconveniënten onderworpen, aangezien de militaire gevangenen door geen bedienden van de civiele justitie kunnen worden bezorgd en opgepast, men dagelijks de ingangen tot de gevangenvertrekken op het stadhuis aan de militairen genoodzaakt is toe te vertrouwen, behalve dat deze gevangenvertrekken niet veel langer voor de militie kunnen ingeruimd worden. Opnieuw verzoeken ze om een Provoost te maken en een persoon tot geweldige Provoost op een redelijk traktement aan te stellen.

Op 21 januari 1789 beraadslaagt het stadsbestuur over de invulling van het ambt van raadsheer in de Hoge Raad van Appel, vacant gekomen door de bevordering tot President van het lid namens Goes mr. Boreel de Mauregnault. Hiervoor worden genomineerd mr. Johannis Pols, baljuw van de stad, mr. W. Canisius, regerend burgemeester en raad van de stad, en mr. A.W. van Citters, Heer van ’s- Gravenpolder, raad en secretaris van de stad. De baljuw mr. Johannis Pols promoveert tot lid van de Hoge Raad. Pols vraagt daarop ontslag als baljuw en stedelijk schout.
Voor de vervulling van het vacerende ambt van baljuw en schout worden genomineerd B. Verselewel van de Bilt, schepen en raad, mr. W. Canisius, regerend burgemeester en raad, en mr. J.A. van Dorth, regerend burgemeester en raad. De Erfstadhouder benoemt tot baljuw Boudewijn Verselewel van der Bilt.

Er komt een rouwbrief bij het stadsbestuur binnen van de heer W.A. Baron van Lynden van Blitterswijk uit ’s Hage met kennisgeving van het overlijden op 2 maart 1790 van zijn gemalin, de hoogedelgeboren Vrouwe Maria Elisabeth Baronesse van Lynden van Blitterswijk geboren Radermacher. Er wordt een condoleance verstuurd.

In augustus 1791 overlijdt het Goese lid van Gecommitteerde Raden van Zeeland, mr. J.W. van Roseveld. In de vacante plaats namens Goes wordt aangesteld mr. Willem Canisius, oud-burgemeester en raad van de stad en wel voor zijn leven lang op een jaarlijkse recognitie van £ 40.

In de plaats van de overleden Evert van Nakke stelt het stadsbestuur in januari 1792 Lieven van Loo aan tot omroeper. Bepaald wordt ‘dat hij ook in de Korte Kerkstraat bij de kerk, in het midden van de Grote Markt en op het einde van de Voorstad zal hebben te roepen’.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1785 - 1792

1785


Ontvangen van Evert van Nakke een recognitie als stadsomroeper van £ 5.6; Thomas Bakers een recognitie als postmeester van £ 4; J.B. Petreus een recognitie als licentmeester van £ 6; Jan de Fouw een recognitie als eerste griffier van £ 6.17 en Jacobus de Jongh als tweede griffier van £ 4; Johan Michael Heinrichs traktement als organist £ 41.13.4 en als klokkenist een traktement van £ 33.6.8; ’s Heeren dienaars en klokluiders voor het inluiden van de kermis £ 1; Pierre Aviola als klokluider van de Waalse kerk £ 2.13; Hendrik Visser voor het schoonmaken van het visperk en de trappen alsmede om allerlei vuiligheid weg te doen £ 3.3.
Betaald aan Jan Zeevaart voor levering van boeken, pennen, papier etc. £ 38.1; Willem Hoevens voor aangenomen werk aan het trekpad aan de Havendijk £ 5; Nicolaas van Steveninck voor geleverde wijn aan de Waalse kerk £ 8; Francois Paulusse voor het halen van 35 bakken schelpen £ 5.5; wagenmaker Samuel Vertregt voor twee nieuwe wielen aan stads vuilkarren £ 3.3.8; Jan Zoutendam voor twee zakken koolzaad voor het ijken van stadsmaten £ 2.4; Abraham en Johannes de Smit voor het leveren van 100 ponden buskruid £ 6.14; Arnoldus de Haas voor het leveren van 24 geweren met bajonetten, 38 sabels, 44 port d’epees en 42 patroontassen £ 99; Martinus Slabber voor 52 geweren £ 81.0.5; de weduwe C. Timmer voor levering van 30.000 klinkers £ 58.0.19; Lieven van Loo voor het halen van 50 schuitjes zand en 10 bakken schelpen £ 14.0.10; aan het weeshuis voor het wieden van de markten £ 7; Willem Ribbe voor het schuren van de haven met de mol £ 0.10.6; de smid Abraham Meytak voor het beslaan van stadspaarden en levering van een ijzeren kachel £ 8.9; Jacobus van Kleinputte van de oliemolen de Hoop voor 4 aam en 30 stoop raapolie £ 40.17; Leendert van der Weele voor levering van nieuwe en reparatie van oude lantaarns £ 17.15; Jacobus van Oostveen voor levering van patroontassen, port d’epees £ 22.14; Cornelis Kotvis voor reparatie van stadstrommels £ 2.13; kaarsenmaker Henricus Johannes van ’t Hof voor levering van kaarsen £ 21.16; Johannes Verwest voor 50 sabels £ 22; timmermansbaas Jacob Walraven voor levering van trommelstokken £ 1.3; Cornelis Pieterse voor olie en smeekolen voor het tekencollege £ 1.13 + Philippus de Wijs voor levering van kaarsen aan dit college £ 8.6; Marinus Harinck voor levering van houtwaren £ 109; Francois van Balen wegens levering van 26 steenkaarsen aan het tekencollege £ 7.16 en Krijn Hendrikse voor levering van 125 plantbomen £ 5.16 + 125 olmenbomen £ 7.10.

