Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1702 - 1706)

Openbare orde

Op de 23e mei 1702 stelt de nieuwe magistraat een burgerwacht in. Het notulenboek vermeldt: 'Is ten selven dage goedgevonden dat bij dese constitutie van tijden en saken van nu voortaan tot nader dispositie onder den Stadhuijse sal worden gehouden een goede Borgerwagt, omme te vigileren tegen alle disordres, die van buijten ofte binnen souden mogen ontstaan'.

Tot burgerofficieren van de schutterijen worden verkoren in:

  • de oude Handboog: tot kapitein Nicolaas van de Leene, tot luitenant Zywert van der Bilt en tot vaandrager Cornelis Wagenaar;
  • de jonge Handboog: tot kapitein Nicolaas van Ossewaarde, tot luitenant Henri Hallewaart en tot vaandrager Lambrecht Koopman;
  • de oude Voetboog: tot kapitein de rentmeester Cornelis Lopse, tot luitenant Jacobus de Brawanter en tot vaandrager Johannes Lantschot;
  • de jonge Voetboog: tot kapitein mr. Johan van der Lugt, tot luitenant Adriaan de Visser en tot vaandrager Johannes van Renterghem;
  • de oude Coluveniers: tot kapitein doctor Johan Hauweel, tot luitenant Jacobus Oyee en tot vaandrager Jacobus Verberg;
  • de jonge Coluveniers: tot kapitein Gerard Ysebree, tot luitenant Dominicus Keetlaar en tot vaandrager Jacobus Verberg.

De wisseling van de magistraat verloopt in 1702 vrij rustig. Wel komt het stadsbestuur ter ore dat 'de Schout Udemans van 's Heer-Arendskerke seer aanstotelijke woorden had gesproken over 't subject van de inruiming van het huijs, tegenwoordig bewoond door mr. Martinus Oyee, aan de heer mr. Cornelis van Zunder, die daartoe bij resolutie van de Staten van Zeeland van 1 juni is verklaard gerechtigd, als tot zijn eijgen goed'. De schout 'soude gesegt hebben, dat te dier oorsaak nog koppen souden konnen vliegen ende de Stad daardoor konde komen in een bloedbad: welke taal haar agtbaren van gevolg oordeelende, hebben deselve Schout coram ontboden. En omdat hij geen genoegen wil nemen met het onderhoud door het stadsbestuur, wordt hem geordonneerd aanstonds jegens de stad te gaan in gijseling in de herberg 'de Gouden Leeuw', op eigen kosten'. Het betreft hier de herberg aan de Grote Markt nummer 21.

Op 27 januari 1704 komt er een missive binnen van de magistraat van Middelburg met het verzoek dat 'sekere personen, bij de aldaar nevenstaande publicatie uitgedrukt, ende schuldig aan de tumultueuze beweging, op den 26e deser in die stad voorgevallen (in cas deselve binnen deze stad ofte ressort wierden bevonden) mogten worden geapprehendeerd en op 's Gravensteen gebragt'. Het stadsbestuur besluit de schout Drywegen en de bediende van de justitie ten plattelande te gelasten nog nauwer onderzoek te doen. Daartoe zullen de veren overal bezet worden en alle verdachte personen aangehouden. De magistraat van Middelburg wordt gefeliciteerd met de gelukkige uitslag van het bewuste complot onder aanbieding van alle bondgenotelijke bijstand met raad en daad.

Het stadsbestuur besluit in september 1705, 'vermits den overvloedige aanloop van vreemde bedelaars in deze stad', dat de schippers alhier nogmaals zal worden verboden 'dat geene van die soort van passagiers op vreemde havens in hare vaartuigen sullen admitteren, veel min van daar ofte elders herwaarts over te brengen, op peene, dat deselve, sonder te mogen ontschepen, wederom sullen moeten weg voeren, ter plaatse daar sij die hebben ingenomen. Ende werden 's Heeren dienaars mede wel scherpelijk gelast op de wekelijkse Bergse beurtschippers nauw te invigileren, dat diergelijke slag van mensen niet werden overgebragt, ofte overgebragt werdende, te besorgen, dat die met deselve schuit kosteloos wederom werden afgescheept'.

Een andere zaak van openbare orde doet zich voor in februari 1706. Het stadsbestuur komt ter ore dat de bewoner van het huis in de Westerschans aan het Hoofd 'een toestel is makende om binnen de schans op te richten twee sware duivekooijen. Wordende tegemoet gezien dat de landen in de Goese Polder en daar omtrent door de vlugt der menigte van duijven, die daar op staan gehouden te worden, in haar gesaaijde en gewas veel schade stonden te lijden'. Hij krijgt een verbod om hiermee door te gaan.

