Cultuur en erfgoed

Gemeentearchief

Als gemeentearchivaris fungeert deze jaren dr. R.A.S. Piccardt, predikant van de Hervormde gemeente.

Aan het begin van elk jaar ontvangt de gemeenteraad van hem een uitgebreid jaarverslag over de gang van zaken in het gemeentearchief gedurende het afgelopen jaar.

Afbeelding
Portret van Dr. Rixtinus Arnoldus Soetbrood Piccardt, 1814-1888
Portret van Dr. Rixtinus Arnoldus Soetbrood Piccardt, 1814-1888

In februari 1861 biedt archivaris Piccardt de afgedrukte bladen van de tweede afdeling van de catalogus van het gemeentearchief aan de gemeenteraad aan. Hij bericht ‘dat de grote omvang van dit werk en het bezwaar dat daaraan op de drukkerij niet aanhoudend kan worden gearbeid de oorzaken zijn dat het geheel nog niet gereed is, zoals ik had gewenst’. Hij betoogt dat ook dit deel van de catalogus reeds lange tijd door hem was gereed gemaakt, maar hij heeft gemeend door de toezending van de afgedrukte bladen het bewijs te moeten leveren dat hier wel langzame voortgang, maar geen stilstand heeft plaats gehad. Volgens zijn inschatting is de helft nu afgedrukt en zal het werk dit jaar worden voltooid.

Om deze reden verzoekt hij hem de titel van ‘Archivaris der Stad Goes’ te verlenen zonder daarvoor iets te verlangen. Dit geeft hem de gelegenheid om voortdurend aan de bewaring en ordening van het archief werkzaam te kunnen zijn. Hij hoopt een ‘deel der vruchten van mijn onderzoek eerlang neder te leggen in de voorgenomen uitgave van ‘Bijzonderheden uit de geschiedenis der Stad Goes’.

Voorzitter Blaaubeen merkt in de raadsvergadering op dat het college van burgemeester en wethouders meermalen getuige was van de grote omvang van het werk dat de heer Piccardt op zich heeft genomen en van de goede orde die door hem in het vroeger verwarde archief van de gemeente is gebracht. Hij is van oordeel dat de zorg over het archief aan de heer Piccardt zou kunnen worden opgedragen.

Het college stelt de gemeenteraad dan ook voor de heer dr. R.A.S. Piccardt aan te stellen tot ‘Archivaris der Stad Goes’ tegen het genot van een vergoeding van ƒ 50 in het jaar. Met algemene stemmen stemt de gemeenteraad hiermee in. Een door het college ontworpen ‘Instructie voor de archivaris’ wordt in april 1861 met algemene stemmen vastgesteld.

Het gemeentebestuur ontvangt in juni 1861 een brief van archivaris Piccardt met de kennisgeving dat hij overeenkomstig zijn Instructie op de vrijdag van iedere week van 1 tot 2 uur de gelegenheid zal worden opengesteld om, in zijn tegenwoordigheid, het archief te bezoeken. Hij voegt daarbij dat hij zich te allen tijde beschikbaar stelt voor belanghebbenden wanneer daarvan door schriftelijke aanvraag zal blijken.

Besloten wordt met die bepaling genoegen te nemen en daarvan openbare bekendmaking te doen met de aanbeveling om van die aanbieding niet dan in geval van noodzakelijkheid een bescheiden gebruik te maken.

In maart 1862 biedt de gemeentearchivaris zijn jaarverslag over 1861 aan het gemeentebestuur aan. Het verslag bevat op zichzelf weinig nieuws. De oude klacht wordt herhaald over de gebrekkige plaatsing van het archief. De ruimte staat vol met kasten die alle volkomen gevuld zijn. Voor de bibliotheek zijn geen noemenswaardige boeken verkregen. Wenselijk blijft het ‘dat nog eenmaal daarin mocht gevonden worden wat op de geschiedenis van onze stad rechtstreeks betrekking heeft, omdat over dat onderwerp schier niets hier wordt gevonden’.

De aanwinsten over 1861 zijn:

  1. een portret van C.F. van Eversdijk, rekenmeester van de Grafelijkheid van Zeeland;
  2. een silhouet van dr. J. ab Utrecht Dresselhuis en
  3. de Kaart van Zeeland van Magielse & Brandt.
Afbeelding
Cornelis Fransz Eversdijk, 1586-1666. Wiskundige en rekenmeester van Zeeland, Willem Eversdijck, 1660-1666. Olieverf op paneel, Rijksmuseum
Cornelis Fransz Eversdijk, 1586-1666. Wiskundige en rekenmeester van Zeeland, Willem Eversdijck, 1660-1666. Olieverf op paneel, Rijksmuseum

In zijn jaarverslag van 1862-1865 merkt de archivaris het volgende op:

De geschiedenis van ons archief, sedert het laatste verslag, dat ik de eer had aan te bieden, kan in deze weinige woorden vervat worden: ‘het is in denzelfden toestand’.

Hij doet ook interessante mededelingen over de verwerving van een sluitsteen van de afgebroken Ganzepoort en een sluitsteen uit het afgebroken gebouw van het logement ‘de Gouden Leeuw’ op de Grote Markt. Nadere gegevens zijn vermeld onder de paragraaf ‘Erfgoed van Goes’.

In zijn jaarverslag over 1865 merkt archivaris Piccardt onder meer op:

Ditmaal mag ik beginnen met mijn onverdeeld genoegen uit te drukken, dat in een lang gevoelde behoefte werd voorzien De verbinding der voormalige Gijzelkamer met het lokaal waarin ons archief bewaard wordt, heeft een beschikbare ruimte gegeven, die niet alleen in staat stelt om het aanwezige op gewenste wijze te plaatsen, maar die ook het uitzicht geeft dat, ook bij grotere uitbreiding van het archief en van de verzameling van oudheden, de plaats tot berging vooreerst niet ontbreken zal’.

’De bibliotheek vermeerderde met enige boekwerken waaronder ook de bijzonderheden uit de geschiedenis der Stad Goes, voorlezingen door de archivaris uitgegeven.

Ook enige stukken door de heer J. van Renterghem de Fouw aangeboden en een kleine verzameling van documenten betreffende de geschiedenis der onlusten binnen Goes, op het einde der 17e eeuw, waarschijnlijk afkomstig uit de familie Van Dorth.

Onze verzameling van oudheden ontving van de heer G.J. Besseling uit de nalatenschap van de heer G. van de Velde een wapenbord van de familie Codde, dat vroeger in de hervormde kerk alhier gehangen heeft’.

Uit de begroting voor het jaar 1866 blijkt het volgende met betrekking tot het gemeentearchief:

De archiefkamer is reeds sedert geruime tijd gebleken veel te klein en te bekrompen te zijn voor een behoorlijke berging van het archief. Aan een vergroting was niet te denken, zolang het aangrenzend vertrek tot gijzelkamer dienen moest. Vermits door de in dienst stelling van de nieuwe gevangenis ook dit vertrek ter beschikking komt van het gemeentebestuur, kunnen de beide kamers alsnu ineen worden getrokken, waardoor genoegzame ruimte voor het archief verkregen zal worden. De kosten van het samenvoegen en het aanbrengen van kasten zijn ƒ 200’.

In februari 1866 wordt de begroting voor de vergroting van de archiefkamer goedgekeurd. Volgens de omschrijving gaat het om o.a. het breken van een gat in de muur tussen de archiefkamer en de vroegere gijzelkamer, het uitbreken van de muur met het plaatsen van een nieuw deurkozijn, het aanstoppen en bijwerken van de muren in de gijzelkamer, het maken van een stookgelegenheid, het wegbreken van de bedstede op de gijzelkamer, het uitbreken van de ijzeren tralies van het raam en het aanvullen van de gaten met zuiver Portlands cement, het schilderen van de kamer, het aanbrengen van planken voor het slaan van krammen voor het ophangen van kaarten en het maken van een schrijftafel. De gehele gijzelkamer zal worden geschilderd. De kosten worden geraamd op totaal ƒ 196.

Terugblikkend op het jaar 1866 schrijft de archivaris in zijn jaarverslag over 1866:

Sedert 1852 is het oude archief, dat zeer verward was onder de archieven der regtbank, in het ruwe geordend. Eene naauwkeurige splitsing en ordening was tot 1866 niet mogelijk door gebrek aan beschikbare ruimte. Door de ontruiming van enige lokalen, vroeger voor gevangenis gebruikt., is dit nu mogelijk geworden en wordt daaraan gearbeid. Oude charters zijn tot nog toe niet ontdekt’.

De archivaris tekent in zijn jaarverslag over 1867 het volgende aan:

Van de zijde van het publiek bleef de belangstelling in dit, voor de gemeente niet onbelangrijk bezit, gering. De ondergetekende zou daarom wel wenschen, dat, even als zulks elders geschiedt, van tijd tot tijd in de stads courant de kennisgeving werd herhaald, op welke tijd het archief en de verzameling van oudheden voor het publiek zijn open gesteld en dat de gemeentearchivaris steeds bereid is, om aan belangstellenden de nodige inlichtingen te geven’.

