Stadsfinanciën

Allereerst volgt hier een overzicht van de uitgaven, ontvangsten en batige saldi, zoals deze blijken uit de jaarrekeningen van de gemeente:

Jaar: Ontvangsten: Uitgaven:
1860 ƒ 59.094  ƒ 55.108
1861 ƒ 55.843 ƒ 53.049 
1862 ƒ 52.420 ƒ 57.558 
1863 ƒ 60.336 ƒ 59.927 
1864 ƒ 60.364  ƒ 53.292 
1865 ƒ 77.927  ƒ 72.699 
1866 ƒ 75.306  ƒ 73.615 
1867 ƒ 123.401  ƒ 119.063 
1868 ƒ 79.509  ƒ 79.509 

In hoofdzaak bestaan de ontvangsten uit opcenten grondlasten ƒ 5.530; hoofdelijke omslag ƒ 26.711; belasting op de dranken ƒ 13.642; heffingen en retributies ƒ 9.060 en de verkoop van bomen ƒ 586, in totaal circa ƒ 55.700. Ter illustratie zijn erachter de bedragen over 1860 vermeld.

Opmerkelijk is het grote bedrag voor vernieuwingen in het jaar 1866 van f 48.017,54. Dit bedrag is in hoofdzaak ontstaan door het bouwen van een hogere burgerschool voor ƒ 32.000; het maken van ameublement voor deze school ƒ 4.451; het inrichten van een nieuw telegraafkantoor ƒ 944; schilderwerk aan het raadhuis ƒ 279; herstelling van verschillende gemeentegebouwen ƒ 462; vernieuwing van een gedeelte dak aan het raadhuis ƒ 160; aanleg van een riool achter het wees- en manhuis ƒ 1.819; aanleg van een riool achter de Agnesgang ƒ 2.380; herstelling van de havenboorden ƒ 626; herstelling van de sasdeuren ƒ 395.

In 1867 wordt een bedrag van ƒ 8.430 aan vernieuwingen besteed, onder meer voor herstel van schoolgebouwen ƒ 575; het maken van een riool in de achterhaven ƒ 2.485; herstel van de sasdeuren ƒ 849 en herstel van de kaaimuren ƒ 2.580.

Financieel beleid

In de vergadering van de gemeenteraad van 31 juli 1863 wordt de gemeenterekening vastgesteld. Deze sluit met een ongunstig resultaat van ƒ 1.333,86. Het tekort is voornamelijk ontstaan doordat de belasting op het gedestilleerde ruim ƒ 1.700 en de sas- en havengelden ruim ƒ 900 minder hebben opgebracht dan begroot als gevolg van de stilstand van de fabrieken. 

Bovendien heeft de rijksaccijns in de gemeente over 1862 ƒ 908 minder opgebracht dan in 1861. Er schijnen twee hoofdoorzaken te zijn die de sluikerij sterk in de hand werken. Allereerst de opdracht van de surveillance aan de gewone politiebeambten die de speciale geschiktheid daarvoor missen en uit hoofde van hun overige ambtsplichten buiten staat zijn het toezicht naar behoren uit te oefenen. Verder speelt hier een rol het gemis in de Verordening op de invordering van deze belasting van bepalingen omtrent de aanpeil bij handelaars en tappers.

Het voorstel van de heer De Laat de Kanter om de in de gemeente Goes gestationeerde rijksambtenaren (zoals dit vroeger ook het geval was) met het toezicht te belasten en de verordening aan te vullen wordt met algemene stemmen door de gemeenteraad aangenomen.

De gemeenteraad besluit met eenparige stemmen op voorstel van het college om, behalve de agenten van politie, ook de rijksambtenaren der belastingen op te dragen de surveillance op de plaatselijke belasting van wijn en gedestilleerd, tegen een beloning voor controle en toezicht van ƒ 250 per jaar, uit te oefenen.

In de vergadering van de gemeenteraad van 29 oktober 1863 komt het tot een uitgebreide gedachtewisseling over de financiële toestand van de gemeente.

Alvorens over te gaan tot de voortgezette behandeling van de begroting voor 1864 doet raadslid mr. De Laat de Kanter een voorstel tot oprichting van een burgerbewaarschool. De voorzitter zegt dat dit voorstel eerst onderzocht moet worden en meer dan een amendement is. Maar hij wil de heer De Laat de Kanter de gelegenheid geven zijn voorstel toe te lichten.

