Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1854 - 1860)

Stadsbestuur

De gemeenteraad telt deze jaren elf leden. Hieronder vallen ook de burgemeester en beide wethouders. De samenstelling blijft deze jaren vrijwel hetzelfde, te weten:

  • mr. Martinus Pieter Blaaubeen, burgemeester
  • Gerardus Hendrikus Kakebeeke, wethouder
  • Jacobus Walraven van Kerkwijk, wethouder
  • dr. Roelof Benjamin van den Bosch
  • Johannes Adolphus Abraham Fransen van de Putte
  • Pieter Andries Hochart
  • mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen
  • mr. Pieter Hendrik Saaymans Vader
  • mr. Andries Smallegange
  • Charles Petrus Soutendam
  • mr. Pieter Johannes van Voorst Vader

In 1855, bij de verkiezingen voor een nieuwe gemeenteraad, maken de leden Philip Vervenne Nicolaas zoon en dr. Nicolaas Johan Frans Verschoor plaats voor de heren J.A.A. Fransen van de Putte en mr. P.J. van Voorst Vader.

Secretaris van de gemeente is de heer Hendrik Cornelis Pilaar. Gemeenteontvanger is Jacobus Renterghem de Fouw. De heer G.H. Kakebeeke fungeert als derde ambtenaar van de burgerlijke stand.

Overeenkomstig artikel 54 van de Gemeentewet zijn de volgende vaste commissies ingesteld:

  • de vaste commissie voor het financiewezen met als drie leden de heren J.W. van Kerkwijk, voorzitter, A. Smallegange en C.P. Soutendam;
  • de vaste commissie voor het ontwerpen van de verordeningen tegen wier overtreding straf is bedreigd met als drie leden de heren burgemeester M.P. Blaaubeen, voorzitter, mr. W.G. Knokke van der Meulen en G.H. Kakebeeke;
  • de vaste commissie voor het armwezen met als drie leden de heren R.B. van den Bosch, voorzitter, P. Vervenne en P.A. Hochart;
  • een commissie van voorlichting en raad ten aanzien van de toelating en classificatie van kinderen op de school voor minvermogende niet bedeelden en op de bewaarschool met als leden namens de gemeenteraad de heren J.W. van Kerkwijk, voorzitter, en mr. P.H. Saaymans Vader; namens het algemeen armbestuur de heer T. Pieterse; uit het college van diakenen de heer J. Kooman; namens het rooms-katholiek parochiaal armbestuur de heer pastoor P.H. Timans en namens de commissie voor de economische spijsuitdeling de heer L.C. de Peval.

Op 24 maart 1855 overlijdt het raadslid P. Vervenne. Het gemeentebestuur ontvangt de volgende kennisgeving van rouwbeklag:
‘Met diepe smart deel ik uw edelachtbaren, ook namens mijne kinderen, het overlijden mee van mijnen geliefden echtgenoot, de heer Philip Vervenne Nzoon, lid van den Gemeenteraad alhier, in den ouderdom van 68 jaar.
Na een langdurig en smartelijk lijden behaagde het den alwijzen God eergisteren nacht aan zijn voor ons zoo dierbaar leven een einde te maken. De Voorzienigheid schenke ons kracht dezen slag met gelatenheid te dragen en dankbaar terug te zien op zijne afgelegde loopbaan, waarop hij steeds het goede en nuttige trachtte te bevorderen. Weduwe M. Vervenne-Zandee’.
De gemeenteraad schrijft de weduwe een condoleance met de volgende inhoud: ‘Dit kollege verliest in hem een ijverig en werkzaam medelid en betreurt zijn gemis ook om zijner veeljarige ondervinding en algemene bekendheid met de belangen der gemeente, welke te bevorderen zijn onvermoeid streven was’.

Op 3 mei 1855 overlijdt een telg uit een regentenfamilie, de te Goes geboren en lange tijd alhier wonende heer L.A. van der Bilt La Motthe. De gemeenteraad ontvangt een rouwbrief van de majoor belast met het toezicht over de garnizoensinfanterie te Kampen.

In juli 1855 moeten vier leden van de gemeenteraad worden gekozen. De heren R.B. van den Bosch en G.H. Kakebeeke worden met volstrekte meerderheid van stemmen herkozen. Een herstemming moet plaatsvinden ten aanzien van de heren J.A.A. Fransen van de Putte en W.A. de Laat de Kanter. Uit de herstemming blijkt dat de heren W.A. de Laat de Kanter en J.A.A. Fransen van de Putte met meerderheid van stemmen zijn gekozen. Beiden verklaren echter hun verkiezing niet te zullen aanvaarden. Er moet daarom tot een nieuwe stemming worden overgegaan. Daarbij worden de heren J.A.A. Fransen van de Putte en mr. P.J. van Voorst Vader gekozen. Van Voorst Vader aanvaardt zijn benoeming; Fransen van de Putte niet.