Nòg een eigenaardig geval doet zich voor in 1706. Het stadsbestuur neemt kennis van 'de gedurige dronkenschap van Pieter Pieters, doodgraver, ende wel bijsonder desselfs mishandelingen omtrent de afgestorvene lichamen met deselve op te graven, alvorens sijn vergaan. Sijnde daar van op den 26 juli een afsienlijk vertoog op het kerkhof gesien'. De grafdelver krijgt onmiddellijk ontslag en in zijn plaats wordt aangesteld Jacob Pieterse Proost.

In november 1706 worden drie landloopsters door de extra-ordinaire compagnie opgebracht en gevangen gezet. Ze hebben op het platteland gestolen een deken en andere goederen die bij hen zijn gevonden. Ze worden 'op morgen voor de peuije van het Stadhuis met roeden behangen ten thoon gesteld, met interdictie van oijt binnen dezen eilande weder te komen, op pene van, aldaar geattrapeerd wordende, strengelijk met roeden te worden gegeseld'.

Justitie

Enkele illustraties van de rechtspraak in deze jaren volgen hier. Janneken Pieters Bosman, dienstmaagd van de heer mr. Johan van Stapelen, geassisteerd van enige vrouweluijden, 'heeft het bestaan op 's Heeren straat feitelijk aan te tasten Engeltgen Charles, huisvrouw van Jasper Bruijne, en haar ten huize van de heer Van Stapelen met geweld te trekken. Ook dat Janneken Pieters, voorwendende door Engeltgen Charles te wezen betoverd, van deselve onder vele dreigementen had begeerd te werden gesegend. Al hetwelk haar agtbaren onverdragelijk voorkomende, wordt deze dienstmaagd ten Stadhuize ontboden en ernstelijk vermaand haar superstitieuse gedagten van tooverije, den Christenen niet betamende, te laten varen. Verder wordt ze scherpelijk gelast Engeltgen in het toekomende noch met woorden noch met daden enigszins te beledigen'. Verder wordt de weg van justitie voor Engeltgen open gelaten. Willem de Visser, inwoner en gezel in het arbeidersgilde, heeft zich in 1703 'groffelijk tegen haar edelagtbare heren borgemeesters en schepenen der Stad Goes misdragen'. Hij wordt 'de Stad Goes, jurisdictie en 't gansche eijland van dien verboden en gelast sig binnen de tijd van 24 uren dezelve uijt te ruymen en naar een ander land te begeven, op pene van arbitralyk aan den lijve te werden gestraft'.
Begin 1703 moeten Jan Carelse en Abram van Stralen zich wegens gepleegde openbare moedwilligheden enige dagen in de herberg 'de Gouden Leeuw' in gijzeling houden en daarna in hun eigen huizen. Pieter van Es uit Hamburg, Anthony Gerritse uit Nimwegen en Maria Jacobs uit Naarden belanden in juni 1703 in de gevangenkamer van het stadhuis. Gebleken is dat ze enige dagen geleden hebben geholpen met stelen. 'Zoo is't dat zij, recht doende, deze gevangenen condemneren binnenskamers met roeden gegeseld te worden.
Geert Dousselaar, waard te 's Gravenpolder, heeft zich in december 1704 niet ontzien tegen Joos de la Sable, vrij wijnverkoper te Goes, 'ten aanhooren van veel mensen niet alleen uit te braken vele scheld- en lasterwoorden, maar den selven daar en boven in euvelen moede te dreigen in sijn eigen huis faietelijk te aggresseren ende grieven, nemende te dien einde een flesse met opgehevene hand, waarop, indien in sijn boos voornemen niet ware verhinderd geworden, swaare ongemakken geschapen stonden te ontstaan'. Hij wordt op heterdaad door de schout gearresteerd, maar heeft het bestaan 'dit arrest te veragten ende, uit de stad vertrekkende, te violeren'. Besloten wordt 'soo wanneer hij onder de jurisdictie van deze stad sal werden bevonden, aanstonds door 's Heeren Dienaar sal werden gebragt in besloten hegtenis'.

In maart 1704 treedt burgemeester mr. Adolf Westerwijk, waarnemende de baljuwage, op tegen Maria Codde, jongedochter, oud twintig jaar, geboortig uit Goes. Ze heeft in het gasthuis, waar zij was opgesloten, ten overstaan van de secretaris van de stad, haar vader, moeder en meester, daar zij als dienstmeid bij gewoond heeft, verklaard dat zij vleselijke gemeenschap heeft gehad. ‘Zonder hierover iets tegen iemand te zeggen is ze van een kind bevallen. Ze heeft haar vrucht gedood en deze een uur lang gekookt in een koperen ketel, daarna in stukken gesneden, op de ashoop geworpen en een gedeelte aan de honden te eten gegeven’. De baljuw eist dat ze op een schavot voor het stadhuis aan een paal gebonden met de koorde zal worden geworgd, de beide handen afgeslagen, enige stukken vlees van haar lichaam voor de honden geworpen, naar het galgenveld gesleept en tot afschrik van anderen op een rad zal worden gehangen. Burgemeesters en schepenen, lettend op haar belijdenis en verdere omstandigheden, veroordelen haar om op het schavot aan een paal met den koorde te worden gewurgd zodat de dood er op volgt. Verder zal haar dode lichaam twee uur blijven hangen tot twee uur in de middag en dan op een kar naar het galgenveld worden gevoerd om daar te worden begraven. De vermoedelijke verwekker, een zekere Jan Soep, wordt in 2006 veroordeeld tot betaling van 200 Carolus guldens.

