Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1785 - 1792)

Besmettelijke ziekte onder het vee

Op 1 januari 1788 wordt het ingekomen Plakkaat van de Staten van Zeeland onverwijld gepubliceerd. Het behelst een verbod tot in- en uitvoer van hooi en stro en hoorn- en rundvee in en naar buiten de provincie zonder vooraf verkregen toestemming. Wel wordt het vrije vervoer van al vee uit het ene eiland naar het andere eiland gedurende 1788 toegelaten.

De Staten van Zeeland verbieden op 2 januari 1790 gedurende de loop van dit jaar de in- en uitvoer van hooi en stro en hoorn- en rundvee in en naar buiten de provincie zonder voorgaand verkregen toestemming. Toegelaten wordt het vrije vervoer van het ene eiland naar het andere. Het wordt aan de regeringen van de stemmende steden overgelaten om op basis van dit plakkaat toestemming te verlenen voor de in- en uitvoer in en naar deze provincie.
In november 1790 wordt in overweging genomen de duurte van het slachtbare rundvee. Uit informatie is gebleken dat in Holland slachtbaar vee voor matiger prijzen te koop is. In Holland doet zich geen sterfte onder het rundvee voor. Het zou een goede zaak zijn om de invoer van vee uit Holland te stimuleren. Gecommitteerde Raden wordt verzocht toestemming te verlenen tot de invoer van vet vee uit Holland.

Medicine doctors

Engelbertus Andreas Schellekens vertoont in juni 1786 zijn academische promotiebrief van de Universiteit van Leuven. Hij krijgt toestemming om als medicine doctor binnen de stad te praktiseren. Ook Dominicus Noël, medicine doctor, geboortig uit ’t Beyemburgsche, vertoont 1787 zijn bul als gegradueerd tot doctor in de medicijnen op de Academie van Leiden. Ook hij krijgt toestemming om in de stad te praktiseren. En in 1790 wordt ook de medicine doctor Walkiers toegelaten hier ter stede als zodanig te praktiseren.

Chirurgijns en apothekers

De overdeken van het chirurgijngilde beklaagt zich er in februari 1789 over dat de heer Gunderam, chirurgijnmajoor van het garnizoen, de voet van de predikant van de Waalse gemeente, ds. Bevier, heeft geopereerd. De voet was ongelukkig uit het lid gevallen. Het gilde vindt dat dat niet kan en de chirurgijnmajoor en de Waalse predikant beboet moeten worden. Het stadsbestuur besluit de dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde te gelasten om voorlopig de eis aan de heren Bevier en Gunderam niet door te zetten zonder verdere dispositie van het stadsbestuur.
Pieter van Hallen legt in 1789 zijn proeve af om tot chirurgijn te worden toegelaten.
In 1787 wordt tot de apothekersproef toegelaten Willem van den Hoek en in 1790 P.J. Hoeks.

Jacoba Pieterse krijgt in januari 1792 vergunning tot het zetten van lavementen, mits dekenen van het chirurgijns en apothekers gilde haar oordelen daarvoor de vereiste bekwaamheid te hebben.

Vroedkundigen

In februari 1787 neemt de stadsvroedmeester Esaias Swart ontslag.
Willem Blockers, wonende te Nisse, verzoekt in februari 1788 te worden aangesteld als vroedmeester. Hij legt een loffelijke attestatie van Samuel de Windt, medisch doctor en stadsvroedmeester van Middelburg, over van zijn capaciteit in de vroedkunde. Het stadsbestuur besluit Blockers aan te stellen tot stadsvroedmeester. Verder wordt besloten ‘denzelven te permitteeren om, bij moeilijke baaringen, ten zijnen assistentie te mogen roepen en bij absentie te laten fungeren zijn schoonvader Petrus Joseph Malé, sedert lange jaren binnen dit eiland de vroedkunde beoefend hebbende’.