In de raadsvergadering van 17 februari 1857 doet de voorzitter, mr. M.P. Blaaubeen, mededeling van zijn herbenoeming als burgemeester. Hij weet zich gesteund door het vertrouwen van zijn mede collegeleden en de gemeenteraad. Wethouder Kakebeeke ‘neemt daarop het woord en wenscht den voorzitter ook namens deze raad geluk met het vernieuwde blijk van vertrouwen door Z.M. den Koning geschonken en beveelt de belangen der gemeente zijner verder aan’.
 
Op 23 mei 1857 verhuist het raadslid mr. P.J. van Voorst Vader naar de gemeente Kloetinge.

Bij de verkiezing voor vier leden van de gemeenteraad in juli 1857 worden alle vier aftredende raadsleden M.P. Blaaubeen, W.G. de Knokke van der Meulen, P.A. Hochart en M.P. Saaymans Vader herkozen. Er rijzen echter bezwaren tegen het lidmaatschap van de gemeenteraad van de heer Saaymans Vader omdat hij zijn verblijf niet permanent in de gemeente houdt. Met vier tegen twee stemmen wordt besloten de heer Saaymans Vader niet toe te laten. Saaymans Vader houdt daardoor op lid van de raad te zijn. Tegen stemmen de heren Kakebeeke en de voorzitter. De voorzitter deelt mee zijn bezwaren bij Gedeputeerde Staten kenbaar te zullen maken. Gedeputeerde Staten beslissen dat de heer Saaymans Vader toegelaten dient te worden als raadslid. Daarop besluit de meerderheid van de gemeenteraad de zaak aan Zijne Majesteit de Koning voor te leggen. Bij Koninklijk Besluit wordt de heer Saaymans Vader alsnog toegelaten.

Secretarissen en griffiers

Secretaris van de gemeente is deze jaren de heer Hendrik Cornelis Pilaar. Gemeenteontvanger is de heer Jacobus Renterghem de Fouw. Griffier ter secretarie is de heer Josias Risseeuw en commies ter secretarie de heer Coenraad Valentijn Lauer.

Op 21 januari 1854 neemt de gemeenteraad kennis van een brief van de oud-secretaris van de gemeente en president van het college van regenten van de godshuizen, de heer L. de Fouw. Hij bedankt het college van burgemeester en wethouders voor het bezoek en de felicitatie op zijn 70e verjaardag. Hij schrijft: ‘Onder de vele bewijzen van deelneming bij mijn 70e jaardag, welke ik gister mogt ontvangen, kon er wel geen meerder verrassend en tevens meerder vererend zijn dan het mij hoogst aangenaam bezoek van uw edel achtbare college, waarvoor ik u mijnen oprechten dank verzoek te mogen toebrengen. De hartelijke toespraak en welgemeente wensen voor het gelukkig doorbrengen van de tijd die de goede Voorzienigheid mij nog zal schenken, de herinnering aan eenen langdurigen werkkring bij het bestuur van mijne en mijne voorouderen geboorteplaats en de aanmoedigende woorden om nog niet te wijken uit de zorgvolle betrekking ten dienste van ouden van dagen en hulpbehoevende wezen, troffen mij en ook mijne aanwezige kinderen en vrienden en drongen diep in ons dankbaar gestemd gemoed. Ik mag niet ontveinzen dat het voor mijnen geest terugroepen van de genoeglijke waarneming van het stadssecretarisambt mij aangenaam was. Want ik heb dat werk altoos naar mijn vermogen met liefde verricht en had bestendig het voorrecht om een bemoedigend vertrouwen geschonken te worden. Zodanig vererend vertrouwen mogt en mag nog bij de voortduring mijn plaats in de godshuizen schragen, doch ik besef en gevoel volkomen, dat de vele betuigingen van goedkeuring over mijn bemoeiingen aldaar verre verheven zijn boven mijn verdiensten’.