Jacob Dikkens, geboortig van Waalwijk, brouwersknecht in de brouwerij de Gans, wordt in 1705 'soo wegens voor heen gepleegde moedwilligheden, als sijne laatste vegterijen op de daad achterhaald'. Ook Jan Fassé en zijn huisvrouw Magdalena Huijsdijk krijgen in 1705 een ernstige reprimande over hun 'huiselijke twisten, vechten en smyten'.
In november 1705 wordt de turfschipper Claas Leendertse Bakker gegijzeld in verband met enige buitensporige scheld- en lasterwoorden tegen de regering en de baljuw. Hij verzoekt hem dit genadiglijk te vergeven; het was begaan 'bij den drank'. Besloten wordt hem 'uit een sonderlinge gratie uit sijn gijseling te ontslaan'. Wel moet hij met z'n vaartuig uit de stad vertrekken met verbod om binnen twee jaar enige turf te lossen.
In december 1705 wordt 'een vrouwmens binnenscamers gegeselt'. Het gaat om een zekere Mary Somers, geboortig van Westkerke omtrent Brugge in Vlaanderen. Zij is gevangen genomen wegens gepleegde dieverije op de Hofstede van Joos de la Sable in Cruiningen en wordt 'na examinatie en eigen confessie binnenskamers gegeseld en voorts gebannen uit deze stad en dit eiland'.

Ook in december 1705 voert de baljuw Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, een geding tegen Michiel Maartense. Hij heeft de straat onveilig gemaakt door met zijn bloot mes te zwaaien naar een zekere Jan Crijnse. Deze dit ontwijkende heeft het mes de wang van een onnozel kind van tien jaar geraakt. De baljuw eist dat hij strengelijk met roeden zal worden gegeseld en voor zijn leven lang uit Holland, Zeeland en Westfriesland verbannen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem, gelet op zijn schuldbekentenis en smeekbede om vergiffenis, tot betaling van de kosten van het geding en verbannen hem voor vijf jaar uit de stad en het eiland.

In maart 1706 procedeert de baljuw tegen Aaltje Hendriks van Aalste uit Zwolle. Ze heeft ‘haar meester vleselijk geconverseerd’. Dit heeft ze hardnekkig ontkend. In haar dienst bij ds. De Vos te Borssele heeft ze niet laten blijken dat ze zwanger was. Het kind heeft ze na de geboorte omgebracht. De baljuw eist dat ze als kindermoordenares op een schavot voor het stadhuis met de koorde zal worden geworgd en weggesleept naar het galgenveld en daar op een spriet of staak of op een rad gelegd, ieder tot afschrik. Burgemeesters en schepenen zijn milder en veroordelen haar om aan een paal gebonden met roeden strengelijk te worden gegeseld en voor altoos verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. Ook treedt de baljuw in maart 1706 op tegen Cornelis Bolderse. Hij heeft vleselijke gemeenschap gehad met zijn gewezen meid Tanneke Jacobs. De baljuw eist een boete van 200 ponden Vlaams. Burgemeesters en schepenen nemen deze eis niet over, maar verbannen hem uit Zeeland.

De nieuwe Fiscaal van het landrecht beklaagt zich in juni 1706 erover dat hij met z'n assistenten verscheidene malen 'met vloeken, dreigementen en feitelijkheden swaare oppositie en resistentie had ontmoet' en in het bijzonder op 29 maart in de executie van een acte van condemnatie ten laste van Marinus Janse in de Craejert, 'door denselve met het trekken van een mes was gedreigd ende alsoo faietelijk geresisteerd'. Het stadsbestuur oordeelt 'dat soodanige resistentiën van justitie sijn van ruïneusen gevolge ende ten hoogste strafbaar'. Marinus Janse wordt gevangen genomen.