Schutterstukken

In zijn jaarverslag over 1861 vestigt de gemeentearchivaris de aandacht op de schilderijen (de schutterstukken) die nog altijd in het gebouw van de voormalige Gasthuiskerk bewaard worden. Hij schrijft:

Zal aan dit lokaal, voor zover het het gedeelte betreft waar de schilderijen zijn, haast een andere bestemming gegeven worden dan zullen die gedenkstukken der oudheid wederom elders moeten worden overgebracht. Die gedurige reizen zijn evenmin als een vochtig verblijf voor het schilderwerk voordelig en het bezwaar is niet klein waar zulke omvangrijke stukken geschikt zullen worden bewaard. De overweging daarvan heeft er mij toe geleid om een voorstel aan u te doen teneinde niet langer door de schat, ons door het voorgeslacht nagelaten, bezwaard te worden en daarbij nog gevaar te lopen dat men ons van nalatigheid daaromtrent beschuldigen zal. Het is zeker dat de stukken voor onze gemeente betrekkelijke waarde hebben, omdat zij de herinnering bewaren aan onze voormalige schuttershoven en menig beeld van de voorouders van nog levende geslachten. Maar wat baat een bezit waarvan niemand genot heeft en wat betekent het bewaren als dit niet anders kan zijn dan voorbereiding van een wisse ondergang. Oudheidkundigen en schilders zouden ons misschien van vandalisme beschuldigen wanneer zij de kunststukken van Eversdijck in stukken verdeeld in donkere en bezoedelde hoeken vonden. Zou men ons daarvan meer kunnen verdenken indien de stukken door verkoop hier geheel werden opgeruimd? Ik meen dat onlangs de stad Delft is overgegaan met het verkopen van schilderstukken die men niet kon plaatsen. Daardoor is de gedachte bij mij opgewekt om hetzelfde te doen en alzo liever de kunstwerken in andere handen te laten bestaan dan ze voor ons te behouden om ze te laten verloren gaan. Er zijn stukken, die als kunstwerken mogen beschouwd worden, van Eversdijk en Peuteman. De opbrengst daarvan zou nu nog een bate zijn, later niets meer bedragen. Wilde men echter iets ter herinnering behouden dan zou die opbrengst kunnen dienen om enkele stukken te laten restaureren en daarmede bijvoorbeeld de vier wanden van de oude raadszaal te versieren. Ik meen dat geen wettig of wichtig bezwaar daartegen kan worden ingebracht in de tegenwoordige toestand waarin de stukken zijn en de toekomst die daarvoor onvermijdelijk is. Daarom neem ik de vrijheid u in overweging te geven of het niet geraden zijn zou om definitief te beslissen over het lot van die schilderijen die sedert jaren of in duistere en ontoegankelijke hoeken verscholen waren of als lastige erfstukken bewaard van de ene naar de andere ongeschikte bewaarplaats worden overgebracht’.

Hij voegt eraan toe:

Maar ik vertrouw dat het boven gereleveerde omtrent de onmogelijkheid om ooit een goede plaats voor die 17 uitgebreide schilderijen te vinden mijn voorslag rechtvaardigt. Maar dat het tot mijne roeping behoort de kunst te eerbiedigen en hare voortbrengselen uit den ouden tijd een waardige plaats bij het nageslacht te verzekeren’.

Ook in zijn jaarverslag over 1862 luidt de archivaris de noodklok over de toestand van de schuttersstukken van Goes. Hij schrijft dan:

Onder verwijzing naar mijn vorig verslag, neem ik de vrijheid om andermaal de aandacht van het gemeentebestuur te vestigen op de schilderijen, nog altijd in duistere en onzindelijke schuilhoeken geborgen. Het behoeft niet gezegd te worden, dat met ieder jaar de stukken verachteren en het hoe langer zo meer noodzakelijk wordt, om ze op afdoende wijze voor geheel bederf te bewaren. De archivaris kan niet anders dan den wens uitdrukken, dat, door enig besluit van het bestuur daaromtrent, het lot dier schilderijen spoedig moge worden beslist’.

De archivaris beklaagt zich in zijn jaarverslag over 1862 ‘dat van het archief door anderen weinig gebruik gemaakt wordt, dat slechts zelden iemand zich aanmeldt in de uren voor de bezichtiging, onder zijn aanwijzing, bepaald; slechts nu of dan laat een vreemdeling, die het raadhuis bezichtigd, een vlugtigen blik over de verzameling van geschiedenis en oudheidkunde gaan’.

Bij de behandeling van het jaarverslag van de gemeentearchivaris over 1863 merkt raadslid De Laat de Kanter in de raadsvergadering van 21 april 1864 op dat hij bij het nazien van het jaarverslag opnieuw ziet aangedrongen op het nemen van een besluit over de oude schilderijen van de gemeente. Hij beaamt volkomen het gevoelen van de archivaris dat die met de dag in waarde verminderen. Hij wenst een eind aan die zaak te zien.

De voorzitter zegt dat het college sinds het vorig jaarverslag niet stil gezeten heeft, waarbij de archivaris behulpzaam is geweest. Ze zijn met een kunstkoper uit Rotterdam en nog anderen in overleg getreden, doch er is zelfs geen bod gedaan. Daardoor is er geen mogelijkheid geweest de schutterstukken te gelde te maken, daar toch van die voorwerpen geen koopdag kan worden aangelegd.

De heer De Laat de Kanter bedankt de voorzitter voor de gegeven inlichtingen. Hij geeft in overweging om de vier beste schilderijen te laten restaureren en de overige, op elke wijze ook, van de hand te doen.

De voorzitter repliceert daarop dat een dergelijke restauratie veel geld zal kosten en hij niet weet waar men ze zou moeten ophangen. Het is een zeer moeilijk punt, want ze verachteren natuurlijk. Hij geeft de heer De Kanter in overweging de zaak aan het college over te laten om deze op de meest geschikte wijze te beëindigen. Daarmee wordt genoegen genomen.



Op 24 september 1864 legt de burgemeester de gemeenteraad een brief over van de heer A.J. Lamme te Rotterdam van de 17e september. Deze brief bevat zijn advies met betrekking tot de 17 schilderijen van de gemeente. Deze zijn door hem op uitnodiging van het gemeentebestuur onderzocht en getaxeerd. Aan de schuttersstukken wordt door de heer Lamme een waarde toegekend van ƒ 300,00. Hij schrijft het gemeentebestuur het volgende:

Bij deze heb ik de eer uw achtbaren mijn advies over de 17 stuks schilderijen te geven. Dezelve zijn alle meer of minder zwaar beschadigd, waardoor ik dezelve slechts driehonderd gulden waard acht, welke som ik ervoor geven wil.

Convenieert zulks niet dan kan uw achtbaren dezelve bij een belangrijke veiling van schilderijen voegen die ik de 13 en 14 oktober a.s. zal houden en in dat geval verzoek ik u dezelve ten spoedigste te mogen ontvangen in het Notarishuis, Gelderse Kade te Rotterdam. Bij publieke veiling heeft men kans van meer maar ook van minder opbrengst. Indien u de nummers 11, 12 en 14 eruit houdt, dan geef ik voor de overige ƒ 250. Het in orde brengen van deze drie stuks neem ik aan voor ƒ 180’.

De secretaris van Middelburg, mr. J.H. de Stopperlaar, schrijft op 12 oktober 1864:

In de Middelburgse Courant van de 11e dezer wordt melding gemaakt van de voorgenomen verkoop te Rotterdam door den heer Lamme van 17 stuks schilderijen, afkomstig uit de voormalige schuttershoven te Goes.

Daar het wenselijk zou kunnen zijn dat die stukken voor de provincie werden bewaard, althans zo de schilderijen portretten bevatten van mannen, in Zeelands geschiedenis met lof bekend, en in dit geval het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen - overeenkomstig zijn roeping - in onderhandeling zoude kunnen treden over de aankoop daarvan, neem ik de vrijheid, namens het uitvoerend bestuur van het Genootschap voornoemd - u te verzoeken mij zo spoedig mogelijk te willen doen toekomen een lijst of opgave der namen van al degenen, wier afbeelding op de bewuste stukken voorkomt’.

Op 22 oktober 1864 legt de burgemeester over een bij hem van de heer Lamme te Rotterdam ontvangen nota van de verkoop van de schilderijen, afkomstig van de schuttershoven die binnen deze gemeente bestaan hebben, volgens welke kan beschikt worden over een zuiver saldo van ƒ 604,08. Hij stelt voor om van de opbrengst een gratificatie van ƒ 20,00 uit te reiken aan de gemeentearchivaris die zich voor deze zaak veel moeite gegeven en reiskosten gemaakt heeft en het overige te doen verantwoorden als ontvangst op het artikel van de begroting van dit jaar, voor opbrengst van onbruikbaar geworden en andere verkochte roerende goederen. Alzo wordt besloten.