Maar ditzelfde jaar, op de 6e november 1854, overlijdt de heer L. de Fouw. De directie van de leenbank deelt het gemeentebestuur het volgende mee: ‘Wij kwijten ons van een treurige pligt door het overlijden van ons waardig medelid der directie van de leenbank, den heer Leonard de Fouw Jz, mede te delen, waardoor er een vacature in onze directie is ontstaan. Ondertekend door D.C. Knokke van der Meulen, voorzitter, en J.C. Kakebeeke’.
De Fouw was ook lid en waardig voorzitter van het college van regenten over de godshuizen. Het voorzitterschap wordt voorlopig opgedragen aan mr. P.J. van Voorst Vader. Ter vervulling van de vacature wordt het volgende tweetal voorgedragen: Jan de Fouw Wz en
Johannes Gerard Risseeuw.

De commies ter secretarie, Cornelis de Fouw, verzoekt in november 1854, onder dankbetuiging voor de ondervonden welwillendheid, om per 1 januari 1855 uit deze functie eervol te worden ontslagen. De heer Coenraad Valentijn Lauer, voormalig hoofdcommies van de plaatselijke belastingen in pensioen, geeft te kennen dat hij graag in de plaats van De Fouw benoemd zou worden. Besloten wordt hem per 1 januari 1855 te benoemen tot commies.

De gemeenteraad stelt in oktober 1856 een Instructie voor de griffier en de commies griffier vast. Enkele bepalingen uit de Instructie luiden als volgt:

Artikel 2
Ze moeten op elke werkdag, behalve zondag, ’s morgens van 9 uur tot ‘s middags 2 uur, op de griffie verblijven. Ze verrichten de werkzaamheden die hen door burgemeester en wethouders of de secretaris worden opgedragen.

Artikel 6
De dagelijkse werkzaamheden worden door de griffier, onder toezicht van de secretaris, geregeld. Aan hen zijn in het bijzonder opgedragen de werkzaamheden betreffende de nationale militie, de schutterij, de jacht en de visserij, het in- en uitbrengen van de notulen van de raadsvergaderingen, de aanvragen om vrijdom van grondbelasting en het opmaken van die stukken die ter griffie behoren ontworpen te worden. De commies griffier is in het bijzonder belast met de werkzaamheden van de burgerlijke stand, de bevolking en de patenten.

Artikel 9
De griffier zorgt dat ter secretarie en op de griffie steeds een behoorlijk bijgehouden lijst voorhanden is, waarop naar volgorde des tijds, de te verrichten werkzaamheden worden aangetekend.

In de loop van 1860 krijgt de commies ter secretarie, de heer Coenraad Valentijn Lauer, te kampen met ziekte en gebreken. Hij verzoekt in oktober om zijn pensioen als hoofdcommies van de plaatselijke belastingen te verhogen. Zijn ziekelijke toestand noodzaakt hem zijn ontslag als commies ter secretarie te nemen. Maar een enkele week later leest voorzitter Blaaubeen de gemeenteraad een brief van de weduwe Lauer-Stoffels van de 25e oktober 1860 voor met de volgende inhoud: ‘Ik heb de eer uw edelachtbaren tot mijne droefheid te berigten dat mijn echtgenoot C.V. Lauer, in leven commies-griffier ter secretarie uwer gemeente, gistermorgen ten half vier ure is overleden’. Hij merkt op dat, al ware de overledene ook in leven gebleven, het college uit hoofde van het beginsel ongenegen zou zijn geweest zijn verzoek voor inwilliging voor te dragen. Wel had het college het voornemen om, uit erkentenis voor zijn buitengewone werkzaamheden ter gemeentesecretarie door het maken van alfabetische registers van de bevolking, geboorten en overlijden, hem een gratificatie van ƒ 100 toe te kennen. Het college stelt voor dit nu te doen ten behoeve van zijn weduwe. De gemeenteraad gaat hiermee graag akkoord.
De gemeenteraad besluit deze betrekking voorlopig onvervuld te laten. De daaraan verbonden werkzaamheden worden opgedragen aan de griffier en een van de boden.
Er zijn twee boden Anthonius Johannes Adrianus Petrus van Calmthout en Johannes Visser, waarvan de laatste belast is met het genoemde schrijfwerk.
Conciërge van het stadhuis is A.J.A.P. van Calmthout.
Gemeentearchivaris is dr. Rixtinus Arnoldus Soetbroot Piccardt.