In mei 1708 treedt de baljuw Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, op tegen Janis Steenaart.
Hij heeft in het openbaar gedanst en schandelijke dingen bedreven met een getrouwde vrouw. Ook heeft hij zijn vrouw geschopt, uit het huis op straat gejaagd en een gat in het hoofd geslagen. Zijn vrouw is kort daarop overleden, waarschijnlijk als gevolg van vergiftiging. Het is niet geheel bewijsbaar. Hij wordt voorgoed verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. Ook in december 1708 voert de baljuw een rechtsgeding tegen Matthaus Boene, een getrouwd man. Hij heeft in de schutterij van de handboog ten huize van Maria van der Loef zich niet ontzien veel geweld te maken met op de deur te slaan en verdere bedreigingen te uiten dat, als zij de deur niet opende, het huis in brand te steken. Na het openen van de deur heeft hij haar bedreigd met een mes. Ze heeft de deur daarop toegesmeten. ‘s Avonds heeft hij een venster open gebroken en is in huis geklommen en op een bed gaan liggen. Daar hebben de gerechtsdienaars hem opgehaald. Burgemeesters en schepenen verbannen hem uit de provincie Zeeland.

Veiligheid

In juni 1702 overleggen de regenten Adriaan Eversdijk, Drywegen, Van de Houven en Smytegelt namens het stadsbestuur met de drie gecommitteerden van het eiland, de schouten Schipper en Eversdijk en de baljuw Haverhoek, 'om middelen te beramen waardoor het eiland bij deze conjunctuur van tijden jegens alle vijandelijke invasiën en stroperijen soude kunnen worden geasseureert'.

Er vertonen zich in april 1704 verscheidene vijandelijke en gewapende chaloupen op de Zeeuwse binnenstromen. Deze hebben zich niet ontzien, zelfs omtrent dit eiland, weg te voeren enige binnenlandse vaartuigen. Daarom is te vrezen dat zij op het vaste land in de Heerlijkheid van Borssele 'wel ietwes vijandelijks mogten ondernemen aan personen of goederen'. De baljuw en schepenen van de Heerlijkheid van Borssele worden gelast, dat 'binnen de Heerlijkheid tegen alle onverhoopte invasiën sal worden gehouden een ordentelijke en sufficante wacht in het wachthuis aldaar en daar omtrent'. De kapitein en andere officieren van de compagnie aldaar moeten deze wacht zodanig regelen 'als sij met de meeste versekerdheid van de goede opgesetenen ende de conveniëntie van haar onderhoorige manschappen sullen bevinden te behooren'.

In mei 1704 dreigt opnieuw een vijandelijke inval. Op verzoek van de Staten van Zeeland worden officieren aangesteld onder de opgezetenen van Sint Joosland en een raming van kosten voor wachthuizen gemaakt. De opgezetenen krijgen bevel de officieren in hun kwaliteit te respecteren en hun bevelen te gehoorzamen. In Zeeland worden dit jaar gelegerd onder meer twee compagnieën Zwitsers, twaalf compagnieën Schotten te voet, twaalf compagnieën van Belcastel, twaalf compagnieën te paard van Ceur Paltz, zes compagnieën te paard van Hessen Cassel, vijf compagnieën dragonders van Denemarken en zeven compagnieën grenadiers van Denemarken.

 

Baljuw en 's Heeren dienaars

In deze jaren speelt zich een drama af rondom de in 1682 door de Stadhouder benoemde baljuw, ook wel genoemd de heer Officier, Cornelis Eversdijk. Het betreft hier een tragische episode in de geschiedenis van het stedelijke bestuur. Na de verandering van de magistraat blijft de baljuw Cornelis Eversdijk voorlopig nog in functie. Hoewel, in juni 1702 wordt de hoogbaljuwage van Borssele hem afgenomen. In die functie volgt Hubrecht Schout hem op. Op 10 juni 1703 blijkt dat nimmer uitvoering is gegeven aan het besluit van het stadsbestuur van 1692, waarbij de vrijdom van huishuur voor de baljuw is ingetrokken. Deze bewoont het huis, 'aankomende het weeshuys staande aan de Beestenmarkt in de Nieuwe Noordstraat' (dit is het pand Nieuwstraat nummer 1). De baljuw blijkt tot nu toe nooit enige huurpenningen betaald te hebben. De buitenregenten van het weeshuis overleggen met de baljuw over een 'matige huur ten profijte van het weeshuis, dit onverlet haar actie over voorgaande jaren'. Hij weigert hierop in te gaan, verwijzend naar oude rechten dat het baljuwhuis is vrijgesteld van huur. Het stadsbestuur besluit hem per 1 mei 1703 een huur te laten betalen van £ 35 Vlaams per jaar. De baljuw accepteert dit.