De heer De Laat de Kanter uit daarop forse kritiek op het college. Zijn bezwaar tegen de begroting betreft meer de posten die er niet op staan dan die er wel op staan. Hij betoogt o.a. het volgende:

De Memorie van Toelichting bij de begroting bevat dezelfde dorre opsomming van pachten en cijnzen die een groot gedeelte van de memorie innemen, maar daarentegen weinig of geen toelichting van de uitgaven zelf, zodat de gemeenteraad over de eigenlijke bestemming van vele posten niet kan oordelen.

De begroting draagt het kenmerk van eenzijdigheid van het college in de behartiging van de gemeentebelangen. Ook vindt hij dat hun voorliefde juist gericht is op die onderwerpen die tot de welvaart van de gemeente het minst kunnen toebrengen. Hij wijst erop hoe de aanvragen en wensen van de armbesturen steeds volledig worden ingewilligd, zonder zelfs tot een enkele opmerking bij het college aanleiding te geven. En hoe de overige beschikbare gelden steeds worden bestemd voor bouwen, straatmaken en dergelijke onderwerpen, die, ja op zichzelf wel te verdedigen zijn, doch die, wanneer men bij beperkte middelen moet kiezen, geenszins behoorden de voorkeur te genieten. Daarentegen ondervinden juist die commissies in de gemeente bij het college het minste sympathie wier werkkring in meer rechtstreeks verband staat tot de welvaart der gemeente.

Terwijl alle aanvragen van de armbesturen weder onvoorwaardelijk op de begroting zijn gebracht, worden de voorstellen der schoolcommissie en de plaatselijke geneeskundige commissie steeds ter zijde gelegd en als niet gedaan behandeld. Getuige de dezer dagen behandelde kwestie der scholen, getuige de zaak der riolen, der vest enzovoorts, waarvoor wederom niets is beschikbaar gesteld en welke onderwerpen, blijkens de tegenstand van het college tegen het voorstel om de schulddelging te schorsen, generlei gewicht schijnen te hebben.

Nog in een ander opzicht kon er veel tot vooruitgang van de gemeente gedaan worden. Als voorbeeld – aldus de heer De Laat de Kanter – kan genoemd worden het dempen van de zoute vest, die tot bouwland gemaakt en in kleine percelen verkocht, stellig de kosten van inrichting zouden dekken en het drieledige nu zouden hebben dat er handenarbeid door werd verschaft aan de arme ingezetenen, dat een ongezonde modderpoel werd opgeheven en dat velen in het cultiveren van de ontgonnen grond een bron van nijverheid zouden vinden. Een ander voorbeeld is het slechten van de wal en het dempen van de vest tussen de voormalige Koepoort en de Keizersdijk.

Het terrein daardoor te verkrijgen zou, als tegen het verwachte spoorwegstation gelegen, blijkens de ondervinding in andere plaatsen waarschijnlijk zeer gezocht kunnen worden tot het stichten van woonhuizen; de speculatiegeest der ambachtslieden zou erdoor worden opgewekt; vele handen zouden er arbeid door vinden, terwijl ook hierdoor een begin zoude worden gemaakt met het inkrimpen van de vest, die al meer en meer dreigt een bron van ziekten voor de gemeente te worden.

Voorzitter Blaaubeen beantwoordt de heer De Laat de Kanter door op te merken dat de begroting zo breedvoerig mogelijk is toegelicht en daarin weder zijn omschreven de pachten, cijnzen en erfpachten ten behoeve der gemeente, omdat men vreest dat het vermelden van de veranderingen alleen, binnen korte tijd verwarring zal veroorzaken. Dat overigens gebrek aan fondsen de enige oorzaak is, dat er geen verbeteringen aan de schoolgebouwen of de riolen zijn voorgedragen kunnen worden, omdat de werken die ontworpen zijn van de meeste noodzakelijkheid zijn.

Raadslid Fransen van de Putte verklaart zijn instemming met de denkbeelden van de heer De Laat de Kanter en betuigt zijn leedwezen dat het voorstel tot schorsing van de schuldaflossing niet is aangenomen.