1786

Betaald aan ds. J.A. Bevier, Frans predikant, voor het transport van zijn goederen £ 12; de boekhandelaar Francois Oversluis voor levering van boeken, pennen, papier etc. £ 24.0.6; de baljuw Nicolaas Eversdijk voor verschot aan kleren voor ’s heren dienaars £ 41.16.6; Lieven van Loo voor het halen van tien schuitjes plaatzand £ 2.10; de koster J.I. Pieterse voor het brengen van een beroepbrief aan ds. De Stoppelaar te Steenbergen op 19 april 1786 £ 3.8.7; ds. W.G. van der Grijp namens de Classis Zuid-Beveland voor de approbatie van het beroep van de predikant Johan de Stoppelaar op 19 september 1786 £ 15.1; aan het gefungeerd hebbende Genootschap ‘De Vrijheid’ voor overgenomen 231 pond buskruid £ 15.0.7; Johannes van Overbeek voor het stemmen van het orgel in de Grote Kerk £ 10; Pieter Paauwe en Jan Baden voor vijf dagen assistentie ten dienste van de inspecteurs van de stadshaven van 27 tot 31 maart 1786 elk £ 1 en Pieter Paauwe eveneens voor vier dagen van 5 tot 19 mei 1786 £ 0.16; Pieter den Boer voor twaalf reizen met zijn vaartuig in de maanden maart en mei 1786 £ 5.19.4; Klaas Bosdijk voor gedane vertering door de inspecteur Noordhoeve, de stadsfabrijk Metzger en de landmeter Boeren bij de inspectie van de stadshaven £ 32.18; de inspecteur Noordhoeve, de landmeter Laurens Boeren en de stadsfabrijk Metzger voor vacatiën in het formeren van een Plan voor een nieuwe haven met de beraming van kosten 93 dagen à £ 1 daags in maart en mei 1786 £ 93; de weduwe van Pieter de Vos voor verteringen ten haren huize door voornoemde personen £ 2; aan ds. J. de Stoppelaar voor verschotten bij zijn overkomst als predikant van Steenbergen naar Goes met de toeleg voor het transport van zijn goederen £ 66; ds. J.L. Lotchius voor verschot aan de Classis van Zuid-Beveland wegens de approbatie van Frans Schoonderwalt als schoolmeester met briefport £ 1.0.6; de smid Leendert van der Weele voor het maken en repareren van lantaarns en verdere leveranties in 1786 £ 29.9.3; Evert van Nakke voor levering van teer en zeilen £ 7.7.2; Jacobus Willemsen voor levering van zes aam lijnolie £ 62.2; Pieter de Jongh voor levering van drie vaandels £ 5.13.4; kaarsenmaker Jacobus de Jongh wegens levering van kaarsen £ 27.14; scheepstimmerman Andries Welle voor een Riga’se spar £ 0.0.6; Govert Klemkerke voor levering van zadelmakers- en touwwerk £ 15.18.1; Abraham Meytak voor het beslaan van stadspaarden £ 4.2.6; Pieter Fabrij voor een nieuw peer ijzer in de windmolen £ 3.14; Cornelis Kotvis voor reparatie aan de stadstrommels £ 2.5.2; Marinus Ramondt voor een zeebaken en kuiperswerk £ 1.16; Hendrik Mackay weduwe voor geleverd brood aan de gevangenen in 1786 £ 2.2.7; Crijn Hendrikse voor levering van 225 olmenbomen £ 15.15.