De Commissaris van de Koning deelt in maart 1855 mee dat de Minister van Binnenlandse Zaken de ingenieur van de waterstaat, ir. J.F.W. Conrad, vergunning heeft verleend bijstand te verlenen voor het leveren van de ontwerpen en het uitoefenen van het oppertoezicht over de werken die in de loop van het jaar aan of bij de haven en de sluiswerken zullen worden uitgevoerd. Voorwaarde is wel dat ’s Rijks dienst daardoor niet zal lijden en de vergunning voor het vervolg niet van kracht is.
In maart 1859 deelt ingenieur Conrad het gemeentebestuur mee dat de Minister van Binnenlandse Zaken hem met ingang van 1 mei de dienst in de provincie Noord Holland heeft opgedragen en hem heeft overgeplaatst naar het arrondissement Alkmaar, ‘zodat ik omstreeks die tijd de gemeente zal moeten verlaten’. De gemeenteraad biedt hem hiervoor zijn welgemeende felicitatie aan. Tevens betuigt de raad zijn leedwezen. Het notulenboek vermeldt: ‘Met hem verliest de gemeente een achtenswaardig, bekwaam en hulpvaardig ambtenaar der gemeente’. Het college bedankt hem voor de bereidwilligheid waarmee hij het dagelijks bestuur van de gemeente heeft terzijde gestaan wanneer het ontwerpen en uitvoeren van belangrijke gemeentewerken de hulp en medewerking van een kundig ambtenaar vorderde. Hij krijgt een loffelijk getuigschrift mee.

Bevolking

Hieronder volgt een overzicht van het verloop van de bevolking, het aantal inwoners, een onderverdeling naar kerkelijke gezindte, het aantal geborenen en overledenen en het aantal huwelijken.

Jaar: Aantal inwoners: Hervormd: Roomsgezind: Luthers: Mennoniet: Joods: Chr. afgescheiden:
31-12-1853 5528 3681 1158 3 3 57 422
31-12-1854 5525 3711 1160 5 2 66 374
31-12-1855 5575 3829 1145 9 3 55 261
31-12-1856 5552 3699 1205 5 6 71 464
31-12-1857 5593 4092 1184 18 4 69 362
31-12-1858 5647 3783 1167 5 4 57 462
31-12-1859 5774 4175 1175 15 6 67 568
31-12-1860 5807 4092 1184 18 4 69 300
  Geboren: Overleden: Gehuwd:
1853 181 189 55
1854 189 167 32
1855 191 153 47
1856 191 156 30
1857 232 128 48
1858 200 173 59
1859 235 176 33
1860 222 154 33

In het inwonertal zijn ook de gevangenen begrepen. Dit zijn er over 1856 30 (23 m. en 7 v.), over 1857 23 (18 m. en 5 v.), over 1858 5, over 1859 5 en over 1860 eveneens 5.

Er vertrekken deze jaren verscheidene inwoners naar Noord Amerika om daar een nieuw bestaan op te bouwen of zich bij daar al wonende familieleden te vestigen. In 1854 vertrekken drie huisgezinnen met in totaal 17 personen; in 1856 1 persoon; in 1857 22 personen; in 1858 1 weduwnaar en in 1859 en 1860 geen.

Er zijn ook inwoners die vertoeven in het Sint Joris Gasthuis te Delft, waar ze vanwege krankzinnigheid worden verpleegd. In 1857 zijn het 6 personen die voor rekening van de gemeente daar worden verpleegd; in 1858 zijn het er 5 en in 1859 ook 5.

Het gemiddeld aantal kiezers voor leden van de Tweede Kamer bedraagt 215, voor Provinciale Staten 210 en voor de gemeenteraad 335.

Uit de in februari 1860 gehouden volkstelling blijkt dat het aantal huisgezinnen in de gemeente 1282 binnen en 166 buiten de kom van de gemeente bedraagt. Het aantal inwoners binnen de kom van de gemeente is 4458 en buiten de kom 743.
Het aantal huizen in de gemeente bedraagt in totaal gemiddeld 872, gespecificeerd als volgt:
wijk A: 162
wijk B: 192
wijk C: 233
wijk D: 165
wijk E: 120 (buiten de kom van de gemeente)

Contacten met rijk en provincie

Koningshuis
Op 24 februari 1854 verschijnt er een kennisgeving van de Commissaris van de Koning met het Koninklijk Besluit van 15 februari met een uitschrijving van gebeden voor de welstand en de voorspoedige bevalling van Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Groothertogin van Saxen Weimar-Eisenach, de Koningin, ter uitreiking aan de drie predikanten van de Hervormde gemeente. Op 14 maart komt er een dankzegging voor de verlossing van de Koningin. Deze wordt toegezonden aan de predikanten van de Hervormde en Afgescheiden gemeenten.