Het voorstel voor de oprichting van een burgerbewaarschool op dit moment wordt met vijf stemmen tegen en drie stemmen voor verworpen. Voor stemmen de heren De Laat de Kanter, Fransen van de Putte en Pilaar.

Tijdens de behandeling van de begroting voor 1969 in de raadsvergadering van 27 november 1868 komt het tot een ongebruikelijke woordenwisseling tussen verscheidene leden van de gemeenteraad.

Voorafgaand aan de begrotingsbehandeling worden algemene beschouwingen gehouden.

Raadslid O. Verhagen valt gelijk met de deur in huis met de volgende woorden:

Het valt in mijn oog niet meer te ontkennen dat er een geest van ontevredenheid begint te heersen bij vele ingezetenen, die naar het mij voorkomt, door ons als leden van de raad niet langer mag worden geïgnoreerd. En zulks te minder, omdat zij naar mijn innerlijke overtuiging enig en alleen zijn oorsprong heeft daarin, dat er enige personen in ons midden zijn, die niet ophouden het publiek door onjuiste redeneringen te misleiden en in den waan te brengen, dat hunne belangen door de meerderheid in deze raad niet naar behoren worden behartigd en wel vooral daardoor, dat de uitgaven aan het onderwijs besteed, niet in evenredigheid zouden staan met de financiële krachten der gemeente.

Vervolgens doet Verhagen een felle aanval op degenen die op grond van hun zogenaamd godsdienstig, maar eigenlijk kerkelijk leerstellig standpunt, zich in een vijandig kamp verenigen tegen het onderwijs, zoeken door alle mogelijk middelen hun aanhang te versterken en het volk over te halen om met hen gemene zaak te maken. De eenvoudigen wordt wijs gemaakt dat het lager onderwijs, zoals het op de openbare scholen, volgens de wet van 1857 gegeven wordt, godsdienstloos is, omdat er volstrekt geen kerkelijk leerstellig onderwijs mag gegeven worden. etc.



In de volgende vergadering van de gemeenteraad op 1 december 1868 gaat de heer Van Renterghem in op de woorden van de heer Verhagen. Hij zegt o.a.:

Het betoog, met al de bespiegelingen en cijfers van de heer Verhagen brengt ons geen stap verder om de kwaal te genezen, waaraan wij laboreren. In tegenoverstelling met dit lid kan het wellicht nuttig zijn de schilderij ook eens van de keerzijde te beschouwen.

Wij verkeren in een kommerlijke financiële toestand. Wij hebben veel schuld, daarentegen weinig zekere, maar vele onzekere baten en staan voor een aanzienlijk te kort om de dienst van 1869 te verzekeren met het vooruitzicht om andermaal tot een directe of indirecte verhoogde hoofdelijke omslag te moeten overgaan. En wat nog erger is, nieuwe leningen te moeten sluiten om alzo van kwaad tot erger te vervallen.



De heer Van den Bosch gaat uitvoerig in op de woorden van de heer Verhagen over het openbaar onderwijs in tegenstelling tot het christelijk onderwijs. Ook de heer De Laat de Kanter geeft een uitvoerige beschouwing. Hij vindt de beschouwingen van de heer van den Bosch geen beschouwingen met betrekking tot de onderwerpelijke begroting.

Wethouder Fransen van de Putte zegt niet te kunnen ontkennen dat er in de gemeente een geest van ontevredenheid heerst, die op allerlei wijze wordt gevoed en zijn grond daarin vindt dat de belasting te hoog wordt opgevoerd en aan het onderwijs te veel wordt besteed, welke voorgewende reden door de heren Verhagen en mr. De Laat de Kanter reeds zijn bestreden. Hij bestrijdt dat het openbaar onderwijs op een veel te weelderige voet is ingericht.

Raadslid mr. Van Voorst Vader zegt geen lust te hebben in breedvoerige beschouwingen. Het blijft echter zijn overtuiging dat het onderwijs alhier op een te grote voet is ingericht.

Aan het einde van de algemene beschouwingen zegt de voorzitter dat het hem leed doet dat het nieuwe lid zulk een pessimistische beschouwing van de gemeente geleverd heeft. Het is moeilijk die tegen te spreken omdat zij gegrond is op mogelijke eventualiteiten.