Op 24 oktober 1864 deelt het college de gemeenteraad mee, dat, ingevolge het besluit van de gemeenteraad, de in eigendom zijnde schilderijen van de gemeente onlangs zijn opgezonden om te voegen bij een kunstverkoping op de 14e dezer te Rotterdam. Uit een ingekomen kennisgeving blijkt dat de verkoop zuiver heeft opgebracht ƒ 584,08. De gemeenteraad neemt dit bericht voor informatie aan.

De zeventien schutterstukken worden verkocht voor ƒ 691,75. Onder aftrek van de onkosten (10% onkosten ƒ 69,17, transport van de boot naar het notarishuis ƒ 4,50, voor afreiskosten naar Goes voor geven van advies ƒ 14, voor reis- en verblijfkosten van de heer Piccardt voor begeleiding ƒ 20, voor verdere kosten ƒ 22,66) blijft er over ƒ 561,62.

In zijn jaarverslag over 1864 schrijft archivaris Piccardt:

In de eerste plaats heb ik met enig genoegen te vermelden, dat onze bezittingen verminderd zijn. Ik verheug mij toch, in zekere zin, dat de schilderijen van de schuttershoven afkomstig, konden verkocht worden. Indien er enig uitzicht bestaan had, dat vroeg of laat daarvoor een geschikte plaats ware te vinden geweest, ik zou alle pogingen hebben aangewend om ze te behouden. In de gegeven omstandigheden was het wenselijker ze te verkopen dan ze te laten bederven, en voor zoveel zij thans een waardige plaats gevonden hebben, zullen zij der kunst meer tot ere zijn dan dit hier mogelijk was’.

De archivaris maakt in zijn jaarverslag over 1866 opnieuw een dringende wens kenbaar. Nu eenmaal onze bibliotheek behoorlijk gerangschikt is en de catalogus daarvan in orde en bijgehouden wordt, zou het zeer wenselijk zijn dat deze in één lokaal, ook bij verdere uitbreiding, kon verenigd blijven. ‘Misschien’, zo schrijft hij, ‘was daarvoor een geschikte plaats te vinden indien een van de lokalen in de toren, vroeger tot gevangenis gebruikt, daarvoor kon worden ingericht en ik meen te mogen beweren dat de kosten daarvoor rijkelijk zouden worden opgewogen door het nuttig oogmerk dat daardoor werd bereikt’.

Niettemin verklaart hij tevreden: ‘Ik meen dat langzamerhand ons archief in een staat komt, waardoor het wat inrichting betreft, met anderen goed georganiseerd wedijveren kan, het zou jammer zijn indien ook niet onze boekerij op een waardige wijze kon bewaard worden’.

Erfgoed van Goes

In april 1861 blijkt uit het provinciaal blad dat de Commissaris van de Koning van de gemeentebesturen een opgave wenst met betrekking tot het opsporen van overblijfselen der vaderlandse kunst en beschaving uit vroegere tijden. Besloten wordt bij het ontdekken van een of ander daarbij bedoeld voorwerp daaraan te voldoen.

Het verzoek van J.F. Koens van maart 1861 om op het Ravelijn in pacht een koepel te mogen plaatsen wordt tot nader onderzoek aangehouden.

In september 1861 wordt van de kerkenraad van de Christelijke Afgescheiden gemeente ontvangen een adres over de verwijdering van een pomp in de nabijheid van hun kerkgebouw. Omdat dit onderwerp niet tot de bevoegdheid van de gemeenteraad behoort wordt het doorverwezen naar het college.

In zijn jaarverslag over 1862 maakt de archivaris melding van ‘een sluitsteen, bij het afbreken van de Ganzepoort gereserveerd, waarop het jaartal van de vernieuwing dier poort wordt gevonden en waardoor een gedachtenis aan het nu verdwenen monument van den voortijd wordt bewaard’. Hij meldt verder: ‘Bij gebrek aan plaats is deze steen in het lokaal van de waag moeten geborgen worden, waar ook het koperen geschut, eenmaal door een Engelsch officier geschonken, een tamelijk ongeschikte plaats gevonden heeft’.

Ook maakt hij in dit jaarverslag melding van ‘Een ook een sluitsteen uit het nu afgebroken gebouw op de Grote Markt, vroeger, en ook in de geschiedenis van onze stad, bekend als logement ‘de Gouden Leeuw’. Het blijft altijd onzeker of de afbeelding op die steen aan een onbekende aanleiding heeft gegeven, dan wel of die steen daar werd geplaatst nadat het gebouw dien naam ontvangen had. Het opschrift op dien steen heeft reeds voor jaren tot allerlei gissingen aanleiding gegeven en zowel daarom, als om de herinnering aan een nu verdwenen oud gebouw, dat reeds voor eeuwen hier werd vermeld, zijn wij erkentelijk voor de welwillendheid van de heer A. Nortier, die deze steen voor onze verzameling heeft afgestaan’.

In april 1864 deelt J.R. Haak, schilder te Hulst, thans verblijvende te Goes, mee dat hij op bestelling vervaardigd heeft een schilderij voorstellende een boerenkermis, waarvan de besteller dezer dagen is overleden. Hij is nu voornemens dat schilderij benevens de portretten van Zijne Majesteit de Koning en zijn gemalin, beide in olieverf, door verloting te gelde te maken. Hij verzoekt vergunning om op 23 april ‘s avonds om 7 uur in de herberg ‘Het Slot Oostende’ bij de weduwe Koens deze schilderijen te doen verloten met 125 loten tegen 75 cent het lot. De schilderijen stellen voor het Slot Oostende met dansende landlieden en de portretten van de Koning en Koningin.

De directie van de Handboogsociëteit ‘de Arend’ te Goes geeft in april 1864 kennis dat de sociëteit het voornemen heeft ‘een steng te plaatsen voor het schieten naar den vogel’. Deze is weliswaar in gereedheid doch zij hebben tot heden niet kunnen slagen om met particuliere eigenaren een akkoord te treffen om deze in de nabijheid van de stad te plaatsen. Ze krijgen toestemming om dit te doen op de bij de heer H. van den Berge in gebruik zijnde Stoofweide.

In mei 1864 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer J. van der Baan uit Wolphaartsdijk ten geleide van een door hem uitgegeven boekje over het geslacht Alvarez, waarvoor hem dank wordt gezegd.

In zijn jaarverslag over 1864 brengt de archivaris een zaak van de voormalige Latijnse school ter sprake. Hij schrijft:

Ik neem deze gelegenheid waar om de aandacht van UwEd. Achtbare te vestigen op een bijzonderheid, die voor ons archief niet onbelangrijk is. Gedurende een tal van jaren was in deze gemeente een Latijnse school met een college van curatoren. Dit laatste had zeker ook een archief, uit notulen, correspondentie, besluiten, enz. bestaande, dat in het algemeen kan worden geacht van enig belang te zijn geweest en waarin zeer zeker gevonden worden stukken betreffende de inrichting der school, waarvan in ons gemeentearchief geen exemplaren worden gevonden.

Nu is reeds sedert 15 jaren de school opgeheven, het college van curatoren is meest door den dood der titularissen ontbonden, maar het archief van dat college is niet zoals van andere gesupprimeerde instellingen bij het gemeentearchief overgebracht. Toen ik mij met de beschrijving onzer scholen bezig hield, heb ik zeer het gemis gevoeld van bescheiden betreffende de Latijnse school, die toch wel zeker nog zullen voorhanden zijn en het is daarom dat ik meen de aandacht van UwEd. Achtb. Daarop te moeten vestigen, waarbij ik het verzoek voeg, dat, zo mogelijk enige pogingen mogen in het werk gesteld worden, om te weten waar de nalatenschap der voormalige Latijnse school berust, opdat die ook haar plaats bij zo vele andere bescheiden in het gemeentearchief moge vinden’.

Ook in zijn jaarverslag over 1865 maakt de archivaris melding van een bijzonder erfgoedstuk. Hij schrijft:

Eindelijk neem ik de vrijheid uw aandacht te vestigen op de schilderij voorstellende het laatste oordeel, die sedert vele jaren in de stadsschuur werd bewaard. Als schilderstuk heeft zij, naar het oordeel van deskundigen, geen de minste waarde; de voorstelling is van dien aard dat het stuk bezwaarlijk voor de ogen van het publiek kan worden ten toon gehangen; maar het stuk hing eenmaal op de zogenaamde vierschaar en schier in elke beschrijving der stad Goes wordt daarvan gesproken. Ik zou het daarom betreuren als het vernietigd werd, te meer daar thans de gelegenheid tot plaatsing niet ontbreekt. Het zou toch in de Waag, waar nog andere voorwerpen bewaard worden, een geschikte plaats kunnen vinden’.