Elk jaar wordt de verjaardag van Zijne Majesteit de Koning gevierd. Zo luidt de publicatie op de 11e februari 1860 alsvolgt:

Bekendmaking:
Burgemeester en wethouders van Goes;
Doen naar aanleiding van artikel 17 van het Brand Reglement van deze gemeente, te weten:
Dat het in den avond van zondag de 19 dezer, bij gelegenheid van ’s Konings verjaardag, geoorloofd is VOETZOEKERS, VUURPIJLEN en andere vuurwerken af te steken, doch uitsluitend op de Grote Markt, de Vlasmarkt, de Beestenmarkt en de Grote Kaai.
En dat het verboden blijft dit elders te doen, zoo mede het schieten met kanonnetjes, snaphanen, pistolen, donderbussen en ander geweer, op straffe, bij voormeld reglement bedreigd.
Goes, den 11 februari 1860.

Tweede Kamer der Staten Generaal
In september 1859 wordt het lid van de Tweede Kamer, de heer mr. J.J. van Deinse, benoemd tot president van de arrondissementrechtbank te Goes. In zijn plaats wordt tot lid van de Tweede Kamer benoemd de heer B.P.G. van Diggelen, hoofdingenieur van de Waterstaat in Zeeland. In oktober 1859 wordt de heer J. Fransen van de Putte, het Goese lid van Provinciale Staten van Zeeland, gekozen tot lid van de Tweede Kamer.
 
Provinciale Staten van Zeeland
In mei 1856 worden tot leden van Provinciale Staten voor dit kiesdistrict gekozen mr. M.P. Blaaubeen, A. Kakebeeke en I.G.J. van den Bosch. Tussen de heren J.P.I. Buteux en J.H. Bijlau moet nog een herstemming plaatsvinden. De heer Buteux wordt dan gekozen.
In mei 1859 zijn er weer verkiezingen. Herkozen worden dan de heren mr. J.C.R. van der Bilt, J. Fransen van de Putte en J.W. Vader. Er moet een herstemming plaats vinden tussen de heren J.H. Bijlau en O. Verhagen. De heer Verhagen wordt gekozen.
Vanwege zijn benoeming tot lid van de Tweede Kamer bedankt de heer J. Fransen van de Putte in oktober 1859 als lid van Provinciale Staten. Uit een drietal, te weten de heren J.H. Bijlau, mr. W.G. de Knokke van der Meulen en H.C. Pilaar, wordt gekozen de heer J.H. Bijlau.

Commissaris van de Koning
In maart 1858 neemt Jonkeer mr. J.G.H. van Tets afscheid als Commissaris van de Koning in Zeeland. Hij is benoemd tot Minister van Binnenlandse Zaken. Het gemeentebestuur stuurt hem een felicitatie toe. In juni volgt er een brief van de heer mr. S. Baron van Heemstra met kennisgeving van de aanvaarding van de functie van Commissaris van de Koning in Zeeland. Het gemeentebestuur besluit de nieuwe Commissaris te gaan complimenteren, terwijl een afkondiging van de aanvaarding is aangeplakt.
Op 28 juni 1858 legt een commissie uit het college van burgemeester en wethouders een bezoek af bij de nieuw benoemde Commissaris van de Koning. Ze zijn door hem ‘allerminzaamst’ ontvangen.
In september 1858 komt er een brief van de nieuwe Commissaris van de Koning, waarbij hij kennis geeft van zijn voornemen om op zaterdag 11 september de gemeente Goes te bezoeken. De burgemeester geeft de gemeenteraad hiervan kennis. De raad besluit de Commissaris van de Koning een diner aan te bieden. De uitnodiging daarvoor wordt door de Commissaris gaarne aangenomen. Een Publicatie verschijnt met de mogelijkheid gebruik te maken van een openbare audiëntie. Voorbereidingen worden getroffen ‘om dien Magistraatspersoon op hem waardige wijze te ontvangen’.
Al in mei 1860 legt de heer M.F. Baron van Heemstra zijn functie als Commissaris van de Koning neer. Zijne Majesteit de Koning heeft hem benoemd tot Minister van Binnenlandse zaken. Het gemeentebestuur wil haar opwachting maken om afscheid van hem te nemen, maar er zal geen audiëntie plaats vinden. Hij wordt namens de gemeenteraad het beste toegewenst en dank gezegd voor wat hij tijdens zijn kortstondig bestuur heeft verricht.
In zijn plaats komt de heer mr. R.W. Baron van Lynden.