Aan het einde van de begrotingsvergadering van 9 december 1868 houdt de heer Van Renterghem een zeer breedsprakige redevoering. Hij voert o.a. aan:

Als ik mij niet bedrieg, gevoelen wij ons allen in een meer of min gedrukte en onaangename stemming, omdat wij beseffen dat het op deze wijze niet langer is vol te houden, zodat het bij mij vaststaat dat, als wij niet bijtijds besluiten om op de Hogere Burgerschool een belangrijke amputatie toe te passen, het gehele huishouden der gemeente, zelfs zonder onvoorziene rampen, in gevaar is.

De voorzitter zegt zich verplicht te voelen de heer Van Renterghem tot de orde te moeten roepen met het verzoek niet verder voort te gaan met zijn redevoering. Waaraan door Van Renterghem wordt voldaan.

Daarna wordt de gehele begroting in stemming gebracht en aangenomen met 7 tegen 2 stemmen. Tegen stemmen de heren Van Renterghem en Nortier.

Aangaan geldlening van ƒ 44.000

De gemeenteraad besluit op 16 februari 1866 om een geldlening aan te gaan van ƒ 44.000. Er worden in totaal 88 aandelen van ƒ 500 per stuk uitgegeven. Aandelen worden afgenomen door wethouder J.A.A. Fransen van de Putte (19), L.D. van de Bilt La Motthe (4), mr. J.G. de Backer (2), mr. W.G. de Kerst Meiden (2), C.J.A. van Hoek Rienders (4), S. de Laat de Kanter (2), het Burgerlijk Armbestuur (20), gemeentesecretaris H.C. Pilaar (1) en het Gasthuis (34).

Gildefonds

In januari 1865 besluit de gemeenteraad, op voorstel van het college, tot het aangaan van een geldlening uit de fondsen van de vroeger bestaande gilden en hiervoor Zijne Majesteit de Koning goedkeuring te vragen.

De gemeenteraad overweegt daarbij dat in het lopende jaar 1865 onderscheidene werken voor de aanleg en vernieuwing van de eigendommen van de gemeente behoren te worden gerealiseerd. Als voorbeelden worden genoemd:

  • het maken en plaatsen van nieuwe vloeddeuren aan het binnensas ƒ 1.600;
  • het vernieuwen van de vleugelmuren van het binnensas in de schutkolk ƒ 1.650;
  • de voorziening van de havenboorden door het maken van 1500 strekkende ellen glooiing van afval van Vilvoorde steen ƒ 3.900;
  • het maken van een nieuwe ijzeren draaibrug, omdat de bestaande houten brug in gevaarlijke toestand verkeert ƒ 8.769, waarvan in 1865 zou moeten worden betaald 2/3 of ƒ 5.846 en voor metsel- en hardsteenwerk ƒ 1.000, derhalve ƒ 6.846;
  • het vervangen van een moddersloot door een overdekt riool, waardoor een aanvang kan worden gemaakt met de aanleg van een verbeterd rioolstelsel in de gemeente, ƒ 880;
  • hierbij dient nog gevoegd te worden het nadelig saldo van de rekening van 1862 in de onderwerpelijke begroting ƒ 1.333,85;
  • in het geheel derhalve ƒ 16.209,85.

Tevens wordt overwogen dat deze uitgaaf onvermijdelijk is en niet kan worden gedekt door de gewone inkomsten van de gemeente. Tot bestrijding besluit de gemeenteraad een geldlening aan te gaan van ƒ 14.000, tegen een rente van 4½ % en een jaarlijkse aflossing van ƒ 200. Verder besluit de gemeenteraad Zijne Majesteit de Koning machtiging te vragen om van de inschrijving van ƒ 24.800 op het Grootboek van de 2½ % Nationale Schuld ten name van het Fonds van de vernietigde gilden zoveel te gelde te maken als nodig is om het bedrag van ƒ 14.000 beschikbaar te krijgen en deze alsdan aan de gemeente, op de hiervoor omschreven wijze, ter leen te verstrekken om jaarlijks uit de te verrichten aflossing een nieuwe belegging te doen op het Grootboek van de 2½ % Nationale Schuld.