In juni 1790 zijn er klachten dat een van de stadsvroedvrouwen onlangs geweigerd heeft om aan een meisje in het weeshuis een lavement toe te dienen, terwijl de andere vroedvrouw daartoe buiten staat was uit oorzaak dat zij assisteerde bij de verlossing van een kraamvrouw. Zodanige onwilligheden kunnen niet anders strekken dan tot nadeel van het algemeen en tot ongeluk van de patiënten. Het stadsbestuur besluit dat de stadsvroedvrouwen zullen worden geordonneerd om iedere drie maanden bij toerbeurt de armen en die in het weeshuis gealimenteerd worden, des verzocht wordende, pro Deo als lavementzetster te bedienen en dat, wanneer degenen die haar drie maanden daarin verhinderd wordt, door de assistentie bij een kraamvrouw of andere wettige reden, de andere alsdan dit zal waarnemen. Tijdens de maanden juni tot en met september zal dit worden waargenomen door J. Corsel en de volgende drie maanden door Elizabeth Krijger en zo vervolgens bij beurten.

Het stadsbestuur besluit in december 1790 de regerende burgemeesters en stadsdirecteuren met en naast de overdeken van het chirurgijns- en apothekersgilde op te dragen middelen uit te denken en te reguleren de voet waarop een bekwame persoon tot vroedmeester binnen de stad zou kunnen worden beroepen.

De burgemeesters en stadsdirecteuren hebben in maart 1791 nagegaan op welke voet het beste een vroedmeester binnen de stad kan worden aangesteld. Naar aanleiding daarvan wordt besloten:

  • het traktement van de aan te stellen vroedmeester vast te stellen op vijftig ponden Vlaams, met de survivance van enige vermeerdering uit het traktement van een van de vroedvrouwen bij vacature, naar redelijkheid en naar advenante van de bekwaamheid van de nu aangesteld wordende vroedmeester;
  • wanneer deze vroedmeester werkelijk fungeert als chirurgijn en deswege proeve van zijn bekwaamheid kan geven, hij als zodanig hier mede zal worden toegelaten zonder gehouden te zijn een proeve te doen. Hiertoe wordt de overdeken van het chirurgijns- en apothekersgilde verzocht de dekenen voor te houden de inclinatie van het stadsbestuur, dat bij de admissie van de meergenoemde persoon alle inschikkelijkheid omtrent de kosten, die anderszins bij het doen van proeve practicabel is, behoort plaats te hebben;
  • dat, wanneer voor het tegenwoordige besloten zal worden een vroedvrouw zonder traktement aan te stellen, deze zal invallen in het traktement van de eerste vroedvrouw\plaats die vaceert.

In april 1791 wordt besloten uit de ingekomen sollicitaties tot stadsvroedmeester en chirurgijn aan te stellen J.A. van Nieuwenhuijzen, stadsvroedmeester en chirurgijn te Sas van Gent, op de volgende condities:

  • hij zal genieten een traktement van f 300 met survivance van enige vermeerdering naar redelijkheid uit het traktement van de eerste vroedvrouwplaats die vacant komt;
  • bij uitersten zal er hier voortaan maar één vroedvrouw worden toegelaten;
  • dat om deze reden de vroedmeester verplicht zal zijn in alle ordinaire en extra-ordinaire gevallen van verlossing, daar hij geroepen wordt, zich te laten vinden en zijn patiënten vriendelijk en menslievend te behandelen;
  • dat hij tegelijk als chirurgijn binnen de stad zal worden toegelaten zonder gehouden te zijn een proeve te doen, mits betalende aan dekenen van het gilde een douceur van tien Zeeuwse rijksdaalders en geen scheerwinkel houdende;
  • dat hij gehouden zal zijn de eed van de vroedmeesters- en vrouwen in handen van het stadsbestuur af te leggen;
  • dat hij verplicht zal zijn om gedurende de wintermaanden enige lessen in de vroedkunde te geven.

In maart 1792 besluit het stadsbestuur de vroedmeester Van Nieuwenhuyzen, in verband met het overlijden van een van de stadsvroedvrouwen, hem het volle traktement van £ 25 te confereren uit overweging van de loffelijke getuigenissen wegens zijn bekwaamheden en tot een blijk van het bijzonder genoegen van het stadsbestuur en dit alles boven en behalve een last turf en vrijdom van stadsimposten op de wijnen en bieren, mits zich stiptelijk gedragende volgens zijn acte van aanstelling en in alle gevallen zijn arme patiënten met alle menslievendheid pro Deo bedienende. Verder wordt besloten hem aan te stellen tot Lector Artis Obstetricandi.