Ernstiger voor de baljuw wordt het halverwege 1703. Op 16 augustus 1703 besluit het stadsbestuur eenparig 'om redenen haar edel achtbaren moverende de baljuw Cornelis Eversdijk te ontslaan van de eed, door hem in het jaar 1682 ten aanvang van zijn ambt gedaan'. Ook wordt besloten dat tot onderhouding van de goede orde en politie een stads schout zal worden aangesteld. Tevens besluit het stadsbestuur om ter vergadering van de Staten van Zeeland 'alle kragtige devoiren aan te wenden teneinde haar edelmogenden de baljuw ook gelieven te ontslaan van de eed door hem in die kwaliteit aan hen gedaan, het ambt van baljuw vacant te houden en vervolgens haar agtbaren in staat te stellen tot het formeren van een nominatie, om daar uit een nieuwe baljuw te verkiezen, alsoo de rust ende welstand der stad Goes daar aan ten hoogsten gelegen is, waartoe haar edelmogenden bij expresse missive op het ernstigste zullen worden verzocht'. Vanwege de ernst van deze zaak ondertekenen 'al de leden dezer regering hoofd voor hoofd' deze brief. Het stadsbestuur stelt een Instructie voor het stads schoutambt vast en neemt deze op in het 'swarte boek der voorboden, folio 71'. Het stadsbestuur verkiest tot stadsschout Hubertus Drijwegen.

In oktober 1703 keurt het stadsbestuur 'een concept van contra-berigt' goed op de ingediende remonstrantiën van de baljuw Eversdijk aan de Staten van Zeeland. Daarbij geeft de gewezen baljuw voor 'door burgemeesters en schepenen van deze stad in zijne functies, soo ten aanzien van het aanstellen van een civiele schout, als wel van sijn persoon van de Baljuwage van deze stad te ontslaan, te wezen benadeeld'.

Het drama met de baljuw Cornelis Eversdijk sleept zich in 1703 voort. In november constateert het stadsbestuur: 'Alzo de baljuw mr. Cornelis Eversdijk door burgemeesters en schepenen, als heren van Borssele, zijnde gecommitteerd en aangesteld geweest tot Hoogbaljuw van de Heerlijkheid Borssele, tot nog toe in gebreke is gebleven om ingevolge de Instructie, op de Hoogbaljuwage van Borssele gearresteerd, te doen rekening van alle civiele en criminele boeten en compositiën, bij zijn edele achterhaald en gemaakt'. Besloten wordt 'de baljuw Eversdijk door een gerechtsbode te sommeren het stadsbestuur binnen 14 dagen rekening te doen van goederen, die verwonnen zijn van diefte of andere onbehoorlijke faicten, insgelijks van andere goederen, mitsgaders van alle andere confiscatiën, boeten, missiven en breuken, die binnen de Heerlijkheid van Borssele ofte daar buiten, geperpetreerd souden mogen zijn, alles op pene van gijzeling'.

In november 1703 constateert het stadsbestuur ook andere zaken! De baljuw Eversdijk blijkt in zijn hoedanigheid van superintendent (oppertoezichthouder) van het eiland tot april 1702 een traktement van honderd rijksdaalders per jaar te hebben genoten, in strijd met een resolutie van het stadsbestuur uit 1684. Hierdoor is het middel van 's lands wachten zeer overbelast, zodanig 'dat haar edelagtbaren tot suijvering der lasten hadden moeten resolveren tot extra ordinaire lichtingen'. De vier gecommitteerden van het eiland worden opgeroepen om gezamenlijk te overleggen 'wat bij deze constitutie van tijd tot redres van de lijdende financiën van het voorseide middel behoort te worden gedaan'.

De daartoe aangewezen commissarissen doen verslag van hun overleg met de vier gecommitteerden van het eiland. Besloten wordt 'de rentmeester te ordonneren van de baljuw af te vorderen een som van £ 41.13.4, bij hem wegens een pretens jaartraktement als superintendent, verschenen prima april 1702, van Matthias Huige, gewezen ontvanger van het voorseide middel, ontvangen, behoudens nochtans het recht van het middel van 's Lands wachten, om deze onverminderd in tijden en wijlen alsnog te kunnen repeteren zodanige betaalde traktementen van voorgaande jaren als hij, baljuw, heeft weten machtig te worden'.

De huur van het huis aan de Beestenmarkt, eigendom van het weeshuis en bewoond door de baljuw, eindigt in mei 1704 af. Het wordt verhuurd aan de stadssecretaris Johan Westerwijk. De getergde baljuw Eversdijk richt zich tot de President en Raden van Holland, Zeeland en West Vriesland. Hij verzoekt daarbij het vermelde in de notulen met betrekking tot de bedreigde gijzeling ongedaan te maken. In december 1703 besluit het stadsbestuur 'den Hove te berichten van de gelegentheid deser saak en daar benevens toe te zenden een copie van de eed, door de Hoogbaljuw van Borssele indertijd, en ook laatst door de Baljuw Eversdijk in die kwaliteit in handen van burgemeesters en schepenen van Goes, als Heren van Borssele, afgelegd, met copie uit de instructie op hetselve ambt gearresteerd, alsmede copie van de jaarlijkse verantwoording dezer zaak in de rekeningen van Borssele en een copie uit de instructie van de Rentmeester van Borssele waarbij den selven regt is gegeven, om het inkomen deser Heerlijkheid te innen bij parate en heerlijke executie'. Het stadsbestuur adviseert het verzoek van de baljuw af te wijzen.