De voorzitter deelt de gemeenteraad op 28 juni 1865 mee dat van de zijde van de bewoners van de Ganzepoortstraat, als bewijs van hoogachting, ten geschenke voor deze gemeente bij het college is overgebracht het borstbeeld van wijlen Zijne Majesteit Koning Willem II. Dit heeft gediend tot opluistering van de versiering van die straat ter gelegenheid van de viering van het halve eeuwfeest van de Slag bij Waterloo. Besloten wordt dit geschenk met erkentelijkheid aan te nemen en het een waardige plaats in het Stadhuis te geven.

In juli 1866 biedt de heer M.J. Soutendam het gemeentebestuur ten geschenke voor de oudheidverzameling een ijzeren voet- of kruisboog, zoals die oudtijds bij de schutters hier in gebruik was, aan. Het college betuigt hem hiervoor haar dank.

Burgemeester M.P. Blaaubeen overhandigt de archivaris voor de oudheidkundige verzameling een zilveren cachet met het wapen van Jan van Cromvliet, dat in de nabijheid van de plaats waar het oude slot van Baarland stond, in de grond gevonden is. De heer L. de Fouw schenkt een portret van Frans Naerebout.

In 1868 schenkt burgemeester Blaaubeen aan de oudheidkamer een collectie van afbeeldingen van de stad Goes en plattegronden van die, waardoor de reeds voorhanden zijnde verzameling niet onbelangrijk is aangevuld. De heer mr. M.F. Lantsheer overhandigt een zilveren exemplaar van de gedenkpenning, ter ere van de heer D. Dronkers geslagen en aan deze door Zeeuwsen aangeboden, bij gelegenheid van de opening van de Zeeuwse spoorweg.

Kunst

In maart 1865 stuurt de Commissaris van de Koning een kopie van een brief van de Commissie uit de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Amsterdam ‘voor de overblijfselen der oude Vaderlandse kunst’ betreffende het opsporen, behouden en bekendmaken van voorwerpen der Vaderlandsche kunst uit vroegere tijden. Hij verzoekt, zover doenlijk, tot bereiking van het doel van de commissie te willen meewerken. Het gemeentebestuur vraagt gemeentearchivaris Piccardt hiervoor een voorzet te maken. Piccardt schrijft onder meer het volgende:

Voorwerpen aan bouwkunst uit den ouden tijd, die bijzondere aandacht verdienen, zijn hier niet. Van de oude gebouwen die om hunne inrichting of bestemming des zodanig in aanmerking komen zouden, zoals de stadspoorten, de schuttershoven enzovoorts, zijn meest alle verdwenen en waarvan voor de sloping afbeeldingen genomen zijn, welke in onze verzameling ten stadhuize berusten. Voorwerpen als beeldhouwkunst en schilderkunst, waaronder muurschilderingen, zijn hier evenmin.

Alleen meen ik op een bijzonderheid de aandacht te moeten vestigen. Het was, naar het schijnt, voor enige jaren reeds in het buitenland bekend, dat de pilaren in het kerkgebouw van de hervormden, bepaaldelijk in de zogenaamde preekkerk, beschilderd zijn.

Bij gelegenheid dat de gasverlichting in het kerkgebouw werd aangebracht is dat bevestigd geworden. Toen een gasbuis langs de pilaar tegenover de preekstoel werd gelegd en daartoe een inhakking plaats had, bleek het, dat die pilaar onder de vrij dikke kalklaag, waarmede zij thans bedekt is, beschilderd was. Enige letters en draperieën werden daarbij zichtbaar, waaruit echter niets omtrent de aard van die schildering kon worden opgemaakt en slechts bij mij het vermoeden rees dat die schilderingen zouden bestaan voornamelijk in opschriften. De initialen zijn niet bijzonder fraai bewerkt en miniatuurtekeningen worden er volstrekt niet in gevonden. Vruchteloos poogde ik de kerkvoogden te bewegen om een deel van die pilaren verder van de kalklaag te laten ontdoen teneinde iets meer van die schilderingen te zien te krijgen. Het was mij niet onbekend hoe elders belangrijke proeven van muurschilderingen tevoorschijn waren gebracht en ik nam de vrijheid het kerkbestuur daarop te wijzen.

Het is mij echter niet mogen gelukken enige belangstelling in deze zaak bij kerkvoogden op te wekken en wat voor een ogenblik zichtbaar was geweest, is ijlings weder met een nieuwe kalklaag bedekt geworden.

Wij bezitten voorts, gelijk u bekend is, onze verzameling voor geschiedenis en oudheidkunde, een enkel stuk huisraad uit de oude tijd, een zogenaamd half buffet afkomstig uit het voetbogenhof, enkele voortbrengselen van ambachten zijnde proefstukken van de oude gilden en enige wapenen en gedeelten van wapenrusting, die nog uit de Spaanse tijd hier zijn overgebleven.


Voorwerpen van wetenschappelijke aard, gedenkpenningen, zegels, handschriften, die zich voor bewaring onderscheiden, worden hier weinig of niet gevonden. Tot de laatsten zouden wij kunnen brengen de twee attributen, die op het einde der 16e eeuw in de St Magdalena kerk, toen die voor gebruik aan de hervormden overging, ten stadhuize werden overgebracht. Zij onderscheiden zich echter in hunne soort niet’.

Bibliotheek

In 1861 stuurt dokter K. Broes van Dort een exemplaar toe van de door hem bewerkte bijdrage tot de kennis van de sterfte in de gemeente Goes. Dit wordt met dank aanvaard en in de bibliotheek geplaatst.

In januari 1861 sturen Gedeputeerde Staten vijf exemplaren van een nieuwe kaart van Zeeland toe. Deze worden toegezonden aan de plaatselijke schoolcommissie met verzoek deze op een doelmatige wijze aan de scholen uit te reiken.

In juli 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van archivaris Piccardt, waarbij hij inzendt het tweede gedeelte van de Catalogus van de bibliotheek, welke nu geheel gereed is. Hij verzoekt evenwel daarvan nog geen uitreiking te doen, ‘vermits er een verbeterblad behoort te worden toegevoegd dat later gedrukt en nagezonden zal worden’. In april 1863 stuurt het gemeentebestuur aan Gedeputeerde Staten tien exemplaren van het thans afgedrukte tweede gedeelte van de Catalogus van de bibliotheek van de gemeente Goes.

De heer A. Kakebeeke stuurt in 1862 een presentexemplaar voor de stadsbibliotheek van een door hem bewerkte vertaling van een verhandeling over de wormziekte van de tarwe door ds. Davaine. Besloten wordt het boekwerk dankbaar te aanvaarden en te plaatsen in de bibliotheek van de gemeente.

Het gemeentebestuur ontvangt in februari 1864 een brief van het bestuur van het Departement Goes van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen met bericht van een ontvangen mededeling van het bestuur van de boekerij van dat departement. Door de boekerij zal moeten worden ontruimd het thans gebruikte lokaal behorende bij de openbare school der 1e klasse van de hoofdonderwijzer de heer Swart. Verzocht wordt om vergunning voor die nuttige instelling gebruik te mogen maken van het lokaal boven het gebouw ‘de Korenbeurs’, dit in overleg met de verenigingen die dat lokaal in gebruik hebben. Besloten wordt dat verzoek in te willigen en vergunning te verlenen om tot wederopzegging voor de boekerij van het Departement Goes der Maatschappij tot Nut van ‘t algemeen gebruik te maken van de zaal boven ‘de Korenbeurs’.

Het jaarverslag over 1864 vermeldt:

De boek- en andere wetenschappelijke verzamelingen bestonden weder in de bibliotheek en het archief der gemeente, en de boekerij van het departement van de maatschappij tot nut van ’t algemeen. Bij voortduring werd van de laatste veel gebruik gemaakt, en het is te bejammeren dat het afnemend getal leden van dat departement de inkomsten van die nuttige instelling zodanig doet verminderen, dat dezelve niet dan met moeite in stand gehouden kan worden’.

In juni 1865 komt er een brief van de heer W. Swart, hoofdonderwijzer aan de openbare school der 1e klasse te Goes. Daarbij biedt hij de gemeenteraad aan een exemplaar van een nieuwe uitgave van zijn ‘Geschiedenis des Vaderlands’. Besloten wordt de heer Swart voor ‘dit vernieuwde blijk van welwillendheid’ te bedanken.

Ook de hoofdonderwijzer van de openbare school der 2e klasse, de heer P. van Hiele, blijft niet achter bij zijn collega. In augustus 1865 schrijft hij het gemeentebestuur een brief, waarbij hij voor het archief van de gemeente een exemplaar aanbiedt van een door hem vervaardigd rekenboekje, getiteld ‘Praktische Leergang voor het onderwijs in het Rekenen’. Dit leerboek ziet dezer dagen het licht. De heer Van Hiele maakt van deze gelegenheid gebruik om het college hartelijk dank te zeggen voor de welwillendheid, waarmee het gebruik van de kaarten van Goes is toegestaan.

Ook van de heer J.W. Verschoor ontvangt de gemeente in september een exemplaar van diens academisch proefschrift over optometers en optometrie. Dit wordt onder dankbetuiging aan de gever in de boekerij gedeponeerd.