Gasthuis

In juni 1786 wordt in de plaats van de overleden Willem van der Bilt van Cloetinge tot buitenregent van het gasthuis aangesteld burgemeester mr. W. Canisius. Tot ontvanger van de godshuizen wordt tot wederopzegging aangesteld Jacobus Willem de Jongh in de plaats van de overleden heer W. Beijaard.

De regenten en regentessen van het gasthuis geven in november 1789 te kennen dat, vanwege de ouderdom en indispositie van de tegenwoordig fungerende regentessen, deze assistentie nodig hebben. Ze bieden een voordracht van drie aan om een boventallige regentesse aan te stellen. Het stadsbestuur besluit hieruit te benoemen tot regentesse van het gasthuis mevrouw Adriana Clasina Canisius echtgenote van de heer J.L. Lotichius. Bij een voorvallende vacature zal het getal weer op drie regentessen blijven bepaald.

Weeshuis

Beheer weeshuis

In november 1788 worden tot binnenvader en binnenmoeder van het weeshuis aangesteld Jacob Cabos en zijn vrouw Cornelia Boogaart.
In april 1792 bedanken de binnenvader en binnenmoeder van het weeshuis voor hun functies. Ze zijn voornemens metterwoon naar elders te vertrekken. De buitenregenten worden gemachtigd advertenties te plaatsen om zo spoedig mogelijk in de vacatures te voorzien. Op 28 april worden tot binnenvader en binnenmoeder aangesteld Laurens Leeuwen en zijn echtgenote Maria Vijverberg.

In 1785 verzoeken mr. A.W. van Citters en Adolf Ossewaarde ontslag als buitenregenten van het weeshuis. In hun plaats komen A. Boreel de Mauregnault en Daniël de Meyer. Ossewaarde krijgt ontslag ‘met erkentenis voor zijn langdurige en nuttige diensten in deze kwaliteiten aan het algemeen bewezen’.
In de plaats van mevrouw Adriana Clasina Canisius, echtgenote van de heer J.L. Lotichius, die tot regentesse van het gasthuis is aangesteld, wordt in 1789 tot buitenregentesse van het arm- en weeshuis verkoren Cornelia Wilhelmina de Groot douarrière Van Hogendorp.
In 1791 verzoekt de heer Daniël de Meijer ontslag als buitenregent van het weeshuis. In zijn plaats komt Johan Hendrik Eversdijk. In december 1792 overlijdt de buitenregent van het arm- en weeshuis Johan Hendrik Eversdijk. In zijn plaats komt Cornelis Pieter Keetlaar.

Gang van zaken in het weeshuis

Bij het nazien van de rekening van het weeshuis over 1785 stellen de buitenregenten het stadsbestuur voor hen, onder wijziging van de resolutie van 5 mei 1753, toe te staan om de meisjes uit het weeshuis te ontslaan als ze de ouderdom van twintig jaar hebben bereikt. Tevens beklagen ze zich er over dat de stadsdoctor J.P. Ceré weigert iets bij te dragen aan de driemaandelijkse collecte onder het motief dat hij lidmaat is van de Franse gemeente.

De buitenregenten van het weeshuis krijgen in november 1787 toestemming om met dispensatie van de resolutie, volgens welke geen meisjes uit het weeshuis mogen worden ontslagen tenzij ze twintig jaar oud zijn en belijdenis hebben gedaan van de gereformeerde godsdienst, aan Anna Zeegers, die deze ouderdom nog niet heeft bereikt, haar ontslag te verlenen.
In mei 1788 krijgen de buitenregenten machtiging om het verlaten kind van Cornelis Engelse, dat zich clandestien heeft geabsenteerd, provisioneel in het weeshuis te alimenteren.