Vanuit de statenvergadering stuurt burgemeester Westerwijk op de 2e februari 1704 een rapport toe over de Middelburgse onlusten. Het notulenboek vermeldt: 'Burgemeester Westerwijk op heden van de tegenwoordige staatsvergadering herwaarts wezende overgekomen, heeft haar edelagtbaren omstandig rapport gedaan van de tumultuaire beweging en exerabile samenswering, door enige geremoveerde oude regenten, geassisteerd door een opgeraapt uitschot uit de naburige steden, tegen de wettige en gestabiliseerde regering van Middelburg, in die stad op de 26e januari 1704 ondernomen, en onder de Segen van God Almagtig door de goede borgerie gewapenderhand gelukkig gedempt. Mitsgaders tgene de heren gedeputeerden der Stad Middelburg ter vergadering van de Staten in naam van hun principalen daarvan al bereids hadden geproponeerd. Tegemoet siende dat daarover wegens de Stad Middelburg nog nadere voorstellingen souden worden gedaan'.

Het stadsbestuur besluit, 'in achting genomen de verschrikkelijke gevolgen van dit gesmeed complot, klaarblijkelijk aangelegd tot een gehele omkering ende ruïne van die Stad ende deze provincie, burgemeester Westerwijk te autoriseren omme sig met de heren van Middelburg in der selver al bereids geproponeerde ter saak van de voorseide revolte ende tgene bij deselve alsnog tot meerder vaststelling van derselvers stedelijke en provinciale regering ter vergadering van de Staten zal worden geproponeerd, te vougen en daar in bij gevolg van enige andere leden sonder nader last of ruggespraak in naam van haar edel achtbaren te consenteren'.

Op 15 maart 1704 neemt het stadsbestuur, na rijpe deliberatie, het gewichtige besluit Cornelis Eversdijk, baljuw van de stad, (om bekende redenen de stad Middelburg ontzegd) te gelasten zich buiten deze stad en jurisdictie van dien te blijven onthouden, met verbod van daar binnen te komen dan op nader order van het stadsbestuur. De Staten van Zeeland belasten burgemeester Adolf Westerwijk met de voorlopige waarneming van de baljuwage. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord. Westerwijk mag twee stemmen uitbrengen, één als burgemeester en één als baljuw. Door de betrokkenheid van baljuw Eversdijk bij het tumult van 26 januari 1704 binnen de stad Middelburg zijn verscheidene, zowel politieke als criminele, zaken blijven liggen. Deze zijn door de zo langdurige absentie van de baljuw nog niet afgewikkeld.

Op 24 juni 1704 volgt de ontknoping. Omdat de baljuw mr. Cornelis Eversdijk 'op het geproponeerde van de Heren van Middelburg ter vergadering van de Staten van Zeeland, ter oorsaak van sijne medepligtigheid aan de laatst bekende conspiratie (samenzwering) tegen de regering van hare Stad, bij alle de leden deser provincie (uitgezonderd de Stad Zierikzee, welker gedeputeerden sig dien aangaande ten principalen tot nog toe niet hadden geuit) onweerdig verklaard wezende om in den dienst en de eed van haar edelmogenden te blijven continueren ende dienvolgens vervallen van sijne provintiale bedieningen. Daarbij komende dat mr. Cornelis Eversdijk, gelijk de stad Middelburg, soo ook deze Stad ende jurisdictie van dien sijnde ontsegd, buiten staat is gesteld om deze soo hoognodige functie te konnen waarnemen'. Het stadsbestuur verklaart de functie van baljuw vacant.

Met eenparige stemmen besluit het de heer Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, en verder de regerend schepenen mr. Adriaan Eversdijk en doctor Gaspar Rontvis te nomineren bij de Staten van Zeeland om daaruit een baljuw te verkiezen. De afgevaardigden van Goes krijgen opdracht de heer Van Steenvliet als beste kandidaat aan te bevelen. Op 13 april 1705 kiezen de Staten van Zeeland uit de nominatie tot baljuw de heer Adriaan Vogel, heer van Steenvliet. Een delegatie uit het stadsbestuur, bestaande uit burgemeester Van Sunder, oud-burgemeester Adolf Westerwijk en schepen doctor Gaspar Rontvis, gaat de nieuwe baljuw aan zijn huis aan de Wijngaadstraat nummer 53b feliciteren. Na zijn beëdiging wordt hij 'door burgemeester Eversdijk in het algemeen en van alle leden in 't bijzonder gecongratuleerd, allen zegen toegewenst en deselfs persoon verklaard voor aangenaam'.

De zaak van de voormalige baljuw Eversdijk krijgt op 16 november 1704 een triest vervolg. Burgemeester Eversdijk deelt het stadsbestuur mee dat hij 'gisteren in den avond door den soon van de heer mr. Cornelis Eversdijk was begroet ende in naam van des selfs Moeder, doodlijk krank leggende, seer beweeglijk was versogt, teneinde sijn edele aan haar voorseide man gedurende deze ziekte geliefde te vergunnen vrij acces tot haar persoon en in zoverre te dispenseren van haar edel agtbarens resolutie van 15 maart 1704'. Besloten wordt mr. Cornelis Everdijk te accorderen het 'versogte acces tot sijn edele huisvrouw en huis in deze stad, met vrijheid gedurende het meeste gevaar van de siekte aldaar te mogen verblijven, mits sig ondertussen in stilheid onthoudende van 's Heeren straten ende uit publijcque bijeenkomsten'.

Op 20 april 1705 doen de Goese gedeputeerden verslag van de laatste statenvergadering. Ze lezen een extract voor uit de notulen van de Staten van 6 april 1705 met betrekking tot het ontslag van mr. Cornelis Eversdijk en de aanstelling van Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, tot baljuw, 'over de extensie van welke notulen enige remarques sijnde gevallen'. Het stadsbestuur is van mening dat 'sij heren gedeputeerden wel hebben gedaan daar tegen ter vergadering geen ophef te maken, maar dat sij ter eerster bijeenkomste van haar edel mogenden wegens haar edel agtbaren daar over in de notulen zullen doen insereren, dat haar edel achtbaren van verstand sijn, dat alle hetgene in de voorseide extensie werd gemeld, aangaande de conferentiën, gehouden tot het uitvinden van een equivalent, om mr. Cornelis Eversdijk daarvoor vrijwillig te doen desisteren, ende het gene daar verder bij werd gevoegd, betreffende de bevordering van de ruste der stad Goes, enigszins soude hebben gepast op den Staat der voorseide sake die deselve had ten tijde als haar agtbaren in september 1703 de demissie van mr. Cornelis Eversdijk aan haar edel mogenden versogten, tot den 26 januari 1704 toe, maar dat diergelijke gansch niet appliabel is op de gedaante, die dese saak naderhand heeft gekregen door de schuld, die mr. Cornelis Eversdijk in het bekende Middelburgse tumult van den 26 januari 1704 op sig heeft gehaald, als sijnde om die reden korten tijd na den voorseide 26 januari 1704, door de advysen van vijf leden, gesteld buiten haar edel mogenden protectie, mitsgaders naderhand door de heren van Middelburg en Goes, bij politieke censure, ontsegd de voorseide steden en criminele jurisdictie van dien'.

Brandweer

Verscheidene bedienden van de brandspuiten zijn in 1703 overleden; ook zijn nieuwe personen benoemd. Op het stadhuis onder de toren zal een lijst worden gehangen waarop de namen en functies van de brandweergasten zijn vermeld.

Schutterijen

De magistraatwisseling in 1702 heeft ook gevolgen voor de besturen van de schutterijen. Tot hoofdman van de schutterij van de Handboog wordt opnieuw verkoren doctor Gaspar Rontvis en tot dekenen Marynis Smytegelt de oude, Jacob van de Lerse en de procureur Hubert Drywegen. Tot hoofdman van de schutterij van de Voetboog wordt verkoren mr. Cornelis van Sunder en tot dekenen Mattheus Eversdijk, Pieter Benedictus Wils en mr. Johan van der Lugt. Tot hoofdman van de edele Busse wordt opnieuw verkoren mr. Jacobus Leydekker en tot dekenen Michiel Boydens, Josias Smytegelt en mr. Johan van Stapele.

Begin 1703 geeft het notulenboek een doorkijkje in de samenkomsten van de burgerwacht in herberg 'de Meerminne' en de schutterij van de Handboog. In januari betoogt Blaas Geijthoorn, 'dat hij op de 27e december 1702 als adelborst onder de burgerluitenant Ketelaar beneffens zijn mede adelborsten in de Herberg 'De Meerminne' op de maaltijd der gevallene boeten bij den anderen sijnde, sig aldaar omtrent de middernacht in een sijkamerken heeft te bed begeven, niet meer in staat zijnde om het aanwezende geselschap of sichzelf enige de minste vrolijkheid toe te brengen; dat hij tot dien stond jegens niemand van 't college nog enig het minste verschil ofte woorden heeft gehad; dat daarop sommige confraters waren gekomen voor zijn bed, denselve trekkende en stotende, soo dat hij daar door eijndelijk was genoodzaakt geweest op te staan en alsoo de suppliant zijn hoed doenmaals vermiste en dien van 't college verzoekende, niet weder en krege; dat hij, beschonken, daarover is uitgevaren in zeer harde bejegeningen en sig te buijten gegaan; dat de suppliant door dese gehoudene conduijte sig verlegen vond'. Hij mag over het voorgevallene accorderen met de baljuw.