In mei 1866 wordt namens het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aangeboden het eerste deel van de Zeelandia Illustrata, de verzameling van kaarten, portretten, platen enzovoorts betreffende de oudheid en geschiedenis van Zeeland, beschreven door mr. M.F. Lantsheer. De overige afleveringen zullen bij de uitgave eveneens worden toegezonden.

De heer J. van der Baan te Wolphaartsdijk biedt het gemeentebestuur in oktober 1867 een presentexemplaar voor het gemeentearchief aan van de ‘Kerkelijke geschiedenis der Hervormde gemeenten, classis Goes, 1e aflevering’. Hij wil dit werk ook successievelijk vervolgen. Het gemeentebestuur betuigt hem dank hiervoor. Het ingezonden werk en de nog in te zenden afleveringen zullen geplaatst worden in de bibliotheek.

Ook van de heer J.A. Geill, geneesheer te Nisse, ontvangt het gemeentebestuur in november 1867 een presentexemplaar van zijn uitgegeven werkje over de wezen verzorging. Dit zal in het archief worden geplaatst.

Het college stuurt in januari 1868 drie exemplaren van de Naamwijzer der gemeente Goes en eilanden Zuid- en Noord-Beveland over het jaar 1868, gedrukt bij F. Kleeuwens en zoon, drukkers te Goes, aan het departement van Binnenlandse zaken.

Geschiedbeschrijving van Goes

Het gemeentebestuur ontvangt op 7 mei 1864 een brief van de gemeentearchivaris dr. R.A. Soetbroot Piccardt met de volgende inhoud:

Het is uw edelachtbaren bekend dat mijne voorlezingen over de geschiedenis van de Stad Goes, door mij alhier gehouden, in druk worden uitgegeven. Ik heb mij niet gehaast dit werk te voltooien, teneinde het zoveel mogelijk volledig te maken. Thans echter is de arbeid gereed en binnen weinige weken zal die worden uitgegeven.

Door uw edel achtbaren in der tijd tot archivaris der gemeente benoemd en door uwe vrijgevigheid in staat gesteld om alle hier aanwezige bronnen nauwkeurig na te gaan zal ik, zo mijn werk enige betekenis heeft, deze grotendeels aan uwe gunstige beschikkingen danken.

Het zou mij daarom hoogst aangenaam zijn, indien ik dit mijn werk over de geschiedenis van onze stad aan uw edelachtbaren mocht opdragen en aan het hoofd daarvan de namen schrijven van burgemeester en wethouders, onder wier bestuur het mij vergund was de opgenomen taak te volbrengen. Ik hoop uw edelachtbaren mijn verzoek niet zullen beschouwen als een aanmatiging, maar veel meer als een bewijs mijner erkentelijkheid jegens uwe personen en mijn prijsstelling op uw vrijgevig bestuur.

De beschikking van uw edelachtbaren met vertrouwen verwachtende heb ik de eer mij met verschuldigde hoogachting te noemen.


S. Piccardt.

Het college geeft de archivaris het volgende antwoord:

Wij voelen ons zeer vereerd door de mededeling van uw voornemen ons de uitgave van uwe voorlezingen over de geschiedenis der Stad Goes aan dit college op te dragen. Wij hebben de eer uw eerwaarde beleefdelijk te kennen te geven dat wij met het grootste genoegen die opdracht accepteren’.

In mei 1864 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de archivaris en predikant van de Hervormde gemeente dr. R.A.S. Piccardt. Hij verzoekt vergunning tot het opdragen van zijn in druk uit te geven voorlezingen over de Geschiedenis van de Stad Goes aan het college van burgemeester en wethouders. Besloten wordt daarop beleefdelijk te antwoorden dat die opdracht met het grootste genoegen wordt geaccepteerd.

In de vergadering van burgemeester en wethouders van 2 januari 1865 wordt de weleerwaarde heer dr. R.A.S. Piccardt, gemeentearchivaris en predikant van de Hervormde gemeente, ter vergadering toegelaten. Hij brengt aan de vergadering over een presentexemplaar van het drukwerk ‘Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad Goes, voorlezingen door hem alhier gehouden, opgedragen aan dit college en bestemd voor het archief der gemeente’.

Hem wordt de welgemeende dank van het gemeentebestuur toegebracht voor dit belangrijk geschenk. Van de ontvangst wordt kennisgegeven aan de gemeenteraad.

De gemeenteraad ontvangt enkele weken later een presentexemplaar van de voorlezingen, gehouden door de weleerwaarde heer R.A.S. Piccardt, getiteld ‘Bijzonderheden uit de Geschiedenis van de Stad Goes’, door hem in persoon ter vergadering van burgemeester en wethouders overgelegd, waarvoor hij bij die gelegenheid de dank van het college, ook namens de gemeenteraad, is betuigd geworden. Dit boekwerk zal geplaatst worden in de bibliotheek van de gemeente.

In januari 1865 worden drie exemplaren van hete boekwerk ‘Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad Goes, voorlezingen gehouden door R.A.S Piccardt, gedrukt en uitgegeven bij F. Kleeuwens’ aan het Departement van Binnenlandse Zaken aangeboden.

In november 1866 delen de heren E. Moll, voorzitter, en M.J. de Witt Hamer, secretaris, het gemeentebestuur het volgende mee:

Hier ter stede heeft zich een vereniging gevormd met het doel om op gezette tijden voorlezingen te houden voor het volk. Wetende hoezeer Uw edelachtbaren alles wat tot ontwikkeling van het algemeen kan bevorderlijk zijn, voorstaat, menen wij u met dit plan niet onbekend te mogen laten en bevelen dan ook deze zaak aan uw ed. welwillendheid dringend aan’.

In oktober 1867 biedt J. van der Baan het gemeentebestuur een presentexemplaar aan voor het gemeentearchief van ‘De kerkelijke Geschiedenis der Hervormde gemeenten in de Classis Goes, 1e aflevering’ om dit ook successievelijk te vervolgen. Hij schrijft: ‘Mij vleijende dat dit geschenk, mede namens den Uitgever, hoe eenvoudig dan ook, met welwillendheid zal geaccepteerd worden’.

Contacten met de Commissaris van de Koning

Begin januari 1861 wordt bericht ontvangen van de Commissaris van de Koning met de decoratie en het brevet van Ridder der Orde van de Eikenkroon, waartoe de heer M.J. Soutendam, kapitein kommandant der dienstdoende schutterij bij Koninklijk Besluit van 21 januari is benoemd. Verzocht wordt de ridderorde aan de heer Soutendam te willen uitreiken. Op nieuwjaarsdag is hieraan op plechtige wijze voldaan in tegenwoordigheid van de officieren van de schutterij en van wethouder Van Kerkwijk en de secretaris. Bij deze gelegenheid heeft de Muziek der Schutterij enige muziekstukken uitgevoerd.

De Commissaris van de Koning laat in augustus 1861 weten dat het zijn voornemen is om op zijn rondreis aanstaande maandag de 12e augustus deze gemeente te bezoeken en alsdan een audiëntie te geven. De voorzitter deelt de gemeenteraad mee dat de Commissaris van de Koning bij zijn bezoek op 12 augustus het archief heeft bezichtigd en de onderscheidene registers heeft nagezien. Hij heeft zijn tevredenheid betuigd over de wijze waarop alles ingericht en bijgehouden wordt.

In september 1867 ontvangt het gemeentebestuur een kennisgeving van de komst van de Commissaris van de Koning in deze gemeente op de 12e september. De voorzitter nodigt de leden van de gemeenteraad uit om samen te komen op donderdagmorgen om half negen uur op de burgemeesterskamer van het Stadhuis om gezamenlijk over de belangen van de gemeente met de Commissaris te kunnen spreken.

Bezoek van Zijne Majesteit Koning Willem III aan Goes

In de vergadering van de gemeenteraad van 1 april 1862 doet de voorzitter mededeling van een bij hem ontvangen kabinetsschrijven van de Commissaris van de Koning. Daarin wordt meegedeeld dat Zijne Majesteit Koning Willem III voornemens is op de 21e mei en gedurende enige volgende dagen deze provincie te bezoeken, onder anderen het eiland Zuid-Beveland en in het bijzonder ook deze gemeente.

De Commissaris heeft de burgemeester daarbij uitgenodigd tot een mondeling overleg over de reistocht door dit eiland, teneinde die aan het beoogde doel te laten beantwoorden. Daarvoor heeft de voorzitter zich gisteren naar Middelburg begeven en aldaar met de Commissaris van de Koning het verlangde onderhoud gehad. Bij die gelegenheid heeft hij vernomen dat Zijne Majesteit de 27e mei van Bath naar Goes zal komen en tussen een en twee uur van de middag zal arriveren, om na een kortstondig verblijf te vertrekken.

Daar die tussentijd zeer geschikt is om Zijne Majesteit een déjeuner aan te bieden stelt het college de gemeenteraad voor haar te machtigen voor een gepaste ontvangst het nodige voor te bereiden.