1787

Ontvangen aan pacht van de stads zoete veste door Jacobus van Kleijnputte £ 13; van Francois de Keijser voor de oude haven £ 1; van de zoute vest door Marinus Harinck £ 4.10; de houtzaagmolenaar Marinus Harinck voor het gebruik van de zoute veste om zijn hout in te leggen £ 2; de molenaar Arnoldus de Haas voor de wal van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en het zogenaamde Gansenest tot bij de afschutting achter de schuur bij Marinus Boogaard £ 3; Adam Mange van de dijk van de sluitboom achter de keet van de heer Francois de Keijser tot aan de Boom bij het buitengerecht £ 6; van de wagenmaker Samuel Vertregt voor het leggen van zijn hout tegen de wal bij de ’s Heer Hendrikskinderenpoort £ 1 en de wagenmaker Marinus van Leeuwen op het plein buiten de Ganzepoort £ 0.6.8.
Betaald aan Willem Hoevens voor het verhogen van het Trekpad aan de Havendijk £ 5; Abraham en Johannes Smit voor 200 ponden buskruit met de vaatjes £ 11.8.6; Pieter Seijbel voor twee zware moerbalken van de afbraak van het Slot Gistellis te Kapelle £ 4.10.6; Johannes van Overbeek voor het stemmen van het orgel in de Grote Kerk £ 10; Marinus Ramond voor twee zakken zaad tot het ijken van stadskorenmaten £ 2.8; Jacob Tavenier voor het leggen van twintig roeden straatpad in de Voorstad £ 9.5; Abraham en Johannes de Smit voor 200 ponden fijn buskruit £ 11.1; aan het weeshuis voor het wieden van de markten £ 7; Willem Ribbe voor het acht maal de stadshaven te mollen £ 1.8; Jacob van de Kreke voor het draaien van 24 staven voor de molen £ 1.4; Hubregt Nobel voor zeilmakerwerk aan de brandspuiten £ 6.10.6; scheepstimmerbaas Andries Welle voor twee bomen voor de havenmeester £ 0.12.8; Mattheus Smits voor levering van 23000 straatstenen £ 143.15; Pieter de Jongh voor 90 ellen Saaij voor een vlag op de 24e augustus 1787 £ 14.5; Johannes van Huisen voor een koperen kraan aan de waterkorenmolen £ 3.10.9; voor de helft in het Oude Manhuis, aangekocht volgens resolutie van 13.12.1786, £ 521; Johannis de Koninck voor koop van de helft van 80 bedden, 160 paar lakens en 160 dekens voor het Manhuis £ 250 en voor de helft in de koop van 50 bedden, 100 dekens en 100 paar lakens met het naaien en verschot £ 213.10.9.

1788

Ontvangen van de provincie Zeeland bij restitutie wegens het 1/3 vergroten van de Hoofdwacht en het daar aan maken van een nieuwe officierswacht in 1787, waarvan de kosten onder de ordinaire reparaties aan stadswerken over dit jaar zijn verantwoord £ 159.10; van het detachement Artillerie, in garnizoen liggende, wegens huur van een gedeelte van het huis ten name van Leendert Reijnhout, aan de stad vervallen zijnde, van februari tot en met oktober 1788; de sergeant George Scott huurt het andere gedeelte van dat huis voor veertien stuivers per week van mei 1788 tot half juni 1789.
Betaald aan Philip Pruijs als oppasser van de zwanen in de vesten £ 2.12; Janis Verplakke voor het sluiten en ontsluiten van de Hoofdpoort en de Bleikveldse Poort £ 2; Lein Sanderse voor het sluiten en ontsluiten van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort £ 2; Gerrit van der Schep te Dordrecht voor leverantie van een nieuwe roggelskop voor de windmolen £ 18; Jan van der Linden voor levering van een molensteen £ 24.10; Johannes van Overbeek zijn traktement als orgelmaker £ 10 en voor het repareren van de blaasbalgen van het orgel £ 2.13; kaarsenmaker Pieter Goeree voor levering van 39 steenkaarsen £ 22.4; Pieter de Jongh voor leverantie van stoffagiën voor kleren voor ’s heren dienaars £ 21.12; aan de baljuw Pols wegens verschotten voor hoeden, kousen, galon etc. voor ‘s heren dienaars met naailoon £ 17.16; de scheepstimmerman Gillis Welle voor reparatie aan stadsmol en leverantie van houtwaren £ 215.19.11; C. Timmer voor leverantie van 14000 klinkers £ 31.10; Pieter Schoon wegens geleverd lijnwaad £ 15.16; de smid Cornelis Dupersy wegens leverantie van vier koperen doofpotten £ 14.16; Pieter Fabrij wegens het beslaan van stads karrepaarden en verder ijzerwerk £ 8.16; Jacobus Oostveen voor levering van touwen, leer, etc. en reparatie aan de brandspuiten £ 59.13.2; Willem Musse voor reparatie van de stadslantaarns en verder glaswerk £ 6.9; Pieter Zitters voor 750 illumineer glazen £ 10.8; Gerard de Leeuw voor leverantie van 81 zachte olmen plantbomen £ 6.9.

1789

Ontvangen voor het corps du garde bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, geapproprieerd zijnde tot een stadssmitse, p.m.; van bakker Mattheus Corbeel, Grote Kade nummer 2, zijnde het eindpand, ceins op de erve daar het schuurtje op staat tegen het kasteel aan de Oostpoort £ 0.8.4; de raadpensionaris mr. L.P. van de Spiegel op zijn stal bij de Koepoort een ceins van £ 1.9.2; van mr. Johannes Pols als Raadsheer in den Hoogen Raad £ 35; aan huishuur van het corps artilleristen van 21 oktober 1788 tot 17 juni 1789 over 32 weken £4.18.8; idem van 17 juni 1789 tot 17 juni 1790 over 52 weken; aan huishuur van Roelof Timmer van 22 juni 1789 tot 24 mei 1790 over 48 weken £ 5.6.

Betaald aan Antoni Crombouw en Balten Hollestelle hun traktement voor het aansteken van de lantaarns £ 15; Marinus Ramondt voor het ijken van de stadskorenmaten £ 0.10.0; Gerard Peeman voor 346 stoop raapolie £ 52.7.8; Willem Hoevens voor het verdiepen van de Zandkaai £ 37.6.8; Anthoni Streefland voor 40000 boven- en ondersteen £ 31.12.6; Cornelis Snoep voor leverantie van dekens voor het Heeren Logement te Middelburg £ 11.3; Gerardus Peeman voor 30 tonnen turf voor de militairen in de Zonstoof gebruikt, met gebruik van het water, £ 4; Francois van Baalen voor het maken en leveren van een hardstenen Pomp op de Oude Vismarkt en voor verder gedaan steenhouwerswerk met leverantie van Doornikse kalk £ 111.15.11; Jacobus Louwaart voor het schilderen van drie grote en drie kleine vaandels voor de schutterij en leverantie van borstelwerk £ 18.16.9; scheepstimmerman Gillis Welle voor gedaan timmerwerk aan de stadsboot en mol met leverantie van houtwaren £ 16.10.5; Jacobus Huisman voor het drukken van ordonnanties £ 24.18.10; Jacobus van Kleijnputte voor 6 aamen raapolie £ 63.13.4; den 23 september 1787 aan de heer D. Clark, luitenant en adjudant, volgens de resolutie van 22.8.1787 een provisionele toeleg aan de militie alhier in garnizoen leggende voor 21 sergeanten, 14 tamboers, 21 corporaals en 291 soldaten, tesamen 347 man, in totaal £ 503.3; op order van het stadsbestuur is in de maand juni 1789 voor rekening van de stad tot voorkoming van gebrek en opdat het brood voor een niet te hoge prijs zou kunnen verkocht worden een partij tarwe en rogge ingekocht en wederom aan de bakkers alhier verkocht als volgt: aan diverse kooplieden binnen de stad voor levering van 1060 zakken tarwe door hen, schoon de gelding hoger was, edelmoedig afgestaan voor £ 1.13.4 de zak, tezamen met arbeidsloon £ 1773.5.10; aan David de Klerk voor 124 zakken rogge £ 143.3.6; aan idem voor 142 zakken rogge te Rotterdam gekocht £ 158.15.7; alles tezamen L 2075.4.11; aan stadsbode Paulus Verbeeke tot het ontvangen van tarwe in stadsmagazijn en het betalen derzelve de 30e november 1789 £ 212.0.0 en op 22 december 1789 £ 316.13.4, tezamen £ 528.13.4. Op 2 juni 1790 hiervan door deze gerestitueerd £ 316.13.4, per saldo derhalve £ 212.