Een soortgelijk geval speelt zich af in de schutterij van de Handboog In januari 1703 ontvangt het stadsbestuur een verzoek van Johannes Verrunne, met als inhoud 'dat hij op de 26e december 1702 als adelborst onder de burgercaptein Zijwert van der Bilt in de schutterije van de Handboog insgelijks ter verteering der gevallene boeten beneffens d'andere confraters bij den anderen vroolijk sijnde (omdat hij de kaart, daar mede enige confraters speelden, door malkanderen wierp) bijna van ijder soude sijn geslagen, gestooten en met voeten getrapt. Dat, daarover aan de captein klagende, iet is gevolgd nog enige de minste order gesteld. Dat daarop de suppliant in woorden en, soo als werd voorgegeven, in daden (dog hem onbekend) tegen de presente confraters heeft uijtgevaaren, twelk de suppliant betuijgd hem van herten leed te wesen. Verklarende ook geen de minste wetenschap te hebben van met een mes te hebben geworpen en sulks, al waar sijnde, dat tselve met geen kwaad opzet was geschied. En omdat hij door de baljuw Eversdijk is geciteerd en sig daar in verlegen vond, niet in staat sijnde om te ligiteren, soo verzoekt hij tot deze saak met de heer Officier mogt worden verklaard composibel'. Het stadsbestuur besluit hem toe te staan 'ook in deze zaak met de officier buiten regte te mogen accorderen ten overstaan van de schepenen Van Sunder en Van der Houve'.

In oktober 1706 wordt de schutter mr. Petrus Josephus van Campen uit de schutterij van de edele Busse gezet, dit 'vanwege zijn onbetamelijk gedrag ten tijde als in de voorleden weke de confrérie hare jaarlijkse vroilijke bijeenkomste ende maaltijd hield ende waar van den voorseide mr. Van Campen voor desen in andere en diergelijke gelegentheden meermalen preuven heeft gegeven, die haar agtbaren om redenen alhier in het brede niet sullen aanhalen'.

Extra-ordinaire compagnie

Ook heeft de verandering van de magistraat in 1702 gevolgen voor de extra-ordinaire compagnie van Zuid-Beveland. De huidige hoofdlieden worden afgedankt. Opnieuw in hun vorige bediening worden hersteld tot kapitein Guiljaam Boogaard, tot luitenant Jan Minnaart en tot assistenten Pieter van Damme, Cornelis Carstanje en Adriaan van Wijtvliet. Het stadsbestuur bepaalt in maart 1705 dat bij overlijden, verhuizing of anderszins, een assistentplaats in de extra-ordinaire compagnie van Zuid-Beveland 'in tijd en wijle komende te vaceren, deselve niet sal werden gesuppleerd, maar werd die open te vallen plaats van nu en voortaan alsdan gehouden voor gemortificeerd'.

De compagnie raakt in september 1705 in opspraak. Bij Guiljaam Boogaard, kapitein van de compagnie, komen dagelijks klachten binnen over misdragingen van enige van zijn ondergeschikte assistenten en wel bijzonder, dat Pieter van Damme, mede-assistent, 'sig menigmaal verlopende in dronkenschap, veeltijds insolentiën ende exactiën komt te plegen, strekkende 't selve tot merkelijke oneer van het selve Corps der gemelde Compagnie'. Van Damme wordt in zijn functie geschorst voor drie maanden; 'wijders, dat alhier in 't volle collegie aan de compagnie haar debvoir ernstelijk sal werden aanbevolen, ende op pene van cassatie geinterdiceerd aan niemand, wie hij sij, enige overlast te doen, ofte regtveerdige reden van klagte te geven. Werdende de captein Boogaard gelast sig dien aangaande wel naauw te informeren en aan haar agtbaren getrouw rapport te doen'.

Nachtwacht

De nachtwacht bestaat uit twaalf klapperlieden. Deze klapperlieden hebben doorgaans ook nog wel een ander baantje. Zo is de klapperman Cornelis van de Velde tevens poortier van de Hoofdpoort, grafdelver en lid van het arbeidersgilde. Als hij in 1704 overlijdt, mag zijn weduwe Josina Pieters de bediening van poortier voortzetten op hetzelfde traktement met dien verstande dat de klapperwacht door haar zoon zal worden waargenomen. Als een van de twaalf nachtwakers overlijdt vermeldt het notulenboek dat 'een kleppe is open gevallen', waarna een nieuwe klapperman wordt verkoren.