De heren Fransen van de Putte en De Laat de Kanter verklaren zich tegen het betalen van de kosten uit de kas van onze zwaar gedrukte gemeente. Ze zien liever dat dergelijke kosten worden gedragen door de leden van de gemeenteraad in hun privé.

Op 3 mei 1862 komt een brief van de Commissaris van de Koning binnen met bericht over de op handen zijnde komst van Zijne Majesteit de Koning in dit gewest en van zijn voornemen om bij die gelegenheid op dinsdag de 27e een tournee door dit eiland te doen en ook deze gemeente te bezoeken. Daar zal Zijne Majesteit vermoedelijk om een uur aankomen en, na een wijle tijd te hebben vertoefd, zijn reis zal voortzetten. Besloten wordt deze heugelijke tijding aan de ingezetenen bij openbare bekendmaking mede te delen en deze tot gepaste vreugdebedrijven uit te nodigen.

Op 7 mei 1862 deelt de Commissaris van de Koning de burgemeester het volgende mee: ‘Het is mij hoogst aangenaam uw edelgestrenge mede te delen dat Zijne Majesteit de Koning voornemens is den 21 mei eerstkomende en gedurende enige volgende dagen deze provincie te bezoeken, onder anderen het eiland Zuid-Beveland en bepaaldelijk ook uwe gemeente.

Ik stel er veel prijs op met Uw edelgestrenge al datgene te beramen wat strekken kan om Zijne Majesteits reistocht door het eiland aan het beoogde doel te doen beantwoorden en hoogst aangenaam zou het mij daarom zijn wanneer uw edelgestrenge tijd en gelegenheid mogt hebben daarvoor mondeling met mij in overleg te treden.

Mogt uw edelgestrenge niet verhinderd zijn, gelieve mij dan vooraf den dag wel te willen opgeven waarop ik uw edelgestrenge zal mogen verwachten’.

Er wordt een uitgebreid ‘Programma voor het bezoek van Zijne Majesteit de Koning in Zeeland in de maand mei 1862’ gemaakt. Van dag tot dag staat hierin uitvoerig het schema aangegeven. Van de Commissaris van de Koning komen op 17 mei 1862 enige afdrukken in van het programma voor het bezoek. Daarvan worden exemplaren uitgereikt aan de leden van het college.

Van 22 mei 1862 dateert een archiefstuk bevattend een raming van de kosten wegens het bezoek van Zijne Majesteit de Koning op 27 mei 1862. Deze bedraagt in totaal ƒ 1.569,56, waaronder aan P. Oosthout te Rotterdam voor het déjeuner en bloemen ƒ 827,00 en voor wijnen ƒ 331,02 (aan de weduwe A. Steendijk ƒ 166,27, aan M.J. de Jongh ƒ 89,00 en S. de Jonge Mulock Houwer ƒ 75,75). Verder bedragen voor rijtuighuur, versieringen et cetera. Deze interessante specificatie opnemen op de website.

In de archiefmap bevinden zich over deze gebeurtenis interessante stukken onder meer:

  • de menukaart voor het déjeuner;
  • een wijnenkaart;
  • een gedicht dat de weeskinderen de Koning toezingen;
  • een staatje van de koetsen die voor het vervoer zorgen.

Op 24 mei 1862 ontvangt het gemeentebestuur een uitnodiging van de sociëteit ‘Jacoba van Beieren’ voor het bijwonen van een concours op 27 mei ter ere van Zijne Majesteit de Koning te houden. Besloten wordt uit hoofde van Zijne Majesteits komst en de daaropvolgende bemoeiingen voor deze uitnodiging beleefd te bedanken.

In verband met de komst van Zijne Majesteit de Koning op de 27e mei besluit het college aan de onderwijzers en onderwijzeressen van de gemeentescholen op te dragen om op die dag geen school te houden en aan de leerlingen vakantie te geven.

Op woensdag 21 mei 1862 legt het koninklijk stoomjacht te Middelburg aan voor het Oost-Indisch Huis op de Rotterdamse kade. Met veel vertoon door de schutterijen en de muziekkorpsen gaat de Koning naar de Abdij. In de statenzaal wordt de Koning een diner aangeboden.

Op donderdag 22 mei wordt ‘s morgens audiëntie verleend aan de autoriteiten, ambtenaren, officieren en militairen mitsgaders aan particulieren uit dit gewest. Na afloop daarvan wordt een déjeuner aangeboden door de burgemeester en zal het merkwaardige van de stad worden bezichtigd.

‘s Avonds wordt een diner door het gemeentebestuur aangeboden. Ook wordt ’s avonds de verlichting van de stad in ogenschouw genomen en een route door Middelburg gereden.

Op vrijdag 23 mei gaat het via Grijpskerke, Aagtekerke, Westkapelle, de Westkapelse zeedijk en Vlissingen. In Vlissingen wordt het merkwaardige van die stad bezichtigd en een diner door de gemeenteraad van Vlissingen aangeboden.

Op zaterdag 24 mei gaat het via Koudekerke naar Vlissingen en gaat de Koning aan boord van het koninklijke stoomjacht naar Hoofdplaat. Vervolgens gaat het via Biervliet, IJzendijke, Waterlandkerkje en Aardenburg naar Sluis.

In Sluis wordt het déjeuner van het gemeentebestuur gebruikt. ‘s Avonds worden Oostburg en Schoondijke bezocht en in Breskens gaat het via Vlissingen naar Middelburg.

Op zondag 25 mei wordt een kerkdienst in de nieuwe kerk bezocht en gaat het naar Veere om daar het merkwaardige van die stad te bezichtigen. Daarna gaat de tocht via Vrouwenpolder en Oranjezon naar het buitenverblijf Overduin. Aldaar zal de Koning gebruik maken van een door de heer mr. De Jonge van Ellemeet aan te bieden déjeuner. Daarna gaat het naar Domburg, Oostkapelle, Serooskerke en Sint-Laurens naar Middelburg, waar het diner gebruikt wordt ten huize van de Commissaris van de Koning.

Op maandag 26 mei wordt afscheid genomen van het gemeentebestuur van Middelburg en gaat het via Oost-Souburg naar Vlissingen. Vandaar met het koninklijk jacht naar Ter Neuzen. Daarna via Sas van Gent en Axel naar Hulst, waar het diner wordt aangeboden.

Dinsdag 27 mei zal Zijne Majesteit zich in de vroege morgen naar het Fort Bath, Schore, Biezelinge, Kapelle en Kloetinge naar Goes begeven en daar tegen een uur van de namiddag aankomen. Na aldaar door het gemeentebestuur te zijn ontvangen, zal Zijne Majesteit het merkwaardige van de stad in ogenschouw nemen en verder gebruik maken van een aan de Koning door het gemeentebestuur aan te bieden déjeuner.

Zijne Majesteit zal de reis vervolgens voortzetten over ‘s-Gravenpolder, Nisse, Heinkenszand en ‘s-Heer Arendskerke. In de beide laatstgenoemde gemeenten zal Zijne Majesteit vermoedelijk enige ogenblikken vertoeven en zich verder begeven naar Wolphaartsdijk, teneinde zich aldaar weer aan boord van het koninklijk stoomjacht in te schepen en de nacht door te brengen.

Op woensdag 28 mei gaat de reis via Kortgene en Wissenkerke naar Colijnsplaat en vandaar wordt ingescheept naar Tholen. Vervolgens worden de dorpen van Tholen bezichtigd en zal de Koning de nacht op het stoomjacht overblijven.

Op donderdag 29 mei gaat de tocht naar Sint Philipsland en van daar naar het eiland Schouwen-Duiveland. Daar zal een gedeelte van de stad Zierikzee en de dorpen op Schouwen bezocht worden.

Op vrijdag 30 mei zal het overige van het eiland Schouwen worden bezocht en ‘s avonds wordt de provincie weer verlaten.

Het notulenboek van de gemeenteraad vermeldt op 31 mei 1862 het volgende:

Het bezoek van Z.M. de Koning aan deze gemeente op de 27e dezer in de beste orde afgelopen zijnde en Z.M. hoogstdesselfs tevredenheid over de ontvangst aan de burgemeester te kennen gegeven hebbende met verzoek om H.D. dankbetuiging daarvoor aan de ingezetenen over te brengen. Is na ‘s Konings vertrek, bij openbare bekendmaking aan het verlangen van Z.M. voldaan en zijn de ingezetenen bij die gelegenheid bedankt voor hun medewerking tot opluistering van H.D. ontvangst. En wordt besloten de dames De Laat de Kanter schriftelijk te bedanken voor de zorg en moeite besteed tot het inrichten en decoreren van de zalen bestemd geweest ter receptie van Z.M. de Koning’.

In de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 31 mei 1862 brengt de heer G.F. Callenfels, gewezen kommandant van de erewacht bij het jongste bezoek van Zijne Majesteit de Koning, ter vergadering van het gemeentebestuur over de standaards, die door de dames De Laat de Kanter vervaardigd en door de erewacht bij die gelegenheid gebruikt zijn, over. Het notulenboek vermeldt: ‘Welke standaard van dien heer is overgenomen om als een aandenken aan deze heugelijke gebeurtenis te worden bewaard’.