Op de bezwaren van de stadschirurgijns, geuit bij de buitenregenten van het weeshuis, besluit het stadsbestuur in januari 1791 de resolutie van 17 februari 1781 te annuleren. Hierbij was bepaald dat de stadschirurgijns gehouden zijn op het door hen genoten traktement ‘lavementen ten dienste van de armen in de godshuizen te appliceren, zonder daarvoor zo min als de stadsvroedvrouwen in het vervolg iets te mogen rekenen’.

Willem Zuidweg betoogt in 1792 dat uit het huwelijk van zijn zuster Cornelia Zuidweg met Marinus Hoekman, beide overleden, twee minderjarige zoons, Willem en Adriaan Hoekman, zijn nagelaten. Deze zijn na het overlijden van hun ouders onder oppervoogdij van de weeskamer gekomen. Als voogd is aangesteld Matthijs Kakebeeke te Cloetinge.
De ene zoon, Willem, is in 1758 naar Batavia vertrokken en van hem is sinds 1772 ondanks alle aangewende moeite taal noch teken vernomen als alleen dat er bericht was dat hij in Engelse dienst overgelopen en zich in 1772 te Calacuta in Bengalen zou bevonden hebben. Het is dus ten hoogste aannemelijk dat hij overleden is, vermits van hem geen brieven meer zoals voorheen binnen zijn gekomen.
De andere wees, Adriaan, is in het jaar 1760 eveneens naar Batavia vertrokken doch kort na zijn aankomst aldaar overleden. Van hem zijn geen andere erfgenamen bekend dan zijn bloedverwanten van vaders en moeders zijde, zijnde van vaders zijde de wezen van Willem Hoekman en Marinus Hoekman te ’s Gravenpolder en van moeders zijde alleen Willem Zuidweg. Het stadsbestuur besluit de heer Kakebeke de vrijheid te laten om purgatieve rekening te doen ten overstaan van de weeskamer.

Verhouding met kerken

In januari 1790 stellen de diakenen van de Nederduitse gemeente en de regenten van het arm- en weeshuis voor om ‘Johanna Adriana Bronkhorst, die wegens een dolle harsenziekte op de 8e februari 1788 in het Gast- en Verbeterhuis te Bergen op Zoom is verzekerd en thans volgens verklaring van de regenten van dat huis tot volkomene gezondheid is hersteld’, uit dit huis te ontslaan.

De buitenregenten van het arm- en weeshuis geven in september 1788 kennis dat de leden van de Lutherse gemeente binnen de stad en het eiland aan het arm- en weeshuis, ‘uit aanmerking dat de behoeftige leden van de gemeente door hetzelve reeds sedert lange tijd zijn ondersteund en gealimenteerd en alsnog de nodige onderstand genieten’, in eigendom hebben overgedragen zodanige penningen als in de kas der gemeente zich bevinden, in handen van Johan Jacob Heylman te Hoedekenskerke hebben gesteld. Doch deze schijnt onwillig om aan hen rekening en verantwoording te doen van de administratie van deze penningen. De buitenregenten krijgen machtiging om Heylman te dwingen tot het doen van rekening en verantwoording en afgifte van alle penningen, boeken en papieren die onder hem van de Lutherse gemeente berusten.

Op verzoek van de buitenregenten besluit het stadsbestuur in januari 1789 de Nederduitse kerkenraad te verzoeken ‘de predikanten op te dragen om telkens, wanneer zij vanwege de buitenregenten worden geïnformeerd over de plaats hebbende gewone driemaandelijkse collectie ten behoeve van het arm- en weeshuis, daarvan bij de eerste gelegenheid in de beide kerken kennis te geven en de gemeente op het krachtigste op te wekken door milddadigheid in de behoeftigheden van het huis te helpen voorzien’. Daarbij wordt verzocht, aangezien de toestand van het huis zowel als de goede directie die daar gehouden wordt, het stadsbestuur van zeer nabij bekend is, dat het hun bijzonder aangenaam zal zijn indien deze opwekkingen met gepaste ernst en de meeste aandrang geschieden.
Het stadsbestuur besluit op de 17e januari de kerkenraad te verzoeken om de predikanten de grote waardering van het stadsbestuur kenbaar te maken voor de wijze waarop ze uitvoering gaven aan het verzoek van het stadsbestuur. Men heeft mogen zien ‘dat deze opwekkingen van een vrij goede uitwerking zijn geweest’. Het zal het stadsbestuur welgevallig zijn dat de predikanten hiermee voort gaan.