1790

Ontvangen van Jacob Huige aan pacht voor de singel en vestekant van ’t Weegje van ’t Valcke Slot tot aan de Galghoek voor den drift van zijn schapen £ 2; aan huishuur van het korps artilleristen van 21 oktober 1788 tot 17 juni 1789 over 32 weken £ 4.18.8; idem van 17 juni 1789 tot 17 juni 1790 over 52 weken; Roelof Timmer dito van 22 juni 1789 tot 24 mei 1790 over 48 weken £ 5.6; van Gecommitteerde Raden tot restitutie van hetgeen door de stad is betaald voor 29 weken verhoging van soldij voor 21 sergeanten, 21 korporaals en 291 manschappen van het 2e bataljon van het regiment van wijlen kolonel Houston alhier in garnizoen gelegen hebbende van 10 september 1787 tot 24 maart 1788 £ 2018.18.0.
Betaald aan P. Marca voor reparatie van het stukadoorswerk aan het Stadhuis met leverantie van materialen £ 30.19.8; Pieter den Boer voor gedane diensten met zijn boot bij het doen van een inspectie voor een nieuwe Haven in februari en maart 1790 £ 3.34; Mattheus Smits voor het leveren van 22870 blauwe straatsteen £ 142.18.9; de inspecteur Noordhoeve, landmeter Boeren en stadsfabrijk Metzger voor inspectie van het Goese vaarwater in 1789 en 1790 £ 56.15.7; de inspecteur A. Dingemans voor dezelfde oorzaak £ 13.6.5; J.H. Pabst voor levering van stoelen, gordijnen, lijnwaad, behangsels etc. in het Heeren Logement te Middelburg in 1789 £ 31.7.4; Joos van Eeghem voor leverantie van zeildoek en reparatie van de brandspuiten £ 26.10.11; Klaas Bosdijk voor vertering ten zijnen huize door de inspecteurs van een plan tot een nieuwe haven in maart 1790 £ 24.6; de quotisatie penningen tot onderhoud van de kerkeglazen van het landluiden- of Sint Michielsgilde, waarvan de goederen ten profijte van de stad zijn verkocht voor £ 3.6.8; aan de scherprechter J.C. Deuring voor het geselen van Jan Welle op de 23e november 1790 £ 14.6.8; aan de heer Michiel Herklots voor een jaar confinement van Jan Welle in het tuchthuis te Middelburg ingaande 23 november 1790 £ 20; aan de stadsbode P. den Boer wegens gedaan verschot aan de stads onderschout te Middelburg voor het overnemen van Jan Welle om in het tuchthuis te verzorgen met reis- en teerkosten van ’s Heeren dienaars en Theunis Groeneweg, samen £ 4.11.6.