Op 7 juni 1862 ontvangt het gemeentebestuur een circulaire van 31 mei met de mededeling van ‘s Konings tevredenheid en dank wegens hoogst desselfs ontvangst in Zeeland.

Op deze zelfde dag komt er een kabinetsaanschrijving van de Commissaris van de Koning met de mededeling van ‘s Konings verlangen om de lijsten te ontvangen van de personen, welke de verschillende erewachten hebben uitgemaakt, die deze bij gelegenheid van Zijne Majesteits bezoek aan dit gewest hebben begeleid. Tevens wordt ter kennis gebracht de wens dat aan Zijne Majesteit worden afgestaan de banieren of vaandels, die door de erewachters bij deze gelegenheid zijn gebruikt geworden, teneinde die als een gedenkteken aan dit bezoek in een van de zalen van het Paleis te ‘s-Gravenhage te plaatsen.

Besloten wordt de opzending van de naamlijst van de leden van de erewacht te doen en de opzending van de banier met goedvinden van de erewacht bij de eerste gelegenheid plaats te laten hebben.

In de vergadering van de gemeenteraad van 11 juni 1862 zegt de voorzitter dat de dag van het verblijf van de Koning in deze gemeente in de beste orde en zonder enige de minste onregelmatigheid is afgelopen. En dat Zijne Majesteit bij herhaling heeft verzocht hoogst desselfs tevredenheid over de ontvangst aan de ingezetenen te kennen te geven, waaraan bij publicatie is voldaan. Wordende de betuiging van tevredenheid in druk door Zijne Majesteit herhaald bij provinciaal blad nummer 67.

De voorzitter betuigt bij deze gelegenheid nogmaals zijn erkentelijkheid aan allen die tot opluistering van Zijne Majesteits ontvangst hebben medegewerkt en legt over een schrijven van Gedeputeerde Staten, volgens hetwelk geen bedenking bestaat tegen het door de gemeenteraad verleende krediet voor een waardige ontvangst van Zijne Majesteit de Koning. De kosten wegens het bezoek van de Koning hebben blijkens een overgelegde specificatie bedragen ƒ 1.569,56. Dit bedrag wordt bestreden uit de post voor onvoorziene uitgaven op de begroting van 1862.

Op 2 augustus 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer mr. J.H. de Stoppelaar, archivaris van Middelburg. Hij deelt mee dat de uitgeverij van de heren J.C. en W. Altorffer het voornemen heeft om uit te geven een werk getiteld ‘Willem III in Zeeland, gedenkboek van Z.M.-verblijf in dat gewest, 21-30 mei 1862’. Hij verzoekt mededeling te doen van al zulke bijzonderheden als ‘s Konings verblijf, oponthoud of doortocht in de bezochte plaatsen, voor zoveel deze gemeente betreft, hebben gekenmerkt. Tevens verzoeken ze om de toezending van een naamlijst van de leden van de erewacht en een schetstekening van de door haar gebruikte banier. Besloten wordt naar een en ander te informeren om daarna aan dat verlangen zoveel mogelijk te voldoen.

Het verslag van hetgeen in deze gemeente is voorgevallen bij gelegenheid van ’s Konings bezoek op 27 mei wordt op 9 augustus 1862 aan de heer De Stoppelaar toegezonden.

De burgemeester deelt de gemeenteraad op 25 oktober 1862 mee dat bij hem is ingekomen een brief van de Commissaris van de Koning met toezending van het brevet en de decoratie wegens de benoeming bij het besluit van Zijne Majesteit de Koning van de heer G.F. Callenfels, kommandant van de Erewacht tijdens het bezoek van de Koning, tot Ridder der orde van de Eikenkroon. Hij heeft het voornemen een en ander aan de heer Callenfels uit te reiken in tegenwoordigheid van de leden van de Erewacht op morgenmiddag om twaalf uur.



Op 1 november 1862 is ingekomen een kabinetsaanschrijving van de Commissaris van de Koning van 23 oktober met de mededeling van Zijne Majesteits dankbetuiging voor de ontvangen lijst van het personeel van de Erewacht bij zijn bezoek aan Zeeland in de maand mei, alsmede voor de banier door deze bij die gelegenheid gebruikt en namens haar de Koning aangeboden.

Tevens wordt meegedeeld dat het Zijne Majesteit de Koning heeft behaagd aan elkeen van de kommandanten en de banier- of vaandeldragers, voor zover zij niet een onderscheiding van Zijne Majesteit hebben ontvangen, een fotografisch portret van de Koning als verder bewijs van zijn tevredenheid over de door de erewachten bewezen diensten te doen toekomen. Hierbij zijn twee zodanige portretten bestemd voor de heren C. de Fouw als 2e kommandant, en G. de Jongh, als banierdrager, bijgevoegd.

De burgemeester heeft daarvan de uitreiking aan deze heren gedaan op zondag de 26e oktober, tegelijk met de uitreiking van de decoratie als Ridder van de Orde van de Eikenkroon aan de kommandant, de heer G.F. Callenfels, alles in tegenwoordigheid van de leden van de Erewacht.

Goesche Courant

In juli 1868 ontvangt de gemeenteraad een brief van de boekhandelaar en uitgever van de Nieuwe Goessche Courant, Adriaan Cornelis de Jonge. Hij deelt mee dat hij aan het, ook reeds vroeger bij hem verschijnend weekblad, thans bekend onder de naam van ‘de Nieuwe Goessche Courant, Weekblad van Tholen, Zuid- en Noord-Beveland’, een meer bepaalde staatkundige richting heeft gegeven. Hij acht het van belang in de uitgave van de courant ook te mogen opnemen alle publicaties, alsmede alle advertenties, uitgaande van het bestuur van de gemeente Goes.

De voorzitter zegt dat er sprake is van een misverstand wat betreft het dragen van de kosten. Daarvoor wordt namelijk niet door de gemeente betaald, maar door belanghebbenden. Hij heeft er niets op tegen dat De Jonge voortgaat zoals hij al begonnen is door over te nemen wat in de Goessche Courant van de gemeente wordt opgenomen. Hij mag dit ook plaatsen. Dit geldt echter niet voor de verslagen van het verhandelde in de openbare vergaderingen van de gemeenteraad omdat deze verslagen geen officieel karakter hebben. Deze zijn een particuliere onderneming van de uitgever van de Goessche Courant.

Na een uitvoerige discussie vat de voorzitter de algemene opvatting van de gemeenteraad samen in de volgende zin: De gemeenteraadsverslagen in de Goessche Courant zijn een geheel private onderneming van de uitgever van die courant, die daarvoor een verslaggever heeft geëngageerd en ten aanzien van die verslagen naar eigen goeddunken handelt. Nu de zaak zo ligt is de gemeenteraad niet bevoegd daarover voorschriften te geven.

In de vergadering van de gemeenteraad van 28 december 1868 doet raadslid O. Verhagen het voorstel om met de uitgever van de Goessche Courant een schikking te treffen en dat de raadsverslagen tegen een zeer matige prijs in de handel worden gebracht. Daarvoor zou een ambtenaar ter griffie met de opmaking daarvan moeten worden belast.

De voorzitter en wethouder Fransen van de Putte bestrijden dit voorstel. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen officieel door de gemeenteraad vastgestelde notulen en een officieus verslag. Het voorstel van Verhagen wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen. Voor stemmen de heren Van Renterghem, Verhagen en De Laat de Kanter.

Carillon

In juli 1868 ontvangt het gemeentebestuur een rapportage van de gemeente bouwmeester D. de Koning. Hij doet daarbij brieven toekomen van de heer A.H. van Bergen, metaalgieter te Heiligerlee, en van de heren Landré en Glinderman te Amsterdam met daarbij gevoegd een begroting van kosten om een van de klokken uit het carillon te vergieten. Het nemen van een proef met een metalen klok zoals door de heren Landré en Glinderman wordt voorgeslagen komt hem minder wenselijk voor. Daarom heeft hij zijn begroting geheel naar de opgave van de heer Van Bergen ingericht. De klok weegt 650 pond. De kosten van het vergieten zijn ƒ 1.020.

In september 1868 blijkt dat er een klok van het carillon gebarsten is. Bij inspectie blijkt dat er nòg twee klokken zijn die noodzakelijk vergoten moeten worden. De kosten bedragen ƒ 313.

Bij de behandeling van dit punt in de gemeenteraad wordt een brief voorgelezen van de archivaris. Hij uit bedenkingen tegen het beschikken over de houwitser (kanon) die voor het vergieten is bestemd. Dit attribuut is namelijk een herinneringsteken aan een belangrijk tijdperk in de geschiedenis van ons vaderland en het aandeel door dappere Zeeuwen daaraan gegeven, aan de bevrijding van de dierbare geboortegrond.