Seclusie weeskamer

In januari 1785 verzoeken de voogden (Steven Marcus van der Heyden Sinclair, notaris te Middelburg, en Jacobus Ermerins, secretaris van Veere) over Steven Dassevael, de enige nagelaten zoon en erfgenaam van de overleden voormalige stadsecretaris Johan Pieter Dassevael en zijn vooroverleden vrouw Levina Miseras, alsnog seclusie van de weeskamer. De weesmeesters adviseren hieraan geen gevolg te geven. Het stadsbestuur besluit het verzoek van de voogden van de hand te wijzen omdat wijlen Dassevael nimmer gebruik heeft willen maken van het aan hem verleende octrooi tot seclusie van de weeskamer.
Wel wordt aan de voogden machtiging verleend om met goedvinden van de weeskamer de vaste effecten in de boedel te verkopen.

In 1785 verkrijgen de heer Petrus Alexander Boreel de Mauregnault en zijn echtgenote Johanna Maria Catharina Elisabeth Sonmans Franke octrooi om de weeskamer te secluderen, evenals in 1786 doctor Henricus Josephus Tielens en zijn vrouw Anna Catharina de Bie.
Gehoord het favorabele bericht van de weesheren besluit het stadsbestuur in 1788 op verzoek van Jacoba Frederica Nemeghen weduwe van de heer Huibert Jan de Heere, in leven schepen en pensionaris-honorair van de stad, haar octrooi te verlenen om de weeskamer te secluderen van de voogdij en het opzicht over haar onmondige erfgenamen.
In augustus 1789 verkrijgen ds. Joan de Stoppelaar en zijn echtgenote Joanna Constantia van Visvliet seclusie van de weeskamer, evenals Jacobus van Kleijnputte van de gortmolen op het Ravelijn en Maatje Andriesse en de schepen en raad van de stad Arnoldus van Tilburgh en Martijna van Wijngen.
Eveneens krijgen in 1790 mr. Aarnout van Citters en Vrouwe Sara Jacoba van Citters toestemming om de weeskamer te secluderen, evenals Jacomina Boeije echtgenote van mr. Wilhelmus Christianus de Crane, Adriaan Nortier en Maria Gansel, Johanna Joël weduwe van Jan van den Thoorn, Johan Hendrik Eversdijk en Maria Tannetta Swart en Cornelia van den Oever weduwe van Dignus van Hein.

Verkopen ten behoeve van nagelaten weeskinderen

In 1786 krijgen Magdalena Oversluis, meerderjarige dochter, en Jan Boddingius, gehuwd met Pieternella Oversluis, toestemming om de vaste panden uit de boedel van wijlen Aaltje Steenbakker weduwe van Cornelis Oversluis, tot het meeste voordeel van hen en de nog minderjarige erfgenamen te verkopen.

Op verzoek van Jacobus Proos, in zijn kwaliteit van voogd over de nagelaten wezen van zijn overleden broer Gijsbregt Proos, en op advies van de heren van de weeskamer, geeft het stadsbestuur in 1788 hem toestemming om het woonhuis ‘de Wijngaert’ van de overledene in de Wijngaardstraat nummer 41 tot hun voordeel te verkopen.
Het stadsbestuur besluit in 1792 op advies van de weeskamer op het rekwest van Jan de Fouw, in zijn kwaliteit van testamentair-executeur van de boedel van Cornelis de Jager, ten overstaan van de weeskamer het woonhuis ‘de Vier Heemskinderen’ aan de oostzijde van de Grote Markt nummer 20 publiek te verkopen.
Marcus Boeren en Jacobus Willem de Jongh, executeurs in de nalatenschap van Laurens Boeren, krijgen in 1792 toestemming voor de minderjarigen onder de erfgenamen te mogen verkopen een woonhuis aan de Lange Vorststraat nummer 80.