1791

Ontvangen van de Raadpensionaris mr. L.P. van de Spiegel belasting voor zijn stal bij de Koepoort £ 1.9.2; Johan Ludewig Langguth voor het houden van koffiehuis en het zetten van een biljarttafel op de Grote Markt £ 5.4; Isaac Stam voor het houden van koffiehuis £ 5.4.0; Leendert van der Weele als koster van de kleine kerk £ 3; recognities van Daniël de Meijer als licentmeester £ 4.13.4; Izaac Cornelis Buteux als Raad aangesteld in de plaats van de Gecommitteerde Raad mr. J.W. van Rosevelt £ 200; Willem van der Bilt als Raad aangesteld in de plaats van Boudewijn Verselewel van der Bilt £ 200; mr. Cornelis van Erlach La Motthe als Raad aangesteld in de plaats van burgemeester mr. Antoni Ossewaarde £ 200; van Johannis de Koninck het goede slot van zijn rekening wegens de revenuen van het oude manhuis over 1791 £ 96.13.1; van J.P. Lang aan huishuur van een gedeelte van de Latijnse school van mei tot december 1791 £ 3.10; S.C. Brade aan huishuur van een gedeelte van de Latijnse school over mei 1791 £ 0.16.8; restitutie van den Lande voor twee nieuwe schilderhuizen £ 4.8.4; van de stadsbode Paulus Verbeeke hetgeen wegens de stuiver te ponde Vlaams van de huisschatting meerder is ontvangen dan £ 16.13.4 waaruit aan de brandspuiten is betaald bij gelegenheid van de brand aan een van de zoutketen op 8 maart 1792 £ 1.5.3; Betaald voor het vermaken van brandijzers in de stadsmidse van Jan Vervoort, Marinus Ramondt en Willem Musse, samen £ 0.10.0; van de stadsfabrijk wegens huur van de Latijnse school £ 3; van Isaak de Broekert de kooppenningen van een woonhuis door Pieter den Boer aan de stad getransporteerd staande op de Kaaij £ 19.5; van Leendert van der Weele voor de koop van een huis voorheen gestaan hebbende ten name van Leendert Reijnhout £ 24.12.11; de conciërge Paulus Verbeke voor het bezorgen van de turf aan de klapperwacht £ 2 en voor het gadeslaan en onderhouden van het stadhuis £ 8.6.8; Francois van Baalen wegens metselwerk en steenhouwerwerk met levering van materialen £ 37.17.6; Francois van Baalen voor steenhouwerwerk, levering van pannen en leien £ 17.14; Maarten Antonisse voor leverantie van groen laken £ 9.3.6; Jacobus van Kleijnputte voor levering van raapolie £ 49.15; Marinus Harinck weduwe wegens geleverde houtwaren £ 385.17.4; Isaac de Broekert wegens geleverde houtwaren £ 34.6.6; Johannis Stokmans wegens geleverde 82 olmen plantbomen £ 7.10; Michiel Herklots als ontvanger van het tuchthuis te Middelburg een jaar confinement van Jan Welle in hetzelve huis volgens contract van 1 december 1790 £ 20.

1792

Betaald aan de stadsfabriek Johan Frederik Metzger wegens verschotten ten dienste van de stadswerkluiden £ 690.7.3; de erven Arend Almenum voor reparatie van de brandspuiten £ 21.2.8; Jacob Willemsen voor levering van lijnolie £ 55.2.2; Jan van den Tooren voor levering van 14 last turf £ 94; Jacob de Broekert voor levering van 9 vamen hout £ 14.5; de baljuw Boudewijn Verselewel van der Bilt wegens verschot aan klederen voor ‘s Heeren dienaars £ 37.14.8; Francois Oversluis voor leverantie van pennen, papier en boeken en plaatsen van advertenties in de couranten £ 33.11.2; bakker Mattheus Corbeel voor levering van brood voor het Heilig Nagtmaal in de

Fransche kerk van april 1790 tot 5 januari 1793 £ 2.4; de weduwe van de heer Step voor levering van Spaansche wijn aan de Waalsche kerk £ 0.12.0; Paulus Verbeke voor koop van 6 zakken tarwe aan het garnizoen van Steenbergen gezonden £ 5.10; Gillis Welle wegens gedaan scheepstimmerwerk £ 22.14.7; Antonie van Vendeloo wegens leverantie van maljenierswaren £ 42.3.9; Willem Musse voor het onderhouden van stads lantaarns en verder glazenmakerwerk £ 12.1.2; Cornelis Dupersy voor levering van lantaarns en verder blikslagerswerk £ 18.2; Jacobus Oostveen voor levering van touwen, leer, etc. en reparatie aan de brandemmers £ 31.10; Marinus Vertregt voor leverantie van teer en hout £ 13.16; Pieter van Schooten voor leverantie van mandenmakerwerk £ 3.0.8; Jacobus de Jongh voor levering van kaarsen £ 19.5; Hubregt Nobel en Joos van Eeghem voor zeilmakerwerk £ 7.6.5; Pieter Antoni Bavo voor levering van saaij £ 4.18.7; Marinus Harinck weduwe voor geleverde houtwaren £ 319.2.11; Francois van Balen voor steenhouwerwerk, metselwerk en leverantie van catoen £ 133.6.9; Abraham en Johannis de Smit voor leverantie van 1800 ponden buskruid £ 159.14.20; aan de drie schutterijen de toegelegde taux bij het proberen van de brandspuiten £ 15; de heer Michiel Herklots als ontvanger van het tuchthuis te Middelburg een jaar confinement van Jan Welle in het huis £ 20; de conciërge Paulus Verbeeke voor verschot aan acht loodsen op de schepen van het alhier den 19 januari 1793 aangekomen bataljon militairen £ 3.10.8; Jan Boddingius en Cornelis van de Volkeren voor publieke koop van een schuur en erve staande buiten de Bleijkveldse Poort £ 74.16.