Het college ziet geen aanleiding om een voorstel te doen tot wijziging van het in de vorige vergadering genomen raadsbesluit tot verkoop van de houwitser en stelt voor het genomen raadsbesluit te handhaven en te besluiten om nòg twee klokken te vergieten en de middelen daarvoor beschikbaar te stellen. Het voorstel van het college wordt aangenomen met 7 stemmen voor en 1 tegen (van de heer De Laat de Kanter).

Muziekbeoefening

De plaatselijke muziekdirecteur H.J. Kiriwale deelt het gemeentebestuur op 30 juli 1864 mee dat in de gemeente is opgericht een zangcursus voor meer volwassenen op maandag- en donderdagavond van 8 tot 9 uur. Hij verzoekt voor de oefenavonden gebruik te mogen maken van het lokaal boven gebouw ‘de Korenbeurs’. Tot wederopzeggens wordt hem vergunning verleend.

In december 1865 deelt de Harmonie ‘de Volharding’ het gemeentebestuur mee op maandag de 25e december ‘s avonds om 7 uur in het Slot Oostende haar eerste muzikale uitvoering te geven. Het programma in een fraaie uitvoering wordt meegezonden. Er worden werken ten gehore gebracht van Meijer, Beriot, Weber, Carrassa, Gungel, Gallay en Herz. Het college wordt voor die uitvoering uitgenodigd, maar is verhinderd.

De Harmonie ‘de Volharding’ verzoekt het gemeentebestuur in november 1866 subsidie voor de ondersteuning van haar activiteiten. De leden van dit muziekgezelschap bevlijtigen zich in het oefenen voor muziekuitvoeringen op blaasinstrumenten. Ze hebben daarmee op het oog de onderlinge bevordering van muzikale kennis en het genoegen der burgerij. Die inrichting wordt dan ook ondersteund door een 75-tal burgers die ieder daarvoor f 2 per jaar bijdragen. Dit bedrag is ternauwernood toereikend om de directeur te bezoldigen. Voor het onderhoud en de aankoop van instrumenten en muziek blijven er geen beschikbare fondsen over. Hun openbare uitvoeringen, zowel op de markt als op andere plaatsen, strekken zeer tot genoegen van de burgerij. Hun medewerking is reeds bij verschillende gelegenheden ingeroepen. Op grond van een en ander verzoeken ze dan ook aan hen een jaarlijkse subsidie toe te staan. Het verzoek is ondertekend door A. de Jonge, voorzitter, en H.J. Molhoek, secretaris.

De directie van de Harmonie ‘de Volharding’ verzoekt in september 1867 haar het gebruik tot wederopzegging toe te staan en af te staan 25 vierkante ellen gemeentegrond op de wal tegenover het huis van de heer J.M. de Jongh aan de Voorstad. Men wil dit gebruiken voor het plaatsen op die grond van een kiosk om te dienen voor het geven van openbare muzikale uitvoeringen door de harmonie.

In juni 1868 nodigt het bestuur van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst, afdeling Goes, het gemeentebestuur uit voor het bijwonen van het openbaar examen door de leerlingen van de zangschool op woensdag 17 juni des middags.

Huldiging oud-strijders 1813-1815

In juni 1864 publiceert het gemeentebestuur een Bekendmaking over de viering van de overwinning van Waterloo. Het college herinnert hiermee de ingezetenen aan het bepaalde bij Koninklijk Besluit van 1 augustus 1831 dat de DANKDAG OF GODSDIENSTIGE VIERING DER OVERWINNING TE WATERLOO altijd op de derde zondag van de maand juni van ieder jaar zal plaats vinden.

De ingezetenen worden uitgenodigd om door een plechtige viering daarvan en een algemene deelneming aan de openbare godsdienstoefeningen van hun dankbaarheid jegens het Opperwezen te getuigen ‘wegens den in de Velden van Waterloo bevochten zege en bij die gelegenheid de belangen van het Rijk en die van het Koninklijk Huis aan de goedheid des Allerhoogste op te dragen’.

In augustus 1865 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissaris van de Koning met drie exemplaren van de feestzang voor de oud-strijders van 1813-1815 die deelgenomen hebben aan de feestviering te Leiden. Hij verzoekt deze aan de rechthebbenden uit te reiken. Besloten wordt de ontvangen feestzangen heden uit te reiken aan J. van Splunder en W. Moeliker.

Ook verzoekt de Commissaris van de Koning in augustus 1865 om opgave te doen van het aantal lieden dat de militaire Willemsorde heeft ontvangen. Meegedeeld wordt dat binnen de gemeente zich slechts één Ridder der Militaire Willemorde bevindt, zijnde de heer H. de Leeuw van Koolwijk, gepensioneerd majoor, die tevens behoort tot de oud-strijders van 1813-1815.

Uit de opgave van de oud-strijders van 1813–1815 uit de gemeente Goes die gerechtigd zijn tot het dragen van het ereteken, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1865, blijkt dat dit zijn de heren K. den Boer, H. van den Broeke, J. Koopman, A. Le Duc, W. Moeliker, J. Oostdijk, J. Proos, J. Sterk, J. van Splunder en A. van der Volkeren.

De burgemeester ontvangt in 1867 een brief van de Minister van Oorlog met een exemplaar van het ereteken, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1865, benevens een certificaat van de bevoegdheid tot het dragen daarvan, een en ander ten behoeve van de oud-strijder H. de Leeuw van Coolwijk, gepensioneerd majoor te Goes.

Sociëteit Van Ongenugten Vrij

De kastelein Johannes Koopman van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ deelt het gemeentebestuur in augustus 1863 mee dat hij aangezocht is om ten behoeve van een behoeftige weduwe uit de aanzienlijke stand in de gemeente een onderhandse verloting te houden van voorwerpen van kunst en smaak. Hij wil zich daaraan niet onttrekken. De voorwerpen bestaan uit een geborduurd portret van Zijne Majesteit de Koning, een bloemenhanger, drie halve lampenslingers, een zakportefeuille, een kaartenkoker, een asbakje, een gehaakt kleedje en een paar pantoffels. Hij krijgt toestemming hiervoor een loting te houden in de schouwburgzaal.

Afbeelding
Het vaandel van Sociëteit Van Ongenugten Vrij
Het vaandel van Sociëteit Van Ongenugten Vrij

Slot Oostende

In mei 1865 delibereert het college over het verzoek van Leendert Vermeule om maatregelen te nemen voor het herstel van een waterloop, lozende op een riool van de gemeente, waarin een waterloop uit zijn huis in wijk A nummer 80 in de Wijngaardstraat uitvloeit. Overwogen wordt dat deze waterloop geen stadsriool is. Het komt immers niet voor op de kaarten die daarvan aanwezig zijn. Het vangt ook niet aan bij een modderbak van de gemeente, maar bij de mestvaalt van een particulier. Dit riool schijnt indertijd onder de gemeentegang van het Slot Oostende naar de Wijngaardstraat gelegd te zijn door de eigenaar van het Slot. Bij de bouw van de rooms-katholieke kerk is de afloop gebracht van het noordelijk dakschild van die kerk, terwijl de eigenaar van het huis in wijk A nummer 80 daarop een waterloop heeft gemaakt. Het college meent dat de verstopping zich bevindt in de loop van het huis van de verzoeker en wel als gevolg van het plaatsen door vorige huurders van een ‘hilletje’ op de vangput. Vermeule krijgt toestemming om op zijn kosten het riool op te graven en weer in orde te brengen onder toezicht van de opzichter van gemeentewerken.

Fotografisch atelier

In april 1865 krijgt de fotograaf F. Caland toestemming om zijn fotografische tent enige tijd op te slaan buiten de voormalige Koepoort op het plein onder de bomen recht voor de hoeve van de heer Willeboer, twee of drie ellen verwijderd van de rij- en wandelweg. Aanvankelijk had het gemeentebestuur hem een plaats aangewezen onder de zogenaamde ‘Hooge Bomen’ tussen de Kreukelmarkt en de Keizersdijk.



In oktober 1865 is sprake van nog een ander fotografisch atelier. De apotheker P.A. Hochart krijgt dan toestemming tot het plaatsen van een kachel in zijn fotografisch atelier, staande in de tuin van ‘de Prins van Oranje’.

Overige kunsten en wetenschappen

Er zijn verder in de gemeente de volgende verenigingen tot bevordering van kunsten en wetenschappen:

  • het departement Goes der Maatschappij tot nut van ’t algemeen met 57/53/45/41 leden;
  • een afdeling van de Maatschappij van toonkunst met 50/46/57/61 leerlingen. Aan deze instelling is een zangschool verbonden met 25/26 leerlingen;
  • een zangvereniging met 60/68/70/34 werkende en 40/56/40/39 niet werkende en ere leden;
  • een rederijkerskamer ‘Vondel’, met 5 ereleden, 15 werkende leden, 17/15/17 rustende leden en 74/66/65 kunstlievende leden; vanaf 1867 is er nog een rederijkerskamer, genaamd ‘Aurora’.
  • een afdeling van de Maatschappij van nijverheid met 30 leden.