Leenbank

Boekhouder van de leenbank is deze jaren mr. J.L.H. Liebert en onder-boekhouder is A. Schraver.

De directie van de leenbank doet begin 1861 mededeling van zijn beschouwingen over het in de gemeenteraad geopperde denkbeeld om de leenbank meer productief te maken. Dit zou kunnen door bij voorbeeld een hulpbank met deze te verenigen, hetgeen onraadzaam wordt geoordeeld. Het stuk zal onder de leden van de gemeenteraad worden rondgezonden om beter een punt van beraadslaging uit te maken.

In april wordt besloten het betreffende stuk in het archief te deponeren ter inzage van de leden van de gemeenteraad om als ze dit wensen een voorstel te doen. Daarvoor heeft het college van burgemeester en wethouders geen vrijheid gevonden.

Broodzetting

Begin 1861 doet raadslid Fransen van de Putte het voorstel tot wederinvoering van de broodzetting in de gemeente. Wethouder Van Kerkwijk zegt dat hij het woord ‘monopolie’, door de heer Fransen van de Putte gebezigd, niet wel gekozen acht bij een zo groot aantal bakkers als in deze gemeente zijn. Dit is niet aan monopolie te danken.

De heer Saaymans Vader ondersteunt het voorstel van Fransen van de Putte om daardoor enig toezicht op het brood te verkrijgen, hetgeen hem uiterst noodzakelijk voorkomt.

De heer De Knokke van der Meulen begrijpt niet waarom alleen de bakkers onder surveillance zouden moeten staan en aan banden gelegd moeten worden.

De heer Fransen van de Putte verklaart dat er wel zeker een soort monopolie onder de bakkers is, omdat het anders niet te verklaren is dat de prijzen bij allen steeds gelijk zijn.

De heer Van den Bosch acht het middel, door wederinvoering van het broodpas, erger dan de kwaal en ongeschikt om die te doen ophouden. Het opvoeren van de broodprijzen is een algemeen opgemerkt bezwaar, maar de wederinvoering van de broodzetting acht hij teruggaan in het beginsel van een vrije concurrentie, door deze raad gehuldigd.

De voorzitter verklaart overtuigd te zijn dat de prijzen van het brood in deze gemeente te hoog worden gesteld. Hij is evenwel tegen het weer invoeren van de broodzetting en is van mening dat er na de opheffing van de knellende banden die de industrie vroeger zijn aangelegd op die weg, niet terug mag worden getreden. Er dienen andere middelen te worden uitgedacht om de bakkers tot een meer billijke prijsbepaling te brengen. Met acht tegen twee stemmen wordt besloten niet tot het weer invoeren van de broodzetting over te gaan.

Sas- en havengeld voor waterschuiten

In november 1861 speelt nog de volgende kwestie.

Bij verscheidene raadsbesluiten heeft de gemeenteraad vrijstelling van sas- en havengeld verleend voor het vervoer van met zwavelzuur bezwangerd water uit de garancinefabrieken van de heren Van Renterghem, Verhagen & compagnon en Fransen van de Putte & compagnon. Gedeputeerde Staten maken hiertegen bezwaar en verzoeken om nadere opheldering. In een uitvoerig raadsbesluit wordt betoogd dat het hier gaat om waterschuiten die bediend worden door werklieden van de fabrieken en niet door schippers waarvoor de verordening voor sas- en havengeld dient. De gemeenteraad besluit Gedeputeerde Staten mee te delen dat zijn besluit tot vrijstelling van sas- en havengeld wordt gehandhaafd.

Verpachtingen

Uit de staat van verpachtingen en verhuringen blijken o.a. de volgende pachtinkomsten:

  • pacht van een reep grond buiten de voormalige Bleekveldse Barrière voor de functie van lijnbaan, pachter is N. de Lange;
  • pacht van de tuin achter de stadsschuur, pachter is F. Reijerse;
  • pacht van 18 roeden en 10 ellen hoveniering in de voormalige zoute vest onder aan de stadswal tegenover de zaagmolen de Eendracht, pachter is H. Werri;
  • pacht van de dijk aan de korenmolen de Koornbloem van het telegraafkantoor, lopende voorbij de molen tot aan het